Recensie

Recensie Boeken

Dat er een gek met een kettingzaag de hoek om komt, is volstrekt voorstelbaar

Ricus van de Coevering In zijn derde ‘boerenroman’ , die je moeiteloos in de greep houdt, slaat het Bildungsverhaal halverwege om in een thriller.

Foto David Turnley via Getty Images
Foto David Turnley via Getty Images

Het meeste is nieuw in de derde roman van Ricus van de Coevering (1974), maar wat bleef, dat zijn de ontmoedigers, de mensen die met alle liefde een schep zand gooien op de geestdrift van een ander. In Sneeuweieren, Van de Coeverings debuut uit 2007, liep een ontevreden vrouw rond die met een noeste kippenboer was getrouwd. Toen ze opbiechtte dat ze zangeres in plaats van boerin had moeten worden, floot deze Harm even kort tussen zijn tanden door en zei: ‘Zangeres, da’s niet niks.’ Einde gesprek.

Lees ook de bespreking van Noordgeest: Wow, ik stam af van slavenhandelaren

Als tiener Timo in het nieuwe De hooier tegen een nieuwe boer zegt dat hij van plan is om straks biotechniek te gaan studeren, antwoordt ook deze: ‘Da’s niet niks.’ Waar, wil de boer nog weten. Amsterdam, zegt Timo. Waarom, vraagt de boer. ‘Waarom Amsterdam of waarom biotechniek’, vraagt Timo. Boer: ‘Ja, waarom.’

Met een punt erachter in plaats van een vraagteken. Waarom überhaupt iets anders willen dan wat er in of nabij Angelren, dit fictieve lintdorp nabij de Duitse grens, te halen valt? En omdat de boer niet de enige is die niks ziet in Amsterdam, biotechniek of avontuur zal het niet verbazen dat Timo’s droom voortkomt uit zijn verbeelding. Uit die van hemzelf, maar aangewakkerd door andermans verbeelding: bij het zien van Kubricks 2001: A Space Odyssey begon er iets in hem te gloeien. Die vechtende apen, die ene aap die dat bot als wapen gebruikt… Timo zag de oerknal van ons vooruitgangsdenken en van onze hang naar technische hulpmiddelen en is nog te enthousiast om er bedenkingen bij te hebben. Hij luistert naar de gotische Tanzmetall van Rammstein en prevelt Nietzsche-citaten als hij iemand ziet die zwak is. Dat kan beter, dat moet beter!

Deze kwestie vormt het intellectuele hart van De hooier. Genoemde varkensboer gaat nog dieper op de zaak in en haalt er zowaar Reve en Camus bij (voor de duidelijkheid, De hooier is fictie) om duidelijk te maken dat het nog eens uit de klauwen loopt met ons streven naar perfectie, maar ook de mensen rondom Timo zijn van de behoudende snit en tonen niet bovenmatig veel belangstelling in de toekomst – die van Timo of die van ons allemaal.

Verstoppertje

Timo’s gezin, of wat ervan over is, is er één van stilstand en verstoppertje spelen. Daar is een goede reden voor: enkele jaren terug overleed Ruben, Timo’s doldrieste, zwakbegaafde broer. Hoe en wat wordt pas verderop in de roman duidelijk, maar wat je al wel mag weten is dat de vader het gezin na de rampspoed ontvluchtte. De ouders zijn nog wel getrouwd, maar vader zit maanden achtereen in donker Scandinavië, waar hij voor een koffer met geld, meer geld in elk geval dan hij voor zijn vorige baan kreeg, windmolens controleert. Hij heeft het er maar druk mee, want hij laat amper van zich horen.

De hooier is een wat aparte, onevenwichtige roman die tóch geslaagd is. Hun plotselinge mededeelzaamheid maakt sommige personages wat werktuiglijk, er zit hier en daar een likje kitsch doorheen en Van de Coevering maakt veelvuldig gebruik van wegfladderende, geschrokken of vastgelijmde dieren om een spaak gelopen menselijke interactie of sfeer te illustreren, stuk voor stuk verhalende elementen die te denken geven. Maar daar staat tegenover dat de roman je moeiteloos in de greep houdt. De hooier is opgetrokken uit proza uit de school van Oek de Jong of Thomas Rosenboom, eerst en vooral mikkend op verdichting en sfeer, leunend op een indrukwekkend psychologisch inzicht. Het feit dat Ruben jarenlang vooral ballast voor Timo was heeft Van de Coevering in vaak heel schrijnende scènes weten te vatten. Men acteert empathie, maar men is lomp.

Als het wél inzakt halverwege en je je afvraagt waar het toch heen moet met die jongen gooit Van de Coevering het roer om en verandert een verhaal dat eerst lang een Bildungsverhaal leek te zijn in een soort thriller. Timo wordt dan een speurneus, iemand die iets zoekt, die iets te vervolmaken heeft op de plek waar de ondergang van Ruben begon. Handelt hij uit schuldgevoel? Moeten we zijn overwegingen om een paar centen te gaan verdienen bij boer Horssen interpreteren als een eerste knieval voor de middelmaat, hij die Nietzsche citeert maar die nu voor twintig euro per uur een zogenaamde smeerkelder wil gaan leegscheppen? Er zijn ongetwijfeld lezers die het allemaal bij elkaar krijgen, die snappen waar Van de Coevering hiermee op zint. Mij lukte dat niet, maar wat een dreiging, wat een oog voor de details die van het platteland zo’n doem-achtige plek kunnen maken.

Er gebeurt niks, niet veel dan, en toch is het volstrekt voorstelbaar dat er een gek met een kettingzaag de hoek om zal komen. Horssen ging een stukje rijden met een tractor met een hooier erachter, werd daarbij achtervolgd door een soort hellehond, zo vertelt hij Timo, zag het beest even niet meer, stapte uit om te kijken wat er was gebeurd ‘en jawel hoor, daar hing ie in de ijzers te druppen’. Iemand die zo formuleert, die zulke woorden paraat heeft, drink met zo iemand daarna maar eens op je gemak een kopje koffie.