Recensie

Recensie

De moslimsoldaten van Adolf Hitler

Islam De nazi’s waren gefascineerd door de moslimwereld. Moslims waren dan wel minderwaardig vonden ze, maar ze waren wel uit het juiste, militante hout gesneden.

De grootmoefti van Jeruzalem inspecteert een eenheid van de Waffen SS bestaande uit Bosnische moslims.
De grootmoefti van Jeruzalem inspecteert een eenheid van de Waffen SS bestaande uit Bosnische moslims. Foto Gamma-Keystone via Getty Images

SS-leider Heinrich Himmler was dol op de islam – in theorie tenminste. Hij had een koran op zijn nachtkastje liggen en in gesprekken liet hij zich wel eens ontvallen het te betreuren dat de Turken er in 1683 niet in geslaagd waren Wenen te veroveren. Dan was Europa immers van een zwak Joods-christelijk continent veranderd in een vitale en strijdlustige moslimgemeenschap. Niet onder Turkse of Arabische heerschappij uiteraard, maar onder leiding van tot de islam bekeerde Germanen.

Himmler was met zijn fascinatie voor de islam geen uitzondering binnen de top van de nazi-staat. Hitler zelf dacht ook dat de volgelingen van de profeet Mohammed uit het juiste, militante hout gesneden waren – hoewel hij in Mein Kampf had laten blijken moslimvolkeren an sich als minderwaardig te beschouwen. Deze paradox veegden de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog onder het tapijt, omdat ze probeerden de moslimbevolking in Britse en Franse kolonies, op de Balkan en in de Sovjet-Unie voor hun karretje te spannen.

Verleidingspogingen

Over deze pogingen moslims te laten collaboreren met nazi-Duitsland schreef David Motadel Voor profeet en Führer. De islamitische wereld en het Derde Rijk. Het is een bijzonder goed gedocumenteerd boek, waarin deze docent aan de London School of Economics and Political Science zich vooral concentreert op het religieuze aspect van de Duitse verleidingspogingen jegens de moslims. Wat voor taal gebruikten de nazi’s in hun propaganda, welke rol kenden ze imams toe in moslimeenheden van de Wehrmacht en SS, en hoe gingen ze om met feestdagen en religieuze voorschriften en taboes?

Motadel is niet de eerste die over dit onderwerp schrijft. Vooral over Mohammad Amin al-Hoesseini, de grootmoefti van Jeruzalem die zich graag door Hitler liet fêteren, is veel gepubliceerd en ook naar de verhouding tussen nazi’s en moslims in verschillende regio’s is al onderzoek gedaan. Motadel is erin geslaagd deze kennis te synthetiseren in een allesomvattend boek waarin hij een afgewogen, genuanceerde toon aanslaat. Voor profeet en Fürher is een academisch werk, geen pamflet op zoek naar een rel – terwijl het onderwerp ‘nazi’s en moslims’ zich daarvoor in het huidige tijdsgewricht natuurlijk prima leent.

De nazi’s knoopten met hun islamstrategie aan bij een traditie uit het Duitse keizerrijk, zo begint Motadel zijn boek. Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog trachtte Duitsland de moslimbevolking in Britse en Franse kolonies in Afrika en Azië op te zetten tegen hun overheersers. Die pogingen waren weinig succesvol. De gedroomde islamitische opstanden bleven uit.

Beruchte Einsatzgruppe D

De Duitse fascinatie voor de moslimwereld overleefde het interbellum en raakte na Hitlers machtsovername vermengd met het gedachtengoed van zijn beweging. Waren moslims met hun afkeer van Joden, plutocratische Britse imperialisten en verraderlijke bolsjewieken eigenlijk geen natuurlijke bondgenoot van nazi-Duitsland?

Met het voor het Derde Rijk kenmerkende gebrek aan coördinatie gingen het ministerie van Buitenlandse Zaken, het leger en de SS aan de slag met deze vraag. Allemaal hadden ze hun eigen contactpersonen in de islamitische wereld en allemaal hadden ze hun eigen doelen. Dat leidde soms tot conflicten over wiens plannen het beste waren, waarbij de SS meestal aan het langste eind trok, vooral op militair gebied. In de Waffen-SS vochten diverse moslimeenheden, die zich aan gruwelijke oorlogsmisdaden schuldig hebben gemaakt. Op de Krim joegen Tataarse moslims samen met de beruchte Einsatzgruppe D op Joden.

