Recensie

Recensie Boeken

Wat als het leven even niet zo scheutig is met geluk?

Sander Kollaard De Libris-winnaar van vorig jaar schreef nu een associatieve, heerlijk vrije en opwindend essayistische roman over woede en rouw, die toch barst van de levenslust.

Illustratie Paul van der Steen

‘Levenslust als moreel beginsel’, dat was de houding van Henk, hoofdpersoon van Sander Kollaards roman Uit het leven van een hond, de even verrassende als onweerstaanbare winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020. Henk wist: ‘het is niet eten en drinken dat ons in leven houdt, maar levenslust, de morele overtuiging dat het de moeite waard is, dat er waarheid en schoonheid ligt in het leven zelf, altijd en overal, maar dat het aan ons is om dat op te zoeken, te delven, als gelukzoekers, in de beste betekenis van dat woord…’

Mooi! En een houding waar je verder mee komt. Maar wat als het leven even wat minder scheutig is in het toebedelen van geluk en schoonheid? Wanneer bijvoorbeeld de dood intreedt, woede opvlamt, verdriet de levenslust wegvreet? Dat zijn de gegevenheden in de nieuwe roman De kleuren van Anna – maar wel sámen met die overtuiging dat het leven de moeite waard is, die ‘morele’ overtuiging waar de boeken van Sander Kollaard (1961) telkens weer om draaien. Zoals Henk al heen en weer joeg ‘tussen de polen van memento mori en carpe diem, zodat de een de ander kan voeden en vice versa, symbiotisch’, zo horen leven en dood ook hier bij elkaar.

Lees ook de recensie van Uit het leven van een hond, de roman waarmee Kollaard de Libris Literatuurprijs won.

Waarmee ik de boel overigens een stuk banaler verwoord dan Kollaard. Die schrijft bijvoorbeeld deze schitterende zin, als de naamloze verteller van zijn roman de werkkamer van een overledene betreedt en overvallen wordt door onmacht en weerzin, over deze futiele wereld. ‘Dat ik met een blik naar buiten – waar de zon scheen, waar een delphinium doodleuk in bloei stond – begreep dat niet de wereld futiel was, maar het leven dat verloren was gegaan maakte mijn weerzin alleen maar groter.’

Barbapapa

De dode is Anna, een vriendin, hond-uitlaatkameraad en dorpsgenote van de verteller in een Zweeds plattelandsdorp. Oud, maar toch plotseling. We zijn dan aan het einde van het eerste hoofdstuk, waarmee meteen duidelijk mag zijn dat deze roman het niet in plot of spanningsopbouw zoekt, maar in wat zo’n sterfgeval losmaakt. De kleuren van Anna begon overigens nóg weer heel anders: met een zes pagina’s lange grabbelton aan bespiegelingen en anekdotes over de kleur rood.

Rood, de kleur van bloed, gevaar, woede, de karnemelkfles en een verf van kopererts die op vele Zweedse huizen gestreken is, die per seizoen en met iedere lichtval weer een andere gevoelswaarde geeft. En toch: ‘Wie de wereld wil begrijpen, zal kleur moeten begrijpen’, poneert Kollaard – een stelling waar je wat kriegelig van kunt worden (als je hem zo los van de context ziet, klinkt hij ronduit hoogdravend), vooral omdat wat je zoekt en wílt zien ook maar net bepaalt wat je vindt, wat uiteen kan lopen van karnemelk tot woede dus. Zó komen we niet tot helderheid! Net zomin als bij blauw (in elk van de vier hoofdstukken, ook ‘Geel’ en ‘Groen’, herhaalt Kollaard dat anekdote-procedé) dat zowel onschuld vertegenwoordigt als ‘verlangen’, en de zee natuurlijk, alsook de Democratische partij in de VS. Tja, blauw is, zo redt Kollaard zich, ‘de Barbapapa van kleur, de shapeshifter, de meest ovidiaanse van allemaal’.

