Recensie

Recensie

Willem van Oranje was nooit te beroerd om nepnieuws te verspreiden

Willem van Oranje Cultuurhistoricus René van Stipriaan schreef de eerste ‘volledige’ biografie van de Vader des Vaderlands, vol details over de persoon en de wereld waarin hij leefde. Daaruit komt een heel ander beeld naar voren dan men gewend is.

Willem van Oranje op latere leeftijd, geschilderd door Daniël van den Queborn in 1599
Willem van Oranje op latere leeftijd, geschilderd door Daniël van den Queborn in 1599 Illustratie Leemage / UIG via Getty Images

Op de ‘School met den Bijbel’ die ik eind jaren zestig in het reeds sterk ontkerkelijkte Wormerveer bezocht, werd Willem van Oranje verheerlijkt als de onzelfzuchtige leider van de gewesten die in de zestiende eeuw in opstand kwamen tegen de tirannie van de Spaanse koning Filips II. Ook was hij de verdediger van het ‘ware geloof’ tegenover een door en door gecorrumpeerd katholicisme dat met pijnbank en brandstapel zijn bizarre dogma’s probeerde op te leggen. Het was een sterk ‘verzuilde’ Oranje die ons werd geschilderd, waarbij gereformeerde zelffelicitatie hand in hand ging met het liberale nationalisme dat in de negentiende eeuw vorm had gekregen. Hoe archaïsch dit ook lijkt, het was tevens een verhaal met een meer actuele dimensie. De Tweede Wereldoorlog lag nog geen kwart eeuw achter ‘ons’ en in de geschiedenislessen over de Tachtigjarige Oorlog leken de Spanjaarden wel verdacht veel op de Duitse nazi’s, had de hertog van Alva veel weg van SS-generaal Rauter, en hoewel het nooit met zoveel woorden werd gezegd, konden wij ons niet aan de indruk onttrekken dat ‘de katholieken’ dezelfde perfide rol hadden gespeeld als recentelijk de NSB’ers. En van Willem van Oranje leek een rechte lijn te lopen naar de heldhaftige koningin Wilhelmina.

Speelbal

In de serieuze geschiedschrijving werd dat beeld al sterk genuanceerd en vervaagde het nationalistische en calvinistische bidprentje snel. De laatste decennia ging dit proces van ‘debunking’ verder en tegenwoordig is er vooral veel aandacht voor de internationale context van de Opstand, waarbij de rol van Oranje minder groot wordt en hij niet zelden wordt geportretteerd als iemand die eerder een speelbal dan een hoofdrolspeler was. Ook wordt zijn opportunistische kant doorgaans benadrukt. Als lid van de hoge adel had hij vooral de belangen van zijn familie op het oog, zodat zijn rol als ‘vader des vaderlands’ met de nodige argwaan dient te worden bekeken.

Soms slaat deze kritische benadering echter door. Enkele jaren geleden publiceerden twee jonge historici, Aron Brouwer en Marthijn Wouters, een boekje waarin Oranje werd afgeschilderd als een doortrapte intrigant, manipulator, leugenaar en dictator met bloed aan zijn handen. Hoewel Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands barstte van de fouten, geen nieuwe feiten bevatte en slechts katholieke propaganda uit de negentiende eeuw herhaalde, werd het in de media gretig onthaald als een nieuw, fris beeld van Oranje, dat eindelijk eens een ‘de waarheid’ vertelde over deze ten onrechte tot held uitgeroepen schurk.

Uiteraard hield Oranje zijn eigen belangen scherp in het oog, maar dat gold natuurlijk voor alle vorsten, edellieden en stadsbesturen die een rol op het politieke schaakbord speelden. En ook klopt het dat Oranje zeer bedreven was in de tijdens de Renaissance hooggeprezen kunst van dissimulatio, het veinzen en achter fraaie woorden en omgangsvormen verbergen van je ware opvattingen en bedoelingen. Het was begrijpelijk dat Alva ooit verzuchtte: ‘Men moet zich hoeden voor de zwijgende Willem’, al mag men niet vergeten dat de gevreesde hertog zelf ook heel bedreven was in het misleiden en het tegen de borst houden van zijn kaarten.

