Reportage

De verborgen slotgracht rond de Randstad

Waterlinie Sinds deze zomer staat de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de lijst van Unesco Werelderfgoed. , die eerder een boek schreef over de linie, fietst langs de forten, bunkers en polders.

Fort De Bilt aan de oostkant van Utrecht.
Fort De Bilt aan de oostkant van Utrecht. Foto Bram Petraeus

Fiets aan de oostkant Utrecht uit, langs de drukke Biltstraat vol ecowinkels en lunchrooms, en je rijdt langs een oud, ietwat onooglijk hek. Ergens in dat hek zit een poort die alleen de doelgericht zoekende fietser kan opvallen. Forenzen fietsen er gedachteloos voorbij en de talloze automobilisten op de vier rijstroken van de Biltsestraatweg zullen hem nooit zien.

De poort biedt toegang tot Unesco Werelderfgoed. Sinds juli staat de Nieuwe Hollandse Waterlinie op die prestigieuze lijst. Fort De Bilt is een van de ruim veertig forten van het verdedigingswerk, dat een artificiële slotgracht was rond de Vesting Holland, de militaire aanduiding voor wat nu de Randstad is.

Ga het hek door en Utrecht is verdwenen. Het uitgestrekte fort bestaat uit baksteen en beton dat verscholen ligt onder aarden wallen, oude bomen en wonderlijke overblijfsels van een schietbaan uit de jaren dertig. Op deze doordeweekse middag is er niemand. Een buizerd scheert van de ene schuilbunker naar de andere. Aan de stadszijde piepen de contouren van een lelijk hotel door de bladeren, aan de oostkant is er slechts groen: een camping en daarna polders. Die konden onder water worden gezet om het dichtbevolkte gebied te verdedigen tegen een aanval uit het oosten.

Ik fiets langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie, 85 kilometer in omtrek, naar het zuiden. Zo’n twaalf jaar geleden, toen de Unesco-toekenning nog een droom was van de betrokkenen, sprak ik voor een boek met de laatste ooggetuigen van de werking van de linie. In de Tweede Wereldoorlog verloor de linie zijn militaire nut, maar uit die gesprekken bleek hoe geheimzinnig die groenstrook tussen het IJsselmeer en de Biesbosch nog altijd was. En hoe die, ook ver na de oorlog, de ruimtelijke ordening bepaalde. Niemandsland langs de rand van de Randstad.

Een van de criteria voor Unesco is dat het erfgoed toegankelijk moet zijn, maar de aard van de linie is juist het verborgene: groene forten die schuilgaan achter bomenrijen en de belangrijkste verdediging – het water – dat ogenschijnlijk ongevaarlijk in de sloot lag te wachten.

De doorgezaagde bunker van ontwerpbureaus RAAAF en Atelier de Lyon, aan de Diefdijk in de gemeente Culemborg.
De Zandwijkse molen bij het dorpje Uppel.
Foto’s Bram Petraeus

Fusilladeplaats

Is dat veranderd nu de linie officieel erfgoed is? Ja, zegt gepensioneerd historicus Chris Will, auteur van Sterk water, het standaardwerk over de Waterlinie. Hij hield zich zo’n dertig jaar lang met de linie bezig en schreef mee aan de Unesco-aanvraag. Hij is blij dat de Waterlinie nu tot het werelderfgoed behoort, maar hij is ook licht weemoedig. Toen hij begon met veldonderzoek moest hij op sommige forten de bunkers onder de begroeiing vandaan graven. „Mensen die hun leven lang naast een fort woonden, hadden vaak geen idee van wat zich daar afspeelde”, zegt hij. „En van de ruim honderd militaire sluizen in de polders wisten waterschappen niet wat de functie was. Tegenwoordig kun je op de meeste forten speciaalbier en koffie drinken.”

Niet op Fort de Bilt, mijn startpunt, hoewel het pal naast de stad ligt. Er is een route uitgezet voor schoolklassen, maar als gewone bezoeker zwerf je eenzaam door een vreemde combinatie van groen en gewapend beton. Langs de fusilladeplaats waar 140 leden van het verzet werden doodgeschoten – de verscholen forten boden ook de Duitsers een plek voor wat het daglicht niet kon verdragen.