Het gaat alle kanten op – maar dat groeit gaandeweg uit tot de grote charme van De kleuren van Anna, want er zit óók steeds wel wat in, in wat Kollaard opdist. Een lezer die iets als Uit het leven van een hond verwacht, moet zich misschien even schrap zetten: ditmaal geen alledaagse Henk om het leven mee te bejahen, nu is Kollaards hoofdpersoon een denker, zijn referentiekader intellectualistisch, zijn verhaalstructuur essayistisch. Dwalend, het voorbeeld van boswandelaar Anna volgend, is zijn denken, waarbij zo’n beetje alles wat op zijn pad komt in de vertelling kan belanden – van de jarenzeventigstrip De Tiara van Oribal tot De storm van Shakespeare en de ruimtesonde Voyager. Heerlijk vrij is dit schrijven, dat me deed denken aan de essayistische rouwroman De vriend van Sigrid Nunez, maar soms ook aan de wervelende alles-kan-erin-seizoenencyclus van Ali Smith en met het slot, dat een magisch-activistisch tintje heeft, aan Olga Tokarczuk. Wat wil je nog meer? Mij kreeg hij moeiteloos mee.

Berisping

Het is dan ook een prachtige en terechte wending in Kollaards oeuvre. De essayist is misschien wel de meest levenslustige onder de schrijvers: álles kan opgenomen worden in het grote verhaal, alles kan betekenis krijgen, zinnig en zinvol worden. Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, ja – als de essayist zijn associaties in een bezield verband kan plaatsen, wórdt het iets. En dat doet Kollaard telkens op hoogst interessante, intellectueel opwindende wijze. Zijn zinnen zijn precies en fijnzinnig, vaak helder en nuchter, en draaft hij in zijn zinzoekerij een keertje door, dan wordt hij wel tot de orde geroepen door Anna: ‘Dat lijkt me een tikje overdreven, zei ze, maar ik begrijp je punt.’ De leukste berisping komt van het hoofdthema zelf: ‘Kijk naar ons, zegt kleur, gewoon kijken, zonder al die woorden – zonder dat eeuwige verhaal van je.’

Die relativering maakt de verteller een overtuigend romanpersonage, met wie je je als lezer niet (altijd) helemaal hoeft te vereenzelvigen, maar die je ook ziet probéren. De essayistische uitweidingen in De kleuren van Anna moet je lezen als de uitweidingen van een personage, dat zich daarmee, hoopvol overdrijvend en soms wanhopige worstelend, laat kennen.

Lees ook een interview met Kollaard uit 2020: ‘Nu is de Librisprijs wéér door een man gewonnen’

Diepe wonden

Maar dus vooral in zijn wens om zin te geven aan die rottige rouw en al het andere dat hem omringt. Dat kan niet los gezien worden van de buitenliteraire werkelijkheid. Anna overleed aan Covid, en de woede die de bespiegelingen loswoelde was werkelijk gevoelde woede, over de chaotische en steeds meer gepolariseerde wereld. Die confronteert de verteller ook met holle woorden, van koning Willem-Alexander, die ‘wil dat we elkaar vasthouden’, of Joe Biden – die vanuit een verzoeningsdrang de diepe wonden likt die toch binnen één presidentstermijn geslagen konden worden (‘Wat zijn, in dat geval, die idealen meer dan wanen?’). Tegelijk klampt de verteller zich vast aan empathie, en naastenliefde, die ‘van een hogere orde dan vergelding’ is.

Een verhaallijn die allengs bepalender wordt, gaat over de Syrische asielzoeker Zilan, die Anna onder haar hoede neemt – maar die dus ook verweesd raakt na Anna’s overlijden. Knap is hoe die verhaallijn gevoel in de roman brengt, maar het sentiment weet te omzeilen. Die precaire balans maakt De kleuren van Anna zo geslaagd en rijk, tegelijk wijs en warm. Tekenend daarvoor is deze observatie, over een drone: ‘Ik dacht aan de dozijnen levens die onder de daken door hun dagen gingen, verborgen voor het droneoog maar wat zou dat. Ze waren er en ze waren de moeite waard, allemaal, elk ervan, niet om de een of andere morele reden, niet vanwege een politiek standpunt, niet om religie zus of filosofie zo, maar domweg omdat ze zich goed lieten voorstellen.’ Ja, dacht ik daar, ja!