Lees ook het interview met René van Stipriaan: Willem van Oranje stuurde de geschiedenis de beslissende kant op, zegt zijn biograaf

Maar met het gegeven dat Oranje zijn eigen belangen nastreefde, zich vrijwel nooit duidelijk uitsprak over zijn bedoelingen en niet te beroerd was om nepnieuws te verspreiden, weten we nog niet wat nu eigenlijk zijn rol in de Opstand was. Hoe werd hij er het boegbeeld van? Welke invloed had hij op de gebeurtenissen? Hoe populair was hij indertijd, en welke weerstanden riep hij op? Hoe oprecht waren zijn liefde voor de Nederlanden en zijn pleidooi voor religieuze verdraagzaamheid? Wat geloofde hij eigenlijk zelf? Wat waren zijn ambities, en waarom koos hij soms voor bondgenootschappen die allesbehalve voor de hand lagen?

Recent onderzoek

Om antwoorden te vinden op deze en dergelijke vragen is een kloeke biografie noodzakelijk, een boek waarin Oranjes leven wordt beschreven in de context van die tijd en waarbij wordt voortgebouwd op inzichten uit recent historisch onderzoek. Maar hoewel er over Oranje en over de Opstand enorm veel geschreven is, bestond zo’n moderne, omvattende biografie merkwaardig genoeg nog niet. Het valt dan ook te prijzen dat René van Stipriaan (1959) zich aan deze enorme klus gewaagd heeft.

Willem van Oranje (1533-1584) stamde uit het oude gravengeslacht Nassau, dat in het Heilige Roomse Rijk een belangrijke bijrol speelde. Het had oudere papieren dan de Habsburgers, maar was op zeker moment ruimschoots voorbijgestreefd door deze familie. Willems vader, Willem de Rijke, was verwikkeld in eindeloze juridische conflicten over bepaalde bezittingen, maar zijn zoon leek voorbestemd om de familie naar een hoger niveau te tillen. De jonge Willem erfde uitgebreide bezittingen in de Nederlanden, terwijl hem op 11-jarige leeftijd ook het Franse prinsdom Orange toeviel. Hiermee was hij op slag een van de belangrijkste edelen in de Nederlanden geworden, waardoor hij een rol zou gaan spelen in het landsbestuur van dit deel van het immense rijk van Karel V. Het probleem was echter dat Willems vader een aanhanger van Luther was terwijl het protestantisme ook in de Nederlanden bezig was aan een opmars. Hierop bepaalde de keizer dat Willem voortaan deel zou uitmaken van zijn hofhouding in Brussel, waar hij een goede katholieke opvoeding zou krijgen.

Favoriet

Willem was duidelijk een van de favorieten van Karel V, die hem al op zeer jonge leeftijd tot een van zijn legerleiders benoemde en hem allerlei belangrijke opdrachten gaf. Met zijn opvolger, Filips II, die geen keizer werd maar wel landsheer van de Nederlanden, ‘klikte’ het veel minder, al werd Willem in 1559 wel benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Franche-Comté. De rechtlijnige, sociaal veel minder vaardige Filips wilde de centralisatiepolitiek en de kettervervolgingen van zijn vader verder opvoeren en omringde zich bij voorkeur met Spaanse raadslieden en militairen, aan wier katholieke loyaliteit hij niet hoefde te twijfelen. Van Stipriaan wijst erop dat Willem zich gekleineerd voelde en dat het goed mogelijk is dat hierdoor de oude rancune van de Nassaus ten opzichte van de Habsburgers weer oplaaide en zijn eigen ambities werden aangewakkerd.

Willem van Oranje was echter niet de enige die Filips tegen zich in het harnas joeg. Ook veel Nederlandse edellieden voelden zich door hem buitenspel gezet, terwijl steden en gewesten zich in toenemende mate beknot voelden in hun vrijheden en zeggenschap. En de rücksichtsloze godsdienstpolitiek – waarbij Filips het strenge katholicisme van het Concilie van Trente (1545-1562) dwingend oplegde en elke vorm van ketterij bloedig vervolgde – zette eveneens enorm veel kwaad bloed. Het gevolg was dat allerlei groeperingen sterk radicaliseerden en de ontwikkelingen onbeheersbaar werden. In dit chaotische krachtenveld verdedigde Oranje niet alleen zijn eigen belangen, maar speelde hij dikwijls ook een matigende en verzoenende rol, met als doel de oppositie tegen Filips zoveel mogelijk bijeen te houden. Hoewel hij in de gruwelijke burgeroorlog – de beschrijvingen van de vele massamoorden benemen de lezer af en toe de adem – ook vuile handen maakte, stak Oranje toch gunstig af bij figuren als Alva of geuzenhoofdman Lumey.

