Opinie

Geef het gymnasium toekomst: rek de Oudheid op

Onderwijs Het gymnasium is populairder dan ooit, maar staat inhoudelijk onder druk. ziet kansen voor een nieuw gymnasium, dat zich niet beperkt tot het klassieke Griekenland en Italië.
Foto Getty Images / Bewerking NRC

Op school sluit je vaak vriendschap voor het leven. Geen wonder dat scholen behalve plaatsen waar men bepaalde dingen leert, ook knooppunten in netwerken zijn. Met name gymnasia zijn traditioneel goed in het faciliteren van ‘vriendenclubs’ die ook in bredere maatschappelijke context relevant zijn, omdat relatief veel oud-leerlingen later hogere functies bekleden. Als overwegend witte scholen met een curriculum geworteld in de klassieke canon, drukken ze zo een zeker stempel op de hogere regionen van onze samenleving, waarbij het leren van de, inmiddels exotische, klassieke talen Latijn en Grieks de indruk van exclusiviteit bevordert. Juist dat exclusieve wordt een probleem in een samenleving waar nu de roep om inclusiviteit steeds duidelijker klinkt.

De Amsterdamse sociologen Boterman en Merry stelden daarom vorig jaar dat gymnasia, die door de overheid worden betaald, als witte elitescholen in feite bijdragen aan de sociale ongelijkheid in ons land. Dat is pijnlijk genoeg, maar op zich niet nieuw. Maar daar komt nu iets bij dat steeds gevoeliger ligt dan voorheen: dat de gymnasia zich dankzij hun waarderende belangstelling voor de Klassieke Oudheid in feite profileren met vrouwonvriendelijke, ‘witte’ slavenmaatschappijen. Intussen trekken, opmerkelijk genoeg, de gymnasia meer leerlingen dan ooit tevoren.

Het is niet de eerste keer dat het gymnasium ter discussie staat. Maar de huidige situatie verschilt van eerdere crises zoals in de tijd van de invoering van Mammoetwet of studiehuis. Toen gold de initiatie in het culturele verleden op het gymnasium, met de Klassieke Oudheid als prominent onderdeel, nog als een voorrecht dat de meesten voor zichzelf en hun kinderen op zich wel wensten. Maar nu gaan er stemmen op, zelfs onder classici, om die hele klassieke traditie maar af te schrijven. Niet alleen, zo redeneert men, waren de antieke samenlevingen dragers van ‘foute’ waarden in de Oudheid zelf, omdat ze, om maar iets te noemen, afhankelijk waren van geïnstitutionaliseerde slavernij. Maar ook en vooral zijn die antieke culturen en hun beeld- en begrippenapparaat na de Oudheid telkens weer en met groot succes als middel voor uitsluiting en onderdrukking gebruikt.

Wie de slavendrijver gespeeld door Leonardo DiCaprio in Tarantino’s Django Unchained voor zijn knalblanke landgoed Candyland ziet staan, weet genoeg: hij begaat zijn misdaden uit naam van een Klassieke Oudheid waarvan hij zich als de erfgenaam en vertegenwoordiger presenteert. Het ziet eruit als een Grieks-Romeins tempelfront, zoals het Brits Museum in Londen, dat W.F. Hermans al een ‘zeeroversmagazijn’ noemde, of het logo van Forum voor Democratie.

Curriculum op de korrel

Dan-el Padilla Peralta, hoofddocent Klassieke Cultuur aan de eerbiedwaardige Ivy League universiteit van Princeton in de VS, heeft een agenda van censureren of zelfs afschaffen van het onderwijs in klassieke talen en culturen aan de Amerikaanse universiteiten luid en duidelijk gestalte gegeven. Het is vermoedelijk slechts een kwestie van tijd tot critici van Nederlandse gymnasia de optelsom maken en niet alleen het schooltype, maar ook het curriculum op de korrel nemen.

Heeft een gymnasium op basis van de klassieke talen nog een toekomst?

Juist bij het stellen van de ‘toekomstvraag’ voelen vrienden van het gymnasium zich al gauw wat ongemakkelijk. Want het gymnasium is, en was altijd al, een school van het verleden. De antieke culturen behoren niet alleen tot een ver verleden, ze waren ook zelf ooit radicaal op hun eigen verleden georiënteerd. Homerus ziet de positie van de mens in de tijd als staand met zijn rug naar de toekomst en zijn blik op het verleden. Voor de historicus Thucydides is de toekomst grillig en onvoorspelbaar en is greep erop alleen mogelijk via nauwkeurige analyse van het verleden.

