Recensie

Recensie

Wat is toch het plezier van de jacht?

Debat Jagen voor je plezier, dat kan eigenlijk niet meer. Maar de jagers kunnen het niet laten, blijkt uit twee zeer verschillende boeken over het fenomeen de jacht.

‘The Sporting Parson at the Meet(ing) of His 'Dear Brethren'’ van Hablot Knight Browne (1815–1882)
‘The Sporting Parson at the Meet(ing) of His 'Dear Brethren'’ van Hablot Knight Browne (1815–1882) Afbeelding Sepia Times

Tijdens een wandeling in een Belgisch bos hoorde schrijver Bibi Dumon Tak vlakbij een kogel langs suizen. Ze was midden in een drijfjacht beland en begon te rennen tot ze bij een weg kwam. Daar stonden de jagers. Als ze op dat moment een geweer had gehad, had ze dat op hen leeggeschoten, zo kwaad was ze.

Dit keer was ze zelf in gevaar, maar dat was niet de bron van haar woede. Het jagen op zichzelf is volgens haar een overbodige, wrede en ronduit verwerpelijke activiteit.

Dumon Tak, die onder meer bekroonde non-fictie voor kinderen schrijft, gaat regelmatig het gesprek aan met jagers in het zogeheten stiltegebied boven Amsterdam waar ze woont. Met het geknal van hun geweren verstoren ze de rust. Ook belt ze geregeld de politie en de omgevingsdienst, die volgens haar amper optreden tegen misstanden. En ze verdiept zich in de complexe regelingen die bepalen wie wanneer waarop mag jagen. De mistigheid van die voorschriften werkt steevast in het voordeel van de jagers, schrijft ze in haar ‘schotschrift tegen de jacht’: In een groen knollenland.

‘Het’ haas

Dat schotschrift past in een trend. Want ‘de maatschappij en de wetgever’ zetten vraagtekens bij ‘het ogenschijnlijk zonder nut of noodzaak doden van in het wild levende dieren voor het uitoefenen van een hobby’, schrijft jurist Luuk Boerema in de bundel De jacht. Een cultuurgeschiedenis van jager, dier en landschap. Het woordje ‘ogenschijnlijk’ suggereert dat Boerema daar mogelijk anders over denkt. En ook een lidwoord geeft zijn positie bloot. Hij heeft het in zijn artikel namelijk over ‘het’ haas. Wie het boek van Dumon Tak heeft gelezen weet dat dit de taal van de jagers is. Zij spreken over ‘het’ haas en ‘het’ ree. Met een lidwoord is de jager van de niet-jager te onderscheiden.

In dezelfde bundel, waarin de auteurs op zoek gaan naar de betekenis van de jacht, is ook te lezen dat door de landbouwrevolutie, tienduizend jaar geleden, de noodzaak van jagen wegviel. Voor de voedselvoorziening is het niet nodig. Maar de jacht bleef bestaan. Dat roept de vraag op waarom mensen jagen.

Dat is ook de vraag die Dumon Tak stelt aan jagers in haar omgeving. ‘Omdat ik het leuk vind’, is dan het antwoord, of: ‘voor mijn kerstmaaltijd’. En jagers zeggen dat ze aan natuurbeheer of schadebestrijding doen.

Het zijn drie motieven die ook in De jacht te vinden zijn. Het jagen voor voedsel neemt de laatste tijd zelfs toe door de belangstelling voor bewuster eten. Jagen zou nuttig zijn ter bestrijding van bepaalde dieren om daarmee de landbouw en de natuur te beschermen. Maar met jagen voor het eigen plezier is iets vreemds aan de hand. Aan de ene kant noemen jagers dat motief niet vaak tegenover de buitenwereld, terwijl ze onderling dat plezier wel benadrukken. Plezierjacht, zo lijken ze zich te beseffen, is toch min of meer een taboe.

Lees ook: De ganzenjacht wordt niet altijd begrepen door de ‘mondige Amsterdammers’

Dat was in het verleden wel anders. ‘De zucht tot jacht’, zo wordt Franciscus baron A.J.C. van Voorst tot Voorst (1801-1883) geciteerd, ‘schenkt ons een verheven genot als geen ander vermaak ter wereld opleveren kan’. Dat een baron dit heeft gezegd, is niet vreemd. De jacht was lange tijd voorbehouden aan de adel en later ook aan rijke ingezetenen. Het werd gezien als oefening voor de oorlog en de jagers – toen nog meer dan nu bijna uitsluitend mannen – konden zo hun mannelijkheid bewijzen.

