Recensie

Recensie Boeken

Wat dóét en vindt de butler nou eigenlijk?

Robert Walser Tussen minachting en bordercollie-achtige bereidwilligheid beweegt de bediende uit Walsers klassieker zich. Een ongrijpbaarheid in de toon maakt de roman ‘modern’: ironie en ernst zijn bij hem gezworen vrienden.

Scène uit de Amerikaanse speelfilm Back Street (1932) van regisseur John M. Stahl.
Scène uit de Amerikaanse speelfilm Back Street (1932) van regisseur John M. Stahl. Foto John Kobal Foundation/Getty Images

In het echt kom je er nooit meer eentje tegen, maar in de fictie is de butler of de bediende springlevend. In de oude theaterstukken en romans uit Rusland bijvoorbeeld, maar ook in modernere tv-series en films lopen er nog genoeg rond. Zo had je Geoffrey in The Fresh Prince of Bel-Air, liep in The Nanny butler Niles rond en had ook Batman zijn eigen butler in de persoon van Alfred Pennyworth. Je kunt je goed voorstellen waarom vertellers het wat in onbruik geraakte beroep nog zo vaak opvoeren: een butler is de ideale getuige van de bemiddelden die hem in dienst namen. Hij zit er dicht op, krijgt alles van ze mee en ze staan hem die intimiteit ook toe, want hij is een baken van betrouwbaarheid en zijn lippen, zo veronderstelt men, zijn verzegeld. Bovendien kun je hem, zoals in bovengenoemde comedyseries, uitstekend inzetten als iemand die de boel ironisch becommentarieert. En misschien zien we onszelf wel in de butler. Zo wees Arnon Grunberg onlangs in een column in de Volkskrant nog op het dienende leven dat veel mensen leiden: ‘Wie zichzelf wil zien, moet naar een butler kijken.’

Enveloppen dichtlikken

Robert Walser hoefde de verwikkelingen uit De bediende niet te verzinnen. De Zwitserse writer’s writer (Franz Kafka, J.M. Coetzee en Susan Sontag bewierookten hem omstandig) baseerde zijn in 1908 verschenen roman op de ervaringen die hij had toen hij vijf jaar daarvoor een halfjaar als bediende werkte in een villa nabij het meer van Zürich. En zo overzichtelijk is de roman dan ook geconstrueerd, met Joseph, de bediende in spe, aankloppend bij het imposante huis van de familie Tobler. Aan de andere zijde van de deur wacht zijn broodheer, de ingenieur Tobler, die daar woont met zijn vrouw en zijn vier kinderen en wat ander dienend personeel. Er zit meteen iets dubbels – een onmiskenbaar motief in Walsers werk – in het moment: aan de ene kant is Joseph ernaartoe gestuurd door het ‘Bureau voor Arbeidsbemiddeling’ (waardoor je gaat vermoeden dat hij er niet helemaal uit vrije wil is), maar aan de andere kant is hij er wel twee dagen te vroeg (waardoor je gaat vermoeden dat hij niet kon wachten om aan zijn baan te beginnen).

Waar bestaan zijn werkzaamheden eigenlijk uit? Tja, liet zich dat maar zo eenvoudig uiteenzetten. Soms likt de 24-jarige Joseph wat enveloppen dicht en geeft hij de Toblers redactionele tips bij het schrijven van brieven, maar verder is zijn taak toch behoorlijk vaag en doet hij ook vaak niks. Als meneer Tobler weer eens op pad is lijkt het wel of Joseph er is om mevrouw Tobler gezelschap te houden – al neemt de relatie tussen de twee nooit een romantische vorm aan. Belangrijk aan Josephs opstelling is dat dubbele: dan weer is hij als een bordercollie bereid om zich het vuur uit de sloffen te lopen voor de baas, terwijl hij op andere momenten alleen maar minachting voor de Toblers lijkt te hebben.

Starre ernst

Het ‘moderne’ van De bediende zit hem in de ongrijpbaarheid van de toon. Ironie en ernst zijn bij Walser gezworen vrienden; soepeltjes nemen ze het woord van elkaar over, als in een duet. Tel daar Walsers ontzettend vrije omgang met het vertelperspectief bij op, met dan weer een alwetende verteller, dan weer een ik- en dan weer een ander perspectief, en je kunt niet anders concluderen dan dat zoiets als de ‘intentie’ van Walser bij het schrijven van dit werk onmogelijk valt te definiëren. Je wordt bij hem deelgenoot gemaakt van iets wat je ook wel bij zijn tijdgenoot Knut Hamsun aantreft, namelijk dat de stelligheid van die bewering die je even daarvóór hebt gelezen in wezen bespottelijk is. Je bent boos, je wandelt naar buiten, de zon schijnt, je vindt een tientje op straat en je kijkt weer helemaal anders tegen de zaak aan. Walsers Joseph is net zo gemakkelijk trots op zijn aanstelling als dat hij erover twijfelt. Woorden, in jezelf opborrelend of uitgesproken tegen anderen, doen eigenlijk geen recht aan de veelvormigheid van het bewustzijn en de kans is groot dat we met elkaar overhoop liggen omdat ik zo baal van al die regen.

Lees ook: Ronkende recensies The Grand Budapest Hotel: magisch, geestig en inspirerend

De bediende is dus een boek over vrijheid, over de nog jonge Joseph wiens leven nog dusdanig vloeibaar is dat hij nog niet, omwille van allerlei ambitieuze doeleinden en verantwoordelijkheden, ten prooi is gevallen aan de starre ernst van de plicht. De arme meneer Tobler is dat wel, want zijn ingenieursbureau stevent langzaam maar zeker op een bankroet af. Zijn uitvindingen (zoals een zogenaamde ‘reclameklok’ of een soort frisdrankautomaat waar je geen blikjes cola uithaalt maar kogels) steken weliswaar vernuftig in elkaar, maar niemand wil ze kopen. En in plaats van het over een andere boeg te gooien blijft hij zijn kop onvermoeibaar in het zand steken. Dat dure personeel zal tot de laatste snik in dienst blijven, dat dure eten zullen de schuldeisers onder zijn handen vandaan moeten trekken. En ook de aanleg van een soort grot in de riante tuin gaat onverminderd door. Als die eenmaal klaar is nodigt Tobler wat lokale zakenlui uit, die zich er in gaan zitten bezatten en ordinaire moppen uitserveren. Walsers grot kon wel eens de eerste man cave zijn.

De bediende is risicovol, lyrisch en bij tijd en wijle ontzettend komisch, maar de spontane haast waarmee het geschreven is levert heeft ook een zekere willekeur opgeleverd; beweringen op pagina 3 hadden evengoed op de laatste pagina kunnen staan.