Kraamkamer tv en radio onder vuur

Publieke omroep Makers van bijzondere – en dus vaak dure – programma’s vrezen dat het NPO-fonds als geldschieter zal verdwijnen. En daarmee hun geprezen podcasts, documentaires en series.

Klassen, De documentairereeks over kansongelijkheid op scholen van Ester Gould en Sarah Sylbing
Klassen, De documentairereeks over kansongelijkheid op scholen van Ester Gould en Sarah Sylbing Foto Jean Counet / HUMAN

Je hebt dat tragische liefdesdrama over Ischa Meijer en Connie Palmen: I.M. Je hebt Klassen en Het zaad van Karbaat, die indringende documentairereeksen. Of wat te denken van de podcast De plantage van onze voorouders, over het slavernijverleden in twee families. Programma’s die er kwamen dankzij het geld dat het NPO-fonds erin stopte. Nu staat het voortbestaan van dat fonds op het spel. Volgens veel makers dreigen daarmee ook die mooie series en documentaires te verdwijnen. De komende maanden besluit de raad van bestuur van de NPO over het lot van het fonds.

Onlangs kregen minister Arie Slob (Media, ChristenUnie) en het centraal bestuur van de publiek omroep (NPO) twee brandbrieven in de bus. Hierin protesteren radio- en tv-makers tegen het mogelijk verdwijnen van het NPO-fonds. Dat steekt jaarlijks zestien miljoen euro extra geld in ‘kwalitatief hoogwaardige’ tv-series, documentaires en podcasts. De aanleiding voor de brandbrieven is een passage in het vijfjarenplan van de NPO. Het bestuur schrijft daarin te willen onderzoeken hoe ze het NPO-fonds „kunnen integreren in het totale genrebeleid”. De tv-makers lezen met enig recht ‘integreren’ als ‘opheffen’.

Wat zou Nederland verliezen? De voorloper, het Mediafonds, werd eind jaren tachtig opgericht om ‘de vertrossing’ tegen te gaan, legt Hanneke Bouwsema uit. Zij is algemeen secretaris van het fonds. ‘Vertrossing’, genoemd naar omroep TROS, is een term waarmee de toenmalige angst werd verwoord voor de overheersing van plat vermaak.

Die angst heerst eigenlijk nog steeds. Door de nadruk op kijkcijfers, kostenbesparing, en omroeppolitiek (alle omroepen tevreden houden) kan de kwaliteit van series en documentaires in het gedrang komen. Sommige programma’s hebben nu eenmaal extra tijd en aandacht nodig, en dat kost geld. Sinds vijf jaar valt het fonds al onder de NPO, maar opereert nog wel onafhankelijk.

Fonds-adviseur Marion Oskamp is een van de ondertekenaars van de adviseurs-brandbrief. Oskamp is eindredacteur van podcasts als De val van Srebrenica en Eitje. Ze vraagt zich af: „Welk probleem los je hier mee op? Waarom iets nieuws in elkaar puzzelen als je een systeem hebt dat gewoon werkt?” Het gaat om 16 miljoen euro op een NPO-budget van 800 miljoen. Met nog eens 6 ton aan bureaukosten. Oskamp: „Peanuts. Dus een efficiency-slag kan ik er ook niet in zien. Het klinkt alsof de NPO denkt: pik in, ’t is winter.”

Overbodig

Suzanne Kunzeler, als drama-coördinator van de NPO verantwoordelijk voor alle tv-series en films op de publieke zenders, ziet het belang van het fonds en prijst de extra kwaliteitstoets die het biedt, maar ziet ook de nadelen. Zij stelt dat er te veel loketten zijn. Je hebt de drama-afdeling van de NPO, die van de losse omroepen, en dan ook nog het fonds. Dat leidt volgens haar tot vertraging en langs elkaar heen werken. NPO’s financieel directeur Mark Minkman, die het onderzoek uitvoert naar de toekomst van het fonds, beaamt dit. Minkman: „Liggen er ineens meerdere series over Indonesië. Een betere afstemming zou dat kunnen verhelpen.”

Andere betrokkenen noemen ook de vermeende ‘stroperigheid’. Je moet zes weken wachten op een uitspraak. En je moet met je plan dus langs al die loketten. Directeur Minkman: „Dat zijn geen processen waar je energie van krijgt.” Dramabaas Kunzeler noemt een voorbeeld: „We zijn bezig met De Life, een serie over de Kaapverdiaanse gemeenschap in Rotterdam. Maar bij het fonds was het jaarbudget al op. Nu moet de hele productie een half jaar wachten.” Ellen Dorrestein, dramaturg van AVROTROS: „De productie van een serie duurt sowieso heel lang. Door corona is er veel uitgesteld, dus nu wordt er veel gemaakt. Als je uitstel krijgt, zijn cast en crew al weer elders aan het werk. Het is moeilijk om ze lang bij elkaar te houden.” Overigens, zo zegt ze: „Of het sneller of langzamer zou gaan bij de NPO is natuurlijk niet te zeggen.”

