Reportage

Schepen aan de kant, F-16’s aan de grond en falende radio’s: defensie staat er niet goed voor

Krijgsmacht Gaat het over de krijgsmacht, dan gaat het over geld. In Haagse beleidsnota’s, op internetfora van militairen, overal is de boodschap: defensie heeft jaarlijks miljarden extra nodig.

Vier F-16-straaljagers landen begin 2019 op luchtmachtbasis Volkel na een inzet van 33 maanden in het Midden-Oosten in de strijd tegen IS.
Vier F-16-straaljagers landen begin 2019 op luchtmachtbasis Volkel na een inzet van 33 maanden in het Midden-Oosten in de strijd tegen IS. Foto Rob Engelaar/Hollandse Hoogte

Bij de evacuaties uit het Afghaanse Kabul deze zomer hielpen Nederlandse militairen mee. Alleen was een van de twee Hercules-vliegtuigen op het cruciale moment niet beschikbaar. De oorzaak: te oud om veilig mee te vliegen.

Gaat het over de krijgsmacht, dan gaat het over geld. In Haagse beleidsnota’s, op internetfora van militairen, overal is de boodschap: defensie heeft jaarlijks miljarden extra nodig. Voor, onder veel meer, het opknappen van stokoude kazernes, het aantrekken en behouden van militairen en buitenlandse missies van enige omvang.

De Tweede Kamer debatteert woensdag over de Defensiebegroting voor 2022, die nu zo’n 12,5 miljard euro bedraagt. Daar moet komende jaren zeker 4 miljard bij, zei minister Henk Kamp (Defensie, VVD) onlangs in De Telegraaf. Het was een oproep aan de formerende partijen.

Waar zit de financiële pijn van de krijgsmacht? Overal, leert een rondgang langs drie van de vier krijgsmachtdelen: de landmacht, de luchtmacht en de marine. De financiële pijn zit overal. Communicatie-apparatuur is zo verouderd, dat het gevaarlijk is bij operaties. F-16’s kunnen niet meer op missie door een tekort aan trainingsuren. Schepen blijven aan de kant door personeelsgebrek. Dