Opinie

Champignonsoep

Marcel van Roosmalen

Ik was terug in mijn oude wijk, het café waar ik ooit dagelijks werkte was vrijwel verlaten. In de hoek waar ik altijd met mijn computer zat, was tijdelijk een kapper gestationeerd. De bediening was nog hetzelfde: nadrukkelijk niet hinderlijk aanwezig.

Aan het tafeltje achter de deur zat een man die ik van gezicht kende. Hij at een tosti, veegde met een papier de kruimels van het gezicht en haalde daarna zijn tanden uit zijn mond en legde die op het schoteltje. Dat deden mijn ouders ook weleens na het eten. Ze hadden beiden ingewikkelde constructies in de mond. Op maat gemaakt. Bij mijn vader ontbraken een voortand en aan de rechterkant een heel rijtje.

Hij placht te zeggen: „Het is met kauwen net als met wandelen. Als je het heel lang doet, krijg je blaren.”

Mijn moeder hield haar tanden in het openbaar altijd in, ze deed ze voor het slapengaan in een glas water.

Ze zei altijd dat iedereen van haar generatie een slecht gebit had, tenminste wel in Brabant, en dat dat kwam omdat ze daar altijd suiker in de pap deden.

„Wij wisten niet dat suiker zo slecht was, en we aten altijd pap. Bovendien hadden we geen goede tandenborstels. Die kwamen pas later.”

Pas in het verzorgingstehuis zag ik haar voor het eerst zonder tanden. In het begin van de coronatijd, toen er met haar gesold werd, waren haar tanden een paar weken kwijt.

„Die komen wel weer boven water”, zei een van de verzorgers op een toon alsof allemaal niets meer uitmaakte.

Voor mij wel, ik schrok ervan.

Ik staarde iets te nadrukkelijk naar het bovengebit op het schoteltje, want de man begon een praatje. Hij en zijn ex-vrouw hadden alles rond hun veertigste laten trekken. Dat scheelde in de tandartskosten. Nooit spijt van gehad. Hij had zijn ex nog weleens gezien, ze had op latere leeftijd een klikgebit genomen, maar op het laatst waren de schroeven uit haar kaak gevallen. Eentje had ze bijna doorgeslikt.

„En daarna at ze alleen nog maar champignonsoep…”

Ze was twee jaar geleden overleden.

Vel over been, maar dat had weer niets met champignonsoep te maken.

Dat gezegd hebbende, pakte hij zijn gebit en duwde het met twee vingers in zijn mond.

Hij nam afscheid met de woorden: „En nog een fijne corona verder.”

Ik mis de stad.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.