De automobilisten op de Biltsestraatweg zullen het niet doorhebben, maar ze rijden dwars door het fort. De weg klieft het doormidden. Om aan de zuidkant te komen moet je door een fietstunnel. Maar daar lijkt het fort weg, een rij rijtjeshuizen krult zich langs de contouren van de gracht. Dit deel is nog altijd in gebruik door Defensie, de Marechaussee huist er. Dat hier na de oorlog een uitpuilend kamp voor bijna duizend NSB-vrouwen was, wordt nergens verteld.

Beeldbewerking NRC

Schootsveld

Ik volg de forenzen langs kantoorkolossen aan de Waterlinieweg, naar de Uithof, de campus van de universiteit en hogeschool. De botanische tuin is gevestigd op Fort Hoofddijk. Andere forten rondom Utrecht hebben de afgelopen jaren onder meer functies gekregen als festivallocatie, vergaderplek of scoutingclubhuis.

Al snel verdwijnt de stad. Rond Utrecht liggen de forten op tien minuten afstand van elkaar (De Bilt, Rhijnauwen, Vechten). Er staat een ooievaar tussen de schapen van de universiteitsfaculteit diergeneeskunde in het weiland. Het goeddeels onzichtbare Fort Rhijnauwen – een van de grootste van Nederland – is slechts af en toe toegankelijk. Vleermuizen en bijzondere planten maken er de dienst uit. Ook hier executeerden Duitsers verzetsmensen en zat later een NSB-kamp.

Direct aan de andere kant van de fortgracht stikt het van de wandelaars, spelende kinderen en fietsers. Het populaire pannenkoekenrestaurant is, net als andere oude huizen in de omgeving, opgetrokken uit hout. De houten huizen zijn een waterlinierelikwie, tastbare overblijfselen van de Kringenwet die vanaf de bouw van de linie in 1815 rond de forten gold. Als er oorlog kwam, moest de bebouwing in cirkels rond het fort worden platgebrand om het ‘schootsveld te klaren’, zoals dat onder militairen heette. De Kringenwet verdween in 1963, nadat de Duitsers hadden aangetoond dat de linie geen partij was voor vliegtuigen. In plaats van militaire wetten is het nu het groen dat de stad tegen uitbreiding beschermt.

Een rij kazematten (bunkers) van gewapend beton uit 1940 leidt de weg door het boerenland naar zusterfort Vechten. Misschien is dit fort naast de A12 met veel parkeerruimte nog wel het best voorbereid op eventueel erfgoedmassatoerisme. Het biedt onderdak aan het Waterliniemuseum. Bovendien kruist hier ander Unesco-erfgoed: 2.000 jaar geleden stond hier al een fort langs de Romeinse Limes.

De Plofsluis boven het Amsterdam-Rijnkanaal bij Nieuwegein.
Fietspad bij de Plofsluis boven het Amsterdam-Rijnkanaal.
Foto’s Bram Petraeus

Plofsluis

Het museum toont overtuigend waarom de Waterlinie werelderfgoed is. Toch kun je dat nog veel beter zien als je naar het zuiden fietst. Daarvoor moet je eerst langs de Plofsluis, volgens historicus Will het meest bizarre object van de Waterlinie. De sluis is een gigantische bak vol puin die boven het Amsterdam-Rijnkanaal hangt. Die kon worden opgeblazen, om zo het kanaal in één keer af te dammen voor de uit het oosten naderende vijand. Nooit gebruikt. Inmiddels zit er een schietclub in.

Maar het zijn de polders, zoals die rond Tull en ’t Waal, die de eigenlijke waterlinie vormen. Als de vijand kwam, werden de sluizen opengezet en de molens stilgezet. Waar nu de koeien grazen en wandelpaden lopen, kwam dan zo’n zestig centimeter water op het veld. Hoewel nooit getest, werd de Waterlinie gevreesd door buitenlandse generaals. Niemand had zin in een oorlog in een kunstmatig moeras.

Op fort Werk aan de Korte Uitweg kun je kamperen op de plek die bedoeld was voor 160 soldaten. Het nabijgelegen torenfort Honswijk wordt klaargemaakt voor een nieuwe huurder. Het heeft een duister verleden. In 1935 werden er communisten gevangengehouden, na de oorlog zaten er NSB-kopstukken.

