Recensie

Recensie Boeken

Wat betekent Lolita in onze tijd? (●●●●●)

Lolita In een essaybundel kijken verschillende auteurs naar de betekenis van Vladimir Nabokovs roman Lolita in het #MeToo-tijdperk.

Foto Getty Images/iStockphoto
Foto Getty Images/iStockphoto

Humbert Humbert blikt terug op hoe hij Lolita in een hotelkamer heeft opgesloten: ‘Ik had mijn Lolita achtergelaten terwijl ze nog op de rand zat van het afgrondelijke bed, doezelig haar voet optilde, frunnikte aan de schoenveters en daarbij tot aan het kruis van haar broekje de onderzijde van haar dij liet zien – ze was altijd buitengewoon verstrooid geweest, of schaamteloos, of beide, inzake beenvertoon.’ (vert. Rien Verhoef)

Hier is een monster aan het woord, en de vraag die misschien moet worden gesteld is: oké, de gebeurtenissen en gedachten zijn meeslepend en levendig opgeschreven, we gaan als lezer helemaal mee in de roes van Humbert Humbert, het is soms net poëzie, maar kán dit allemaal zomaar?

Het is een vraag die in allerlei gedaanten en met verschillende antwoorden erop terugkeert in de door Jenny Minton Quigley verzamelde en geredigeerde essays Lolita in the Afterlife, een boek over wat Vladimir Nabokovs roman Lolita in ons #MeToo-tijdperk nog betekent.

In literaire fictie bewonderen we eerder energie dan deugd. Er moet iets zijn wat de boel in beweging houdt, wat de gebeurtenissen – of de gedachten – voortstuwt. Een voorbeeld is paranoia: de paranoialijder is iemand die in complotten denkt. Hij verzekert ons dat er een ontwerp zit in de creatie waarin hij zich bevindt, dat er van wanorde geen sprake is. En het prettigst is het voor de paranoialijder, en in het verlengde van hem voor de meelevende lezer die over de avonturen van de paranoialijder leest, als die het gevoel heeft de hele zaak, het hele proces, van begin tot eind, te beheersen. Er is dynamiek, er is gedoe, er zijn lusten, er is aandrang om iets te doen of iets te ontwijken, maar alles valt op zijn plek, of beter gezegd: alles zat altijd al op zijn plek, en op een gegeven moment is er de vervolmaking ervan, het is gelukt, het is definitief gelukt: ‘En ze was van mij, ze was van mij, de sleutel was in mijn vuist, mijn vuist was in mijn zak, ze was van mij.’

Deze zin is een voorbeeld van de ‘diabolical music’ in de roman Lolita. Humbert Humbert, een zevenendertigjarige man, zit achter een meisje van twaalf aan en hij weet dat prachtig te verwoorden. Bovendien heeft hij het gevoel dat hij zelf ook achtervolgd wordt, of eigenlijk weet hij het wel zeker. Vandaar die spanning: wie is er nu precies van wie? Is Lolita van Humbert Humbert of is Humbert Humbert een gevangene van de wereld die het op zijn vrijheid heeft gemunt?

Schok van verrassing

Lauren Groff, een van de essayisten in Lolita in the Afterlife, geeft het voorbeeld van de zin met de sleutel als onderdeel van een hele reeks zinnen om aan te tonen dat Nabokovs grootste charme in zijn hele werk, maar in het bijzonder in zijn meesterwerk Lolita, het sensuele, extatische gevoel is dat zijn proza je bezorgt, en de schok van verrassing die de lezer bij elke regel heeft, de enigszins afwijkende bijvoeglijke naamwoorden en de stuwende, ademloze, muzikale ritmes in dit schrijven.

Nóg een voorbeeld dat Groff geeft: Humbert Humbert krijgt van de moeder van Lolita, Charlotte Haze, bij zijn aankomst een rondleiding door het huis en komt op een gegeven moment bij het toilet terecht, waar ‘a pinkish cozy, coyly covering the toiled lid’, waar Rien Verhoef van maakte: ‘een rozige overtrek die zedig het wc-deksel bedekte’. Dit is de oude modernistische droom: proza wordt poëzie, ja, zelfs muziek – let op het klankspel.

We hebben de paranoïde energie – iedereen zit ten onrechte achter hem aan, meent Humbert Humbert – en we hebben de schoonheid, dit taalgebruik, deze stijl die ons door de passages vol diepe morele nood van deze roman duwen. Want de man die daar gaat met die sleutel in zijn zak en die ons in vertrouwen neemt, blijft al met al een volwassen man die een kind op de door hen gedeelde hotelkamer heeft opgesloten.

Blik van nu

Jenny Minton Quigley, de samenstelster, is de dochter van de oorspronkelijke uitgever van Lolita in de Verenigde Staten, een gebeurtenis die in 1958 plaatsvond, drie jaar na de publicatie van de omstreden roman in Frankrijk, in het Engels, of liever gezegd: in het Nabokoviaans, want Nabokov schreef, zoals alle grote schrijvers, in zijn eigen taal. Minton Quigley spreekt met bewondering over haar inmiddels overleden vader. Ze wijst er in haar inleiding op dat de tijden veranderd zijn, maar toch ook weer niet, niet echt: ‘Just google “cancel culture”.’ (Ik heb dat gedaan en dan kom je als eerste op een Wikipediapagina terecht die melding maakt van de ‘gecancelde’ J.K. Rowling en Salman Rushdie.) Minton Quigley doet de publicatiegeschiedenis van Lolita uit de doeken en spreekt de wens uit dat de lezer de door haar samengestelde bundel zal ondergaan als een ontdekkingsreis langs alle plekken waar de roman Lolita ons nu nog kan betoveren en opnieuw zal choqueren.

En dat lukt. Leesverslag na leesverslag volgt en de uitgenodigde schrijvers leggen uit hoe ze de roman hebben ervaren met de blik van nu. Alle standpunten komen langs: zoals de afkeer dat bijvoorbeeld Lolita’s stem niet echt te horen is, dat ze zelfs niet bij haar eigen naam wordt genoemd, maar dat Humbert Humbert, de bevoorrechte witte man, haar inkapselt en besluit dat ze niet Dolores heet maar inderdaad Lolita. Humbert Humbert maakt zelfs geen ontwikkeling door, klaagt iemand: aan het eind is hij nog net zo’n schurk als aan het begin. Hij heeft er niets van geleerd.

Lees ook: Het kostschoolmeisje valt als een blok voor de 42-jarige leraar — en heeft niks door

Maar er zijn ook stukken, en die zijn het interessantst, waarin er zonder omwegen voor de roman wordt opgekomen. Lila Azam Zanganeh zet uiteen dat er slechts een heel dunne stippellijn kan worden getrokken tussen een dichter en een crimineel, en dat hierin de ware betovering schuilgaat, die combinatie van gevaar voor de maatschappelijke orde en de vitale noodzaak die bestaat om juist met slechts woorden die maatschappelijke orde aan te vallen.

Is literatuur er om de wereld beter te maken? Dat is de vraag die inmiddels boven de roman Lolita is komen te hangen. Ik denk dat literatuur er is om veel aan te beleven. Daarbij is alles toegestaan. In een literaire tekst kan geen woord taboe worden verklaard, geen enkel woord. Maar daarmee is niet het laatste gezegd. De lezer mag zich uitspreken. En dertig lezers doen dat met verve in Lolita in the Afterlife. Daarmee vormt dit boek een soort biografie van de roman Lolita. Ik wilde onmiddellijk de roman herlezen, en dat deed ik ook – en oei, wat is hij prachtig en schokkend.