Foto Merlin Daleman

Interview

Lex Meulenbroek van het NFI: ‘Slagkracht van dna-databank kan groter’

Lex Meulenbroek dna-deskundige

Lex Meulenbroek schreef een boek over de snelle ontwikkeling van dna-gebruik in strafzaken, zoals bij de gedode Anne Faber.

‘Iedereen heeft het dna van een crimefighter in zich”, zei Peter R. de Vries vaak tegen dna-deskundige Lex Meulenbroek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Hij bedoelde ermee: als alle Nederlanders hun dna-profiel laten opnemen in een databank, dan kunnen bijna alle misdrijven worden opgelost.

Meulenbroek heeft het weleens „theoretisch verkend”, wat een nationale dna-databank in de praktijk zou betekenen – los van de principiële bezwaren ertegen. Conclusie: onwenselijk en praktisch onhaalbaar. Maar, de ontwikkelingen in dna-onderzoek gaan zo snel dat een nationale databank praktisch wél te bereiken is, zonder dat alle Nederlanders daarvoor celmateriaal moeten inleveren.

Deze week verschijnt zijn nieuwe boek DNA Zoekmachine. Daarin schetst hij aan de hand van aansprekende zaken, waarbij dna een cruciale rol speelde, hoe snel de ontwikkelingen op forensisch gebied gaan. Zo wordt onder meer gesproken met de nabestaanden van de verkrachte en gedode Utrechtse studente Anne Faber en de betrokken forensisch specialisten die verantwoordelijk waren voor de doorbraak in die zaak. Het boek is opgedragen aan twee overleden mannen, waarmee Lex Meulenbroek zo nu en dan de nieuwe mogelijkheden van forensisch onderzoek besprak: Kees van der Beek, voormalig hoofd van de Nederlandse dna-databank, en Peter R. de Vries.

Lex Meulenbroek Foto Sem van der Wal/ANP

Hoe snel zijn de ontwikkelingen op dna-gebied gegaan?

„Bijna niet te bevatten, zo snel. In 1997 begonnen we met een dna-databank, waarin alleen dna-profielen van verdachten en sporen werden opgenomen. De databank was toen nog een in eigen beheer ontwikkeld softwareprogramma. Dit jaar verwachten we uit te komen op 50.000 aanvragen van politie en justitie voor dna-onderzoek. We maken op jaarbasis in totaal zo’n 125.000 dna-profielen van sporen en personen. In de dna-databank voor strafzaken zitten momenteel ongeveer 360.000 personen.”

Toch had die databank nog veel voller moeten zitten. Het profiel van tienduizenden mensen, die volgens de wet hun celmateriaal hadden moeten inleveren, ontbreekt. Het gaat bijvoorbeeld om personen die na het verhoor bij de politie op vrije voeten zijn en na veroordeling onvindbaar bleken te zijn. Meulenbroek schrijft in zijn boek dat het aantal veroordeelden dat ten onrechte niet in de databank is opgenomen, sinds 2005 is opgelopen tot 30.000 mensen, en jaarlijks met zo’n 2.000 tot 3.000 personen zal toenemen.

Wat kunnen de gevolgen daarvan zijn?

„Groot. We kennen de zaak van Els Borst, waarvoor Bart van U. uiteindelijk werd veroordeeld. Het duurde in die zaak langer voordat hij kon worden aangehouden, omdat hij zijn celmateriaal niet had ingeleverd, terwijl hij dat wel had moeten hebben gedaan. En in die tussentijd vermoordde hij zijn zus. Als zijn dna-profiel in de databank had gezeten, was dat waarschijnlijk nooit gebeurd.”

Dat dat moet veranderen, horen we al jaren…

„Er komt een wet aan waarbij het celmateriaal wordt afgenomen van iedere verdachte die na verhoor naar huis mag, maar wel verdachte blijft. Als iemand wordt vrijgesproken, of niet langer wordt vervolgd, dan wordt het vernietigd.”

Als het NFI dat moet gaan beheren, kunnen jullie dat aan?

„Het is nog niet duidelijk wie dit gaat beheren, de keuze voor het NFI is een van de opties. Het beheren van dit ‘conservatoire dna’ gaat een omvangrijke operatie worden. Het gaat naar schatting om tienduizenden afnames van celmateriaal per jaar, die ergens opgeslagen moeten worden. Daar zullen een grote opslagruimte en mensen voor nodig zijn. Door dit nieuwe proces zullen nagenoeg alle veroordeelden in de dna-databank worden opgenomen.”

Er is volgens Meulenbroek nog een manier om de slagkracht van de dna-databank te vergroten. Als bij een moordzaak een spoor van de mogelijke dader wordt gevonden, dan wordt dat nu vergeleken met de profielen in de dna-databank voor strafzaken. Bij een match kan dat een doorbraak in de zaak betekenen.

Maar als van alle mannen in de databank ook een zogeheten Y-chromosomaal dna-profiel wordt gemaakt, kunnen daardoor ook hun familieleden in de mannelijke lijn worden gevonden. Ofwel: als de dader een man is en niet in de databank zit, kan hij toch worden gevonden via bijvoorbeeld zijn neef die wel in de databank zit.

In een voorzichtige schatting blijkt dat een mannelijke familielijn gemiddeld tien levende verwanten bevat. Hierdoor zal het bereik van de databank toenemen van 360.000 naar 3,1 miljoen mensen.

Zou je van alle mensen in de dna-databank zo’n profiel maken?

„Technisch is dat mogelijk. Maar het is aan de politiek en de samenleving om een beslissing te nemen. Als we structureel van alle mannen in de databank ook het Y-profiel opnemen, komen er dilemma’s bij kijken. Het betekent namelijk dat familieleden van veroordeelden en verdachten meer kans hebben om tijdens het onderzoek van een strafzaak in beeld te komen, dan mensen die geen nabij familielid in de databank hebben. Maar zo is het met alle ontwikkelingen op dna-gebied: er kan steeds meer, maar wil de samenleving die kant op?”

Lees ook: ‘Ik wil weten wie het gedaan heeft, en waarom’

In Amerika en Zweden lost de politie nu moordzaken op via particuliere dna-databanken: bedrijven waar mensen hun dna uploaden om hun familiegeschiedenis te vinden.

„Ja, en dat is een ontwikkeling die niet stilstaat. Dna-technieken veranderen zo snel, het wordt steeds beter mogelijk hele verre verwanten te vinden via dna. Dat kan in tientallen moordzaken een doorbraak betekenen. Maar als ik mijn dna-profiel upload in zo’n databank, dan beslis ik ook voor mijn broer, want die is dan ook te vinden.”

Peter R. de Vries wilde een nationale databank. Is dat dichterbij dan ooit?

„Bij al deze nieuwe ontwikkelingen moet je telkens afwegen: gaan we het zorgvuldig en gedoseerd inzetten, of zetten we het niet in?”

Gebeurt dat nu te weinig? „Over de particuliere dna-databanken en het structureel opnemen van Y-profielen zijn nog geen besluiten genomen. Ik denk dat we moeten voorkomen dat nieuwe mogelijkheden te lang boven de markt blijven hangen, waardoor nabestaanden wellicht ten onrechte hoop krijgen. Technisch gezien zullen in de toekomst steeds meer zaken met een dna-daderspoor kunnen worden opgelost. De vraag wordt: wil je dat als samenleving?”