Ook in de antieke politiek stond het verleden centraal: wanneer consul Cicero de volgens hem geradicaliseerde senator Catilina wil uitschakelen, biedt hij de senaat aan om deze zonder wettelijk mandaat op eigen houtje uit de weg te ruimen, op grond van de redenering dat een beroemde consul in het verleden ook zoiets had gedaan: als Scipio het deed, mag ik het ook.

Homerus ziet de positie van de mens in de tijd als staand met zijn rug naar de toekomst

Maar argumentatie op grond van het verleden is geen serieuze optie meer. Wij legitimeren onze beslissingen op grond van prognoses en berekeningen. Het enige gezag dat werkelijk onaantastbaar is in Nederland is niet dat van ‘grote’ staatslieden uit het verleden, maar dat van het Centraal Planbureau. Wij zijn de baas over onze toekomst: we berekenen hem, passen hem aan naar onze wensen, en voeren hem uit.

Er is nog een manier waarop het gymnasium vast verbonden is met het verleden. De voorloper van ons gymnasium, de ‘Latijnse school’, is in de loop van de zestiende eeuw ontstaan vooral door toedoen van de zogeheten humanisten, en hun slogan om ad fontes, ‘terug naar de bronnen’, te gaan. In eerste instantie waren dat de originele teksten van de Bijbel. Maar humanisten verdienden hun geld niet alleen als schriftgeleerden maar vooral ook als media-adviseurs van nieuwe machthebbers. Omdat hun broodheren vaker wel dan niet nouveaux riches waren, vroegen die hun adviseurs wortels voor ze te zoeken die zo antiek mogelijk waren. Het antiquarisch, archeologisch en historisch onderzoek van de humanisten, was dus in zekere zin bijvangst: een belangrijke drijfveer was het verlangen van hun bazen naar antieke wortels.

‘De slag bij Issus’ van Albrecht Altdorfer (1529)

De historicus Reinhart Koselleck schreef een magistraal boek over de ‘uitvinding van de toekomst’, dat hij begon met de bespreking van een schilderij van Albrecht Altdorfer uit 1529, De slag bij Issus, een slag die in 333 voor Christus werd gewonnen door Alexander de Grote tegen de Perzische koning Darius. De uitrusting van de antieke combattanten laat zien dat dit in werkelijkheid een verbeelding is van een slag die Altdorfers broodheren uit Zuid-Duitsland samen met Karel de Vijfde hoopte te winnen tegen de Turken, die in die tijd daadwerkelijk Wenen belegerden.

De achtergrond van het schilderij laat zien dat die strijd ook gezien moet worden in het kader van de strijd tussen het licht van Christus, en de krachten van de duisternis, die van de sultan. In de inscripties op het schilderij worden nauwkeurige aantallen gegeven van gesneuvelden, die Aventinus, de humanist die met het programma voor het schilderij was belast, uit antieke bronnen haalde. Historische gegevens werden dus verzameld binnen het eschatologische kader, dat betrekking heeft op het einde der tijden, van de strijd tussen goed en kwaad; Christus en de anti-christ, de Heilig Roomse Keizer en de sultan. Voor alle betrokkenen lag de toekomst in 1529, toen de voorloper van ons gymnasium de kop opstak, nog in de handen van God. Niettemin werd juist in deze tijd het klassieke verleden dus opnieuw uitgevonden, en wel als een manier om het heden te rechtvaardigen. Nog altijd stond men met de rug naar de toekomst, en keek terug. En wat er niet te zien was, verzon men erbij.

Lees ook dit essay: Wat als de bovenklasse de ladder optrekt?

Maakbare toekomst

Pas tijdens de Franse Revolutie werd de toekomst uitgevonden. De Franse revolutionair Robespierre wees zijn publiek bij de presentatie van de Revolutionaire Constitutie in 1791 op zijn plicht om de mens aan de hand van Vooruitgang en Rede naar zijn ware bestemming te voeren en dat proces te versnellen. Vooral dat laatste illustreert dat de Franse Revolutie met het hoofd van Lodewijk XVI onder de guillotine niet alleen het ancien régime ten val bracht. Die revolutie zette tegelijk de maakbare toekomst, die wij nog steeds met grote eerbied bejegenen, op een voetstuk.