Deelname aan jachtpartijen was een teken van status en prestige, maar voor sommigen ook een vlucht. Voor stadhouder-koning Willem III, bijvoorbeeld, was jagen meer dan een tijdverdrijf. Het liefst zat hij altijd achter herten en zwijnen aan, ook al ging het ten koste van zijn gezondheid. Tijdens een diplomatieke reis naar Duitse vorsten was hij vaker in de bossen en velden te vinden dan aan tafel voor gesprekken over bondgenootschappen.

Lees ook: Jaar van de Wilde Eend, wordt-ie toch afgeschoten (Opinie)

De eerste natuurreservaten

De Oranjes hebben hun voorliefde voor de jacht behouden. Prins Hendrik, echtgenoot van koningin Wilhelmina, stond bekend als ‘zwijnenverdelger’. Koning Willem-Alexander zet de traditie voort, met de jaarlijkse jacht op Kroondomein Het Loo. Maar Willem III, Hendrik en andere jachtliefhebbers lieten ook dieren uitzetten en gebieden omheinen. Met een beetje goede wil kun je zeggen dat zo de eerste natuurreservaten ontstonden. De selectieve bescherming door jagers heeft sommige soorten misschien wel voor uitsterven behoed, terwijl ‘schadelijke’ soorten werden uitgeroeid, zo is te lezen in De jacht.

Voor die nuances heeft Dumon Tak niet veel oog. Ze beschrijft in een ‘middeleeuws sprookje’ een koning (die sterk lijkt op het huidige staatshoofd) als een man die de natuur wil beheersen en daarom de dieren op hun knieën dwingt. Zo kan hij zijn macht tonen. In iets andere termen komt dat fenomeen naar voren in de cultuurhistorische bundel. Jagen is een ‘catalogus van allerlei vormen van ongelijkheid’: tussen mens en dier, tussen wel of niet bejaagde diersoorten en tussen mensen onderling (de jagers en hun helpers; zij die wel of niet mogen of willen jagen). Uit weerstand tegen die ongelijkheden komt waarschijnlijk het verzet tegen de jacht voort.

Dumon Tak, die lijstduwer was voor de Partij voor de Dieren, verwoordt dat in een aangrijpende passage in haar boek. Ze ziet ‘hoe het leven dat wegsterft uit een zwaan niet anders is dan wanneer het wegsterft uit een mens’. Die toon is een van de vele registers die ze bespeelt. Dan is ze hard en cynisch, dan ontroerend en emotioneel. Haar ontleding van de teksten op de website van de Koninklijke Jagersvereniging is luchtig, maar scherp. Haar gesprekken met de jagers zijn vaak ontluisterend en haar analyse van de lobby van jagers en bondgenoten in Den Haag en Brussel is verhelderend. Dat de jacht voor natuurbeheer nodig is, spreekt ze tegen. En als er dan toch geschoten moet worden, laat het dan aan professionals over, stelt ze, niet aan mensen die het leuk vinden.

Lees ook: Een diploma om te doden

Kogelmachine

Er komen, kortom, heel wat emoties los bij Dumon Tak, van medelijden met de dieren tot walging over de jachtpraktijken. En zelfs haat. Jagers zijn ‘eencelligen’, ‘amoeben’ , vormen ‘een plaag’. Jager-schrijver Pauline de Bok, auteur van Buit, is ondermeer ‘Pauline Kogelmachine’. Dat verbale schot hagel doet Dumon Taks betoog geen goed. Het vergroot ook het contrast met de bundel over de cultuurgeschiedenis van de jacht. Daarin wordt naar eigen zeggen een ‘afstandelijke, naar wetenschappelijke objectiviteit strevende benadering’ gehanteerd. Het boek geeft een mooi geschakeerd en fraai geïllustreerd beeld van de jacht, al moet je wel een beetje tegen afbeeldingen van dode dieren kunnen. Dat de tijd van prinsen, adellijke privileges en van mannen die ongeremd over de omgeving kunnen heersen misschien wel definitief ten einde komt, is een onderliggend thema. Maar over het algemeen zijn de auteurs in deze bundel niet kritisch. Ze beschrijven de jacht als een gegeven, niet als iets om grote vraagtekens bij te zetten. Want ze kiezen over het algemeen het perspectief van de adel (het boek verschijnt in de reeks ‘Adelsgeschiedenis’ van uitgeverij Verloren). En de jacht hoorde er voor de adel bij.

Des te opvallender is het als gesproken wordt van ‘een ordinaire slachtpartij’ als de jachtbuit van de Duitse keizer Wilhelm II ter sprake komt. Hij doodde 75.000 dieren in drie decennia, zeven dieren per dag.