De 22-jarige Willem van Oranje geschilderd door Anthonie Mor in 1555.

Maalstroom van geweld

Zeer helder schetst Van Stipriaan hoe Oranjes leven vaak vooral bestond uit ‘overleven’, uit reageren op de plannen en daden van zowel zijn vijanden als zijn (al dan niet tijdelijke) bondgenoten. Dat hij in die chaotische maalstroom van geweld en intriges uiteindelijk toch overeind bleef en de leider werd van een klein deel van de oorspronkelijke Nederlanden, kwam niet in de laatste plaats door zijn enorme talent voor propaganda en public relations. Met behulp van drukpers, uitstekende ghostwriters en een forse dosis desinformatie wist Oranje zich vrij overtuigend te presenteren als de man die opkwam voor de ‘algemene welvaart’ van de Nederlanders en die de traditionele vrijheden en de ‘ware religie’ verdedigde.

Hij besefte heel goed dat de Opstand tegen het machtige Spanje zonder bondgenoten volstrekt kansloos was, zodat hij voortdurend op verschillende borden tegelijk schaakte en bijvoorbeeld een tijd lang in zee ging met de onbetrouwbare en katholieke hertog van Anjou. Hierdoor botste hij regelmatig met een deel van de adel en met de calvinisten, terwijl ook de verschillende gewesten dikwijls dwarslagen. Niet zelden waren successen van Oranje en de overige opstandelingen primair het gevolg van de stommiteiten van Filips en diens bevelhebbers en adviseurs. Keer op keer kropen Oranje en de zijnen door het oog van de naald.

Diepgelovig

Er is dikwijls gesuggereerd dat Oranje zelfs in religieuze kwesties een volstrekt opportunistische houding aannam. Hoewel ook de biograaf keer op keer geconfronteerd werd met het feit dat Oranje wel erg veel kaarten tegen zijn borst hield, zodat over zijn werkelijke emoties en diepere drijfveren veel onduidelijk blijkt, maakt Van Stipriaan aannemelijk dat ‘de zwijger’ wel degelijk diepgelovig was. Dit geloof was echter ‘algemeen christelijk’ van aard. Oranje vond dat christenen elkaar niet naar het leven moesten staan en dat dogmatische verschillen niet op de spits moesten worden gedreven, omdat dan de gemeenschappelijke kern van het geloof uit het oog werd verloren. Zowel calvinistische als katholieke scherpslijpers waren hem een gruwel, en van opstandige sekten als de wederdopers moest hij helemaal niets hebben. Godsdienst mocht de samenleving niet splijten, zodat hij pleitte voor de zogenoemde ‘religievrede’, waarbij de verschillende geloofsgemeenschappen naast elkaar konden leven. Tegelijkertijd wijst Van Stipriaan erop dat deze politiek er mede de oorzaak van was dat het gebied waar de Opstand voet aan de grond kreeg steeds verder afbrokkelde. Veel tijdgenoten wilden namelijk de absolute hegemonie van hun eigen geloof.

Lees ook: Friso’s moedige maar roekeloze acties

Uit deze prachtige biografie vol persoonlijke details én heldere beschrijvingen van de wereld waarin het onderwerp leefde en handelde, komt Willem van Oranje niet naar voren als een heilige of een smetteloze nationale held. Wel als iemand met ambities, doorzettingsvermogen, moed, en politieke en religieuze denkbeelden die voor die tijd heel verstandig en gematigd waren. Kortom, als een groot man. En zoals het calvinistische dagblad De Nederlander in 1930 schreef na het overlijden van socialistenleider Troelstra: ‘Een groot man maakt geen kleine fouten, noch een klein man grote fouten. Wie zal een groot man naar zijne fouten beoordelen?’