Recensie

Recensie

Dit is het oerboek over de klimaatapocalyps

Klimaat De apocalyptische wereld die bioloog en schrijfster Rachel Carson een halve eeuw geleden al schetste in haar beroemde Silent Spring (Dode lente) resoneert nog altijd in de huidige natuurboeken. Zo is de stilte in haar boek óók de stilte van een wereld zonder zoemende insecten.

Uit de Atlas Wilde Bomen en Struiken
Uit de Atlas Wilde Bomen en Struiken Foto Bert Maes

Het is 27 september 1962. In Amerika verschijnt Silent Spring (Dode lente) van bioloog en schrijfster Rachel Carson. Zij roept een apocalyptische wereld op waarin de vogels zwijgen want vogels zijn er in de lente niet meer, vergiftigd door het roekeloze gebruik van pesticiden.

In het eerste hoofdstuk dat toepasselijk ‘Een fabel voor morgen’ heet, stelt ze de beslissende vraag: ‘Vol liefde buigt de mens zich over de wieg van zijn kind... en laat tegelijk toe dat zijn voedsel wordt vergiftigd. Hoe lang nog?’ President John F. Kennedy nam de vraag ter harte. Geïnspireerd door Silent Spring stelde hij in de Senaat verregaande maatregelen voor om de Verenigde Staten te redden van ecologisch verval.

Rachel Carson (1907-1964) zet krachtige literaire middelen in om de spookachtige toekomst van Amerika en de rest van de wereld te schetsen. Haar boek begint als een sprookje over een ‘dorp in het hart van het land waar de mensen in harmonie met hun omgeving leven.’ Maar dan volgen schokkende zinnen als ‘Een kwade tover heeft zich in de gemeenschap genesteld’ en ‘Overal was de schaduw van de dood.’ Of deze: ‘Een grimmig spook heeft zich onmerkbaar tussen ons genesteld.’ Zij noemt de chemische bestrijdingsmiddelen die het leven op aarde vernietigen een ‘briljant speeltje’ dat mensen gebruiken om hun macht over de natuur te bewijzen: geen onkruid meer, en dus geen insecten.

Lees ook: Wat als er morgen geen insecten meer zijn?

Nu zijn we ruim een halve eeuw verder en Carsons Dode lente resoneert nog altijd door, sterker nog: haar boek vormt een scharnierpunt voor zo goed als elk natuurboek. Haar werk, of de echo daarvan, komt terug in Levensmuren (Livets tunna väggar) van de Zweedse schrijfster en dichter Nina Burton. De Britse bijenprofessor, bioloog en natuurschrijver Dave Goulson, beroemd geworden met zijn boek Een verhaal met een angel, verwijst in de titel van zijn pas verschenen boek Stille aarde (Silent Earth) naar Carsons Silent Spring. Ook Goulsons De tuinjungle: tuinieren om de wereld te redden (2019) is het actuele antwoord op Dode lente.

De ondertitel van Stille aarde is veelzeggend, in het Engels misschien nog meer dan in het Nederlands: Averting the Insect Apocalypse, vertaald als Hoe we de insecten van de ondergang kunnen redden. Carsons apocalyptische visioen klinkt mee in Goulsons loflied op de insecten als redders van de aarde en van de biodiversiteit. Maar dan moet de mens zich wel inzetten om de insecten te behoeden, dat kunnen zij niet zelf. Tegen de aantasting van de biodiversiteit en de fatale klimaatverandering zijn deze even kwetsbare als noodzakelijke kleinste diersoorten geenszins bestand.

Klimaatmars

De stilte van Dode lente is óók de stilte van een wereld zonder zoemende insecten. Als de mens het zogenaamde ongedierte doodt, dan doden we het natuurlijke evenwicht en daarmee onszelf. We kunnen ons weliswaar vol liefde buigen over het kind in de wieg, maar we ontnemen datzelfde kind wel zijn of haar toekomst.

Nu in Glasgow de klimaatconferentie gaande is en in Amsterdam op 6 november de Klimaatmars werd gelopen door ruim veertigduizend mensen, onder wie vooral jonge, bezorgde deelnemers, kunnen deze klimaatnatuurboeken ons veel leren.

In Amerika geldt Silent Spring nog altijd als het klassieke handboek ‘voor de toekomst van al het leven op aarde’, zoals de website The Life and Legacy of Rachel Carson terecht en met overtuiging meldt. Goulsons De tuinjungle en Stille aarde en Burtons Levensmuren zouden ook wel eens die status kunnen verwerven, hoe verschillend ze ook van opzet zijn. Opmerkelijk is dat het begrip ‘biodiversiteit’, zoals we dat nu definiëren, bij Carson eigenlijk niet of nauwelijks aan de orde komt, dit woord is van recenter datum. Maar benamingen als ‘dood’, ‘grimmig spook’ en ‘kwade tover’ laten niets aan duidelijkheid te wensen over aan de tragedie die de wereld staat te wachten.

De onheilspellende naklank van Dode lente vinden we ook terug, zij het gematigd van toon, in het monumentale boekwerk Atlas wilde bomen en struiken onder redactie van ecoloog en cultuurhistoricus Bert Maes. Hierin brengen hij en zijn medewerkers het groene erfgoed van Nederland en Vlaanderen in beeld, verrijkt met foto’s en historische en hedendaagse kaarten. Deze atlas is als een zoektocht die ons voert langs oude boskernen, woudgeschiedenis en houtige landschapselementen.