Om mijn weg te kunnen vervolgen, stuiter ik over een onverhard pad door een uiterwaard. Aan het einde ligt een steiger met een bord waarop met viltstift een 06-nummer is geschreven. Na een telefoontje komt het Liniepontje aangevaren en zet me aan de overkant tussen de koeien af bij Everdingen.

Hier, had Will gezegd, zie je de linie in optima forma. De Diefdijk die me richting Brabant voert, is zo’n hoge binnendijk met verzonken boerderijen erlangs, de nokken komen niet boven het wegdek uit. Ze staan enkel rechts van de weg, in het westen dus, in de Vesting Holland. Links is het schootsveld vrij. Nog altijd. Behalve kazematten uit 1939 en 1940 zie ik slechts bomen, water en weiland.

In de polderwegen tussen Linge en Waal raak ik even de Waterlinieroute kwijt. Acuut beland ik tussen zware industrie, blokkendozen van distributiecentra en een McDonald’s. Pas ter hoogte van Slot Loevestein keert de rust van het water terug.

Lees ook: Plaats op Werelderfgoedlijst is zowel lust als last

Molenaar

Voor de fietstoerist bestaat de Waterlinie uit forten, bunkers en polders, maar daartussen liggen verhalen. Daarom ben ik naar het dorpje Uppel gefietst. Het ligt onder Werkendam, vlakbij Fort Altena (torenfort, later NSB-kamp, nu groene oase aan de A27 met horeca voor feesten en partijen).

Daar staat de Zandwijkse molen uit 1699, waar ik jaren geleden regelmatig afsprak met molenaar Cees Dekker. Hij was toen al ver in de tachtig. Als jonge vent had hij bij de molen gezeten, de lucht lezend, toen in 1939 voor het eerst het bevel kwam om te stoppen met malen. Hij moest zijn polder laten onderlopen, want er dreigde oorlog. In 1944 en 1945 gebeurde het opnieuw, maar nu op Duits bevel. Want ook al hadden zij de Waterlinie gedeclasseerd, ook de Duitsers gebruikten de kunstmatige Hollandse slotgracht als verdediging.

Ik bel aan bij het kleine huis waar Cees Dekker zijn leven lang woonde. Een jonge vrouw doet open. Rhodé van der Stelt is docent beeldende vorming en woont er sinds 2014 met haar gezin. Hoewel ze Cees niet kende, hangen zijn foto’s in de gang. „Voor mij vertelt dit huis een verhaal. Ik heb het samen met mijn vader helemaal verbouwd, de bedstee met muizennesten in het hooi eruitgehaald en een wc aangesloten zodat we niet naar een schuurtje achter het huis hoefden. Maar we hebben veel behouden wat aan het verleden herinnert.”

Dat de nieuwe aanbouw in hout is gedaan, is een knikje naar dat verleden. De Dekkers hadden hun huis illegaal in steen gebouwd, zich bewust van de Kringenwet. Veel huizen in de omgeving werden in de mobilisatie van 1939 en 1940 afgebrand om het schootsveld van Fort Altena vrij te maken. Het vuur stopte bij de Dekkers.

Ik fiets nog een paar kilometer door, langs jonge wilgen en rietkragen. De Biesbosch dringt zich op. Het laatste fort is Bakkerskil. Er zit een bed and breakfast. Je slaapt in de oude ziekenboeg of de officierskamer. Boven op het fort zijn hangmatten van waaruit je visdiefjes over de slotgracht kan zien scheren.

Ik sprak twaalf jaar geleden met de dochter van de NSB-burgemeester van Werkendam, die hier opgesloten zat en mishandeld werd. Ik vermoed dat de huidige uitbater zijn klanten niet wil lastigvallen met een al te duister verleden. „Jawel hoor”, zegt Marco van Beek opgewekt. „Dat hoort erbij.” Achter hem hangen foto’s van de mobilisatie. Hij is bezig een hoorspel te ontwikkelen waarin het NSB-kamp en de burgemeester voorbijkomen.

Ondernemer Van Beek weet dat hij deze plek op de rand van bebouwing en natuur steeds onder de aandacht moet brengen. „De meeste mensen hebben geen idee dat hier een fort ligt, andere denken dat het een paar jaar geleden is gebouwd.” Dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie nu werelderfgoed is, kan zeker nieuwe klanten opleveren, denkt hij. Hij heeft expres gewacht met het bestellen van nieuwe folders, zodat het Unesco-logo er nog op kan.