Opinie

Wat ons bindt, is meer dan wat ons verdeelt

Tahrim Ramdjan

De zich rap ontwikkelende 1G/2G/3G-saga vormt een nieuw hoofdstuk in het verhaal van een samenleving die zich op steeds sneller tempo splijt, nadat Nederland al verdeeld raakte over thema’s als Zwarte Piet en klimaatverandering. Ik ben een kind van de tijd van polarisatie, maar ik weiger me daarbij neer te leggen. We moeten er toch ooit uit komen met zijn allen: de coronacrisis zal óóit ophouden.

Soms vraag ik me hardop en lang af: wat bindt ons nog allen? En dat is nog best veel.

Elk mens wil erkend worden. Alleen al elkaar in de ogen kijken zorgt voor een toename van oxytocine in het lijf, waardoor we ons geborgen en genegen voelen. Zo kunnen we angst, stress en boosheid sneller te lijf: er zit dus een kern van waarheid in het adagium ‘kill them with kindness’.

Elk mens wil zichzelf kunnen ontplooien. De Duitsers vonden dat zo belangrijk dat ze in artikel 2 van hun Grondwet het recht opnamen voor eenieder om ‘zijn eigen persoonlijkheid vrij te ontwikkelen’. Dat vond je ook terug in een voorloper van onze Grondwet, de Staatsregeling van 1801: artikel 1 sprak over het ‘geluk van allen [als] de hoogste Wet’, en artikel 3 garandeerde eenieder de optie om, binnen de grenzen van de wet, te ‘doen en verrichten wat hem behaagt’.

Elk mens wil ruimte. Regelmatig bespreek ik met vrienden, die net als ik in de hoofdstad wonen, het eeuwige dilemma: wil jij evenveel geld voor een kleine etage ergens drie hoog neertellen, terwijl je ook in Friesland een vrijstaand huis kunt kopen met tuin en al?

Als we ons dit realiseren, zou het gemakkelijker moeten zijn om elkaar die ruimte te gunnen, die erkenning te geven, en elkaar aan te moedigen om jezelf te ontplooien.

De praktijk is weerbarstiger in steden: daar raken mensen al snel „blasé”, volgens stadssocioloog Louis Wirth in zijn klassieker Urbanism as a Way of Life. Contacten die men in de stad opdoet, zijn onpersoonlijk, oppervlakkig, transactioneel: als het even kan, vermijden we elkaar.

Hoe komt dat? Stedelingen worden blootgesteld aan zóveel indrukken dat ze niet anders kunnen dan zichzelf afsluiten daarvoor. Dus ze doen hun oordopjes in, ze kijken het liefst weg (en lopen dus oxytocine mis), en eigenlijk komt dat mondkapje in dit kader misschien niet eens zo slecht uit. Wirth waarschuwt ten gevolge hiervan voor criminaliteit, sociale wanorde en mentale klachten onder stedelingen.

Let wel: dit schreef Wirth in 1938. Toen bestonden er nog geen sociale media, met constante informatiestromen en pingeltjes; toen was de wereld nog niet geglobaliseerd, waardoor we zowel mentaal als fysiek uit onze veilige havens, dan wel ‘zuilen’, werden getrokken. Tel daarbij op dat 74 procent van de Nederlanders tegenwoordig in stedelijke omgevingen woont.

Zijn we dan niet nagenoeg allemaal blasé geworden?

We hebben ooit zelf al deze dingen bedacht die ons bombarderen met die enorme hoeveelheid indrukken die ons splijten: mobiele telefoons, advertenties, onze sociale omgangsnormen. Zoals gedragsonderzoeker Leidy Klotz eerder in NRC zei: we proberen het leven beter te maken door van alles toe te voegen, maar vaak falen we daarin.

Maar juist omdat we alles zelf hebben bedacht, is niks in beton gegoten. Het is niet alleen imperatief, maar ook nog mogelijk om terug te gaan naar de basis. We moeten kijken naar wat ons bindt als het gaat om ons mens-zijn. Waartoe ben jij op aarde? Wat heb je nodig om een gelukkig mens te worden?

Alle inhoudelijke discussies die we nu met elkaar voeren, verworden tot futiliteiten als we elkaar niet eens kunnen erkennen wat betreft ons mens-zijn. Juist een crisis als deze is bij uitstek geschikt om ons dit af te vragen, en onze samenleving desnoods anders in te richten als dat nodig blijkt.

Tahrim Ramdjan is journalist en student staats- en bestuursrecht.