Urenlang kun je erin lezen over bomen met poëtische namen als koraalmeidoorn, zomerlinde, beklierde heggenroos, jeneverbes, wilde kamperfoelie, gele kornoelje of fladderiep. Per provincie geeft de atlas een inventarisatie, we komen zelfs verdronken bossen en de schoonheid van een bosrank als reuzenliaan tegen. Dankzij de historische kaarten uit ca. 1850 met daarop de wilde gewassen van toen in vergelijking tot de huidige kaarten, krijg je een soms aangrijpend beeld van wat er verloren ging. Wilde bomen die hier al duizenden jaren geleden voorkwamen delven het onderspit, naar schatting is er slechts 3 procent van over.

Afgelegen zomerhuis

De wilde bomen- en struikenatlas is loflied en waarschuwing tegelijk. Dat geldt ook voor Nina Burtons boek, dat eerder een literair essay is. De oorspronkelijke titel luidt De dunne muren van het leven. Dit is net iets subtieler dan Levensmuren. Ze beschrijft op weergaloze wijze hoe zij in een afgelegen zomerhuis dat feitelijk bestaat uit niet meer dan één lukraak in elkaar geflanste kamer de wereld van de natuur ontdekt. De ‘muren’ van het huis, dat tegen een begroeide rotshelling gedrukt staat met uitzicht op een zeestraat, zijn niet bestand tegen wat de natuur zoal kan doen: een vos dringt binnen, een eekhoorn nestelt zich onder het dak, spechten hakken nestholtes, solitaire bijen zoeken beschutting, wespen bouwen hun ingenieuze flinterdunne nesten, vogelzang klinkt door de broze muren, insecten zoemen rond de voordeur en hordes mieren gaan op voedseljacht, want ‘dwars door de muren van het huis kwamen ze op de geur van de voorraadkast af, waar ze in een open pak fruitsap kropen’.

Feitelijk is Burton in dat zomerhuis één met de natuur, al voelt ze zich soms een gast en een buitenstaander. Ze is doordrongen van het besef dat de dieren de rechtmatige bewoners zijn. Dat beschrijft ze prachtig in een passage waarin ze tot de ontdekking komt dat haar huis precies op de eeuwenoude route staat die dieren volgen uit het bos naar open landschap.

Of in de gedachte die ze wijdt aan de innige band tussen bomen en huizen. Enerzijds worden zomerhuizen gebouwd van hout. Dat lijkt een voor zichzelf sprekend gegeven, maar dit is wat Burton met zo’n feit doet: ‘In het hout voor muren, vloeren en daken liggen immers boomherinneringen.’ En in Scandinavië was het vroeger de gewoonte bij elk huis een ‘beschermboom’ te planten waarvan ‘de wortels het vocht onder de grond van het huis vandaan moesten zuigen, terwijl de ziel van de boom het huis beschermde’.

Toch is Burton evenals Carson en Goulson verontrust. De tragedie van de klimaatverandering en de teloorgang van de biodiversiteit wijt ze aan ons, de mens, ‘het herenvolk van de aarde’ dat hard onderweg is naar een ‘massa-extinctie’ van diezelfde aarde. Burton beschrijft hoe ze de zee en het leven daarin als poëzie zou willen zien, maar in werkelijkheid ligt daar ‘kernafaval dat nog honderdduizend jaar levensbedreigend zou blijven’ op de bodem. Onze toekomst is ‘gestorven onder een op kanker lijkende groei’.

Steeds meer initiatieven

Nu zijn we zestig jaar verder na Dode lente en je zou mogen spreken van hoop dat die groei van de mensheid tot stilstand komt. Gelukkig zijn er steeds meer initiatieven die de goede kant uit wijzen en neemt wereldwijd het besef toe dat er iets moet worden gedaan; conferenties en demonstraties getuigen daarvan. Maar Goulsons Stille aarde doet de noodzaak tot het nemen van ingrijpende maatregelen sterk gevoelen. Hij benadrukt dat iedereen kan helpen de opwarming van de aarde tegen te gaan, bijvoorbeeld door wilde tuinen aan te leggen en zo een jungle aan biodiversiteit te creëren.

Met indrukwekkend bewijsmateriaal geeft hij aan dat juist biodiversiteit noodzakelijk is om opnieuw tot een biologisch evenwicht te komen, waarin niet alleen flora en fauna maar ook de mens weer onderdeel uitmaakt van de natuur, zoals Burton en Carson beschrijven.

Goulson staat in de traditie van Carson, als hij schrijft: ‘In 1963, twee jaar voordat ik werd geboren, waarschuwde Rachel Carson in haar boek Silent Spring dat we de aarde grote schade toebrengen. Ze zou in huilen zijn uitgebarsten als ze zou hebben gezien hoeveel slechter het erop is geworden. Insectenrijke leefomgevingen in de wilde natuur, zoals hooiweiden, moerassen, heidegebieden en tropisch regenwoud, worden op grote schaal verwoest met bulldozers, platgebrand of kapotgeploegd.’

Lees ook: Koraalseks is niet zonder risico

Sommige chemische bestrijdingsmiddelen zijn ‘duizenden keren giftiger voor insecten dan die uit Carsons tijd’. Voor wie de natuur omarmt, is de huidige tijd er een van pijn en verlies.

Het onthutsende van deze belangwekkende boeken is dat die vernietiging nu gaande is, in onze eigen levens, terwijl we toekijken. Bovendien veel sneller dan ooit verwacht. Daarom is Carsons Dode lente ijkpunt én keerpunt in de natuurboeken: zij laat als eerste zien dat de mens onderdeel is van de natuur en de strijd die ‘hij tegen haar voert is onvermijdelijk een strijd tegen zichzelf’.