Het NPO-fonds zou ook zo zeer op zijn onafhankelijkheid staan, dat de omroepen, de NPO en het fonds langs elkaar heen zouden werken. Net als Minkman komt Kunzeler met het voorbeeld van de dubbelende tv-series over Indonesië: één die wordt gemaakt, en één die werd afgewezen. Ook geen ramp, zou je denken, afwijzen hoort erbij, zeker bij Kunzelers drama-afdeling. Maar zij zegt: „Zo raken de makers gefrustreerd. Het is niet uit te leggen: bij het ene NPO-loket krijgen ze groen licht, het andere wijst ze af.” Overigens is langs elkaar heen werken slechts beperkt mogelijk. Het fonds kan alleen maar in de prille fase van het ontstaan van programma’s uit eigen beweging geld geven. Al snel moet aan de fondsaanvraag een intentieverklaring van Kunzeler worden vastgeniet. Zonder die goedkeuring kun je überhaupt geen geld aanvragen, dus het is onmogelijk om

Belangrijkste troef

Dorrestein van AVROTROS waarschuwt tegen te veel negativiteit rond het fonds: „Ik kan wel allemaal nadelen opnoemen, maar het fonds functioneert wel. En als het verdwijnt, weet ik niet wat ik er voor terugkrijg.” Net als alle andere betrokkenen ziet zij de grote voordelen van het fonds. Zoals de kraamkamerfunctie. Het fonds stimuleert nieuwe vormen, zoals podcasts en webseries; online dramaseries met korte afleveringen voor jongeren. Het fonds steekt geld in de Oorzaken Podcast Academy en geeft scenarioschrijvers de kans om hun eerste probeersels te maken. Podcastmaker Oskamp: „Dankzij het fonds komen er toch altijd weer nieuwe talenten bovendrijven.” Dramabaas Kunzeler wijst er op dat de omroepen ook talentenprogramma’s hebben, en dat ook dit tot dubbel werk leidt: „Kraamkamers zijn heel goed, maar je moet ze wel aan elkaar koppelen.”

Belangrijkste troef van het fonds is volgens alle betrokkenen de commissie van radio- en tv-makers die de aanvragen beoordeelt. Peer review – net als in de kunsten en de wetenschap. Het fonds heeft een roulerende poule van zestig adviseurs. „De commissieleden zijn het kapitaal van het fonds, en van de NPO”, zegt Bouwsema van het NPO-fonds. „De leden geven in hun advies ook feedback aan de aanvragers waarmee die hun series of documentaires verder kunnen ontwikkelen. Daar zit de kwaliteit die het fonds toevoegt.” Bijkomend voordeel, volgens Bouwsema: het fonds heeft nauwe contacten met het veld, meer dan de andere afdelingen van de NPO. Podcastmaker en fonds-adviseur Oskamp: „Het fonds helpt je scherp te krijgen wat je precies wil maken. Dat creatief meekijken werkt stimulerend.”

Directeur Minkman en dramabaas Kunzeler zeggen dat ze de commissie van makers ook zeker willen behouden. Maar Kunzeler ziet meer een adviserende functie weggelegd voor commissieleden. Beslissen doet ze blijkbaar liever zelf.

‘Volstrekt prematuur’

Dat het fonds op de schopstoel zit, heeft alles te maken met een hervorming binnen de NPO. Nu maken daar de netmanagers de dienst uit. Die delen het geld uit en bepalen wat er wanneer op televisie komt. Omdat steeds meer mensen overstappen van reguliere televisie naar online platforms (Netflix, YouTube, NPO Start), is het beter om die praktijk van tv-zenders vullen los te laten en programma’s te maken zonder vooraf te bepalen op welk platform ze landen. Dus gaan straks zes genre-managers het geld uitdelen. Zij denken niet vanuit de zenders, maar vanuit hun programma-genre (series, journalistiek, human interest, etc.).

Vanaf maart 2022 wordt Kunzeler bijvoorbeeld de genremanager voor drama. Nu is ze nog netmanager van NPO 3 én genrecoördinator – een soort overgangsfunctie. Ze krijgt straks een eigen drama-redactie van zo’n acht-negen man die gaat bepalen welke series worden gemaakt, en worden aangekocht uit het buitenland. De NPO steekt ongeveer 50 miljoen euro per jaar in drama en nog eens zo’n bedrag in documentaires. Het werk van die drama-redactie zou kunnen dubbelen met het werk van het fonds. En de NPO streeft volgens het beleidsplan naar ‘doelmatigheid en efficiëntie’.

Volgens het NPO-bestuur is er niets aan de hand. In haar antwoord op de brandbrief van de regisseurs schrijft NPO-bestuursvoorzitter Shula Rijxman dat de zorgen „volstrekt prematuur” zijn. Het gaat volgens haar alleen nog maar om een onderzoek. Het bestuur laat onderzoeken of „de invoering van het integraal programmeren en genrebeleid consequenties heeft voor de werkwijze van het NPO-fonds”, en op welke manier het fonds „ingepast zou kunnen worden in de nieuwe werkwijze.”

Minkman, die dat onderzoek uitvoert, is vol lof over het fonds en lijkt niet aan te sturen op een advies tot liquidatie. „Opheffen? Volgens mij wil niemand dat.” Hij wil vooral bekijken: „Hoe borg je de essentiële functies van het fonds goed?” De vrees van de tv-makers is volgens hem dat de aparte geldpot van het fonds „op de programmeertafel komt te liggen”, waar het verdwijnt in de grote hoop. Maar dramabaas Kunzeler belooft plechtig: „Die 16 miljoen, daar staat een hek om, en dan blijft zo.”