Motadel beschrijft per regio uitgebreid de Duitse pogingen islamitische bondgenoten te werven. In Afrika en het Midden-Oosten bestonden die inspanningen vooral uit het ophitsen van de moslims via radio en strooibiljetten, waarvoor zelfs liedjes werden gemaakt: ‘Nooit meer Monsieur, nooit meer Mister. / Ga weg en verdwijn. / Wij willen Allah in den Hemel en Hitler op aard.’ Dat klonk allemaal leuk, maar omdat de bevolking niet inzag wat nu de precies de concrete voordelen zouden zijn van het overlopen van de geallieerden naar de asmogendheden, bleef een noemenswaardige reactie uit. Vrijheid hadden de Duitsers, die zich met hun Afrikakorps maar twee jaar op het continent bevonden, niet te bieden.

Indoctrinatie

Duidelijke voordelen waren er wel op de door etnisch geweld geteisterde Balkan en op de Krim en in de Kaukasus, gebieden in de Sovjet-Unie waar moslims te maken hadden met onderdrukking. Hier leverden islamitische leiders en de gewone bevolking zich dan ook uit aan de Duitsers.

Religie speelde binnen dit proces een bescheiden, maar duidelijke rol, laat Motadel zien. Moslims namen ‘Adolf Effendi’ mee in hun gebeden en de herinvoering van het Offerfeest leidde er in de bezette gebieden in de Sovjet-Unie toe dat Duitse officieren op schouders door de straten werden gedragen. In de moslimeenheden van de Wehrmacht en de SS zorgden imams voor religieuze indoctrinatie.

Voor veel moslims waren praktische redenen om te collaboreren echter belangrijker dan religieuze. Gevangen Sovjetsoldaten van islamitische komaf ontkwamen door collaboratie aan de ellendige omstandigheden in de krijgsgevangenkampen. Op de Krim mochten de islamitische Tataren zichzelf besturen en kregen moskeeën hun bezit terug. Moslimsoldaten op de Balkan konden met Duitse wapens hun familie beschermen tegen de moordlust van Servische en Kroatische buren.

Uiteindelijk mondde deze collaboratie voor de betrokkenen uit in een ramp: Duitsland verloor de oorlog. In zijn Berlijnse bunker mijmerde Hitler nog dat het Derde Rijk niet genoeg had gedaan om de moslims te mobiliseren. ‘De hele islamitische wereld trilde van spanning in afwachting van onze overwinningen (…). We hadden alles op alles moeten zetten om ze te helpen, om hun moed aan te wakkeren, zoals ons belang en onze plicht van ons verlangden.’

Uniforme massa

De wraak van de overwinnaars was vreselijk. Stalin executeerde de leiders van de Krim-Tataren en deporteerde de rest naar het Oosten van de Sovjet-Unie. Datzelfde lot viel moslims op de Kaukasus ten deel. Partizanenleider Tito wist een halt toe te roepen aan de conflicten op de Balkan, maar niet nadat het zaad was gezaaid voor toekomstig etnisch en religieus geweld.

Ook de Duitsers hebben weinig profijt gehad van hun bemoeienissen met de moslimwereld, constateert Motadel. Dat kwam omdat hun politiek te laat was ingezet en omdat ze gegrondvest was op te veel misvattingen ten aanzien van de islam. ‘Door moslims te beschouwen als één enkele uniforme massa die, mits welwillend behandeld, te manipuleren viel, lieten Duitse gezagsdragers blijken onvoldoende oog te hebben voor de religieuze, etnische, taalkundige, sociale en politieke complexiteit van de moslimwereld.’

De belangrijkste hinderpaal was uiteindelijk het gebrek aan geloofwaardigheid van het Derde Rijk, zegt Motadel. ‘Het was al te duidelijk dat de Duitsers de moslims wilden gebruiken voor hun eigen belangen en hun eigen oorlogsinspanning, en niet ten dienste van een religieus doel.’