Opinie

De koningin geeft prinses Diana de genadeslag

Film ‘Spencer’ en toneelstuk ‘Hebriana’ verschillen compleet van elkaar, maar Joyce Roodnat ziet de overeenkomsten: beide zijn afleveringen van de geperverteerde tragedie die familie heet. De buitenbenen worden aangevallen, met haat, liefde en eigenwaan.

Joyce Roodnat

In de bioscoop zie ik altijd weer het ondenkbare wat eruit bestaat dat het erg is, aangrijpend plus mooi. Dan is het vuig genieten. Ik bedoel: een hedendaagse prinses die de wc omhelst om over te geven, met haar superweelderige avondjurk als een pauwenstaart achter zich over de tegeltjes gespreid – wat wil een mens nog meer? Dat moment is de essentie van de film Spencer. Het vat de tragiek samen van Diana, prinses van Wales, én het is een onvergetelijk beeld. Zo’n moment creëren, dat kan alleen film.

Terwijl ik van Spencer geniet, duikelt de David van Michelangelo mijn gedachten binnen. Uit 1501. (Elitair? Ja. Ik kan er niks aan doen.) Ik zie hem voor me, vijf meter hoog. Wat een briljante zet van Michelangelo om de schriele David de proporties van Goliat te geven. Hij wilde maar zeggen, dat kereltje was een reus op zijn eigen manier, daarom lag Goliat onderuit voor hij het besefte. In Spencer zie ik hetzelfde gebeuren. Het Britse hof wil Diana verstenen tot toonbeeld, collectief hakken de royals op haar in. Maar zij is veel te groot voor hen, ze liggen al op hun rug te spartelen, en ze beseffen het, vandaar hun fureur (allemaal in de film, regisseur Pablo Larraín claimt geen historische accuratesse. Zoals het hoort. Film pleegt geen geschiedschrijving, film waagt zich waar geschiedenisboeken terugschrikken). De film toont Lady Di als een vrouw die geen hofpop wil zijn, omdat ze dat niet kan. En ze is iedereen te slim af met haar achteloze zelfdestructie – die is echt en geen pose, en dat in een wereld die van poses aan elkaar hangt.

Kristen Stewart als Diana Spencer, prinses van Wales, in de film Spencer.

Ja, zo gaat dat bij gekroonde hoofden, denk je dan, die zijn nu eenmaal nogal eens maf. Maar nee. Ik zie hetzelfde in een toneelstuk over gewone mensen: Hebriana, van de Zweed Lars Norén. Niks koninklijk hof, we zijn in een zomerhuis (Zweden hebben in verhalen altijd zomerhuizen, daar gaat de zon niet onder en daar breekt dan de pleuris uit), waar een familie staat te praten. Een talentvolle dichterdochter is afwezig – maar iedereen heeft het alleen over haar. Trouwens, ze is er wél, zien we ineens, regisseur Erik Whien zette haar zwijgend op een randje. Hoe lang zit ze daar al? Het publiek ziet haar nu, maar van de familie merkt niemand haar op. Voor hen is ze een verhaal van inrichting en inzinking, en daar kunnen ze haarzelf slecht bij gebruiken.

Hebriana en Spencer verschillen compleet van elkaar, en toch zijn ze afleveringen van de geperverteerde tragedie die familie heet. Waarvoor beter zijn dan de rest hoogverraad is, de uitzondering wordt verpletterd. In een reeks opvallend vergelijkbare scènes worden de buitenbenen aangevallen, met haat, met liefde, met eigenwaan. De Britse koningin geeft Diana de genadeslag, Hebriana krijgt ’m van de mater familias.

De families schudden zich als zieke honden, hun achilleshiel zit ’m in het sluiten van de rijen. Dat kunnen ze weten, uit al die films, toneel, romans. Maar helaas, ze kijken alleen naar elkaar.