Maar wie denkt dat het toen uit was met het turen naar het klassieke verleden vergist zich: dat werd, toen bleek dat de toekomst niet in Frankrijk lag, door de Duitsers opnieuw uitgevonden. Zij ontdekten, in plaats van de Romeinse keizerlijke hoven die de absolute Franse monarchen tot voorbeeld hadden genomen, hun voorbeelden juist in de Griekse Oudheid: de oorspronkelijke, democratische en kunstzinnige Grieken die in het Franse classicisme nauwelijks een rol hadden gespeeld. Aan wat treffend ‘the tyranny of ancient Greece over Germany’ is genoemd hebben we (zoals aan alle historische verschijnselen) veel moois en veel gruwelijks overgehouden. Maar vast staat dat de klassieke culturen door de Duitsers volkomen herschapen zijn, net zoals ze dat eerder door de vroegmoderne humanisten waren.

Nu we ons afvragen wat we met de klassieke tradities in ons eigen tijdsgewricht aan moeten, rijst de vraag: heeft de toekomst eindelijk definitief gewonnen en kan dat hele klassieke verleden met de vuilnisman mee? Of kunnen we het opnieuw uitvinden?

Sowieso lijkt het een goed idee om in al ons geraas naar de toekomst en al onze bubbels van het heden in ieder geval in het onderwijs nog wat tijd aan het verleden te besteden. Mijn voorstel zou dan zijn dat niet tot de Klassieke Oudheid te beperken, maar tevens te laten zien hoe de daar begonnen tradities in later tijden overgedragen, vervormd, getransformeerd, gekaapt, verkleed, verkracht zijn. Maar ook hoeveel moois er geschreven en gemaakt is.

Lees ook deze column: Inclusieve eenheidsworst

Wel Athene, geen Verlichting

Dat oprekken van die Klassieke Oudheid is des te meer aan de orde omdat op het ogenblik de absurde situatie is ontstaan dat een leerling wel iets weet van Athene in de 5de eeuw voor Christus, maar niets over de zogeheten Middeleeuwen, Renaissance of zelfs de Verlichting, want daar wordt buiten een paar uur geschiedenis per week nauwelijks aandacht aan besteed.

Belangrijker is dat het gymnasium niet alleen meer naar Italië en Griekenland moet gaan kijken, maar naar de hele mediterrane wereld, in een Oudheid, die eerder zou moeten beginnen (het zogenaamde Oude Oosten) en later zou moeten eindigen (de komst van de islam en de gevolgen ervan). Eén van de grootste probleem van de gentrification van het gymnasium is immers niet zozeer dat kinderen van onze landgenoten met wortels in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Turkije er niet welkom zouden zijn, maar dat ze er nauwelijks in zijn geïnteresseerd. En toch zijn die antieke culturen in die gebieden begonnen. Niet alleen hebben Noord-Afrika, Turkije en het Midden-Oosten fundamentele rollen gespeeld in de cultuur van de Oudheid en centrale schrijvers en denkers voortgebracht als Homerus of Augustinus, ze hebben er ook veel langer doorgewerkt. De souks en medina’s van Turkse en Noord-Afrikaanse steden zijn in feite precies dat waarvan Ostia of Pompeii ruïnes zijn. Laat dat zien aan nieuwe Nederlanders, zodat ook zij zich thuis voelen op het gymnasium.

Het proces dat je in Altdorfers ‘Slag bij Issus’ in volle gang ziet, een polarisatie van Oost en West, christelijk en moslim, licht en duisternis enerzijds, en het ontwerpen van een klassiek verleden voor eigen doeleinden anderzijds, zou een hedendaagse woke activist kunnen verleiden het schilderij naar de kelder te verbannen omdat het ‘fout’ westers triomfalisme bevat. Maar wat zou dat zonde zijn! Niet alleen is het een meesterwerk. Het is vooral een wezenlijk historisch document om te laten zien hoe eerdere generaties met het klassieke verleden omgingen, en hoe uit die verledens ons heden is ontstaan.

Dat proces is zo succesvol geweest, dat het nu een voldongen feit lijkt dat wij in het Westen de erfgenamen van de Grieken en Romeinen zijn, en daarom teksten in het Grieks en Latijn nog steeds zo belangrijk vinden dat ze het criterium voor kwaliteitsonderwijs zijn. Vinden we de klassieke wereld opnieuw uit, dan bieden we naast Grieks of Latijn ook klassiek Arabisch of Hebreeuws aan. Ook in die talen valt veel leerzaams, moois, ontroerends en interessants te lezen. En dat is precies wat een school moet bieden, vóór de praktische bezwaren al te zwaar gaan wegen, en zolang je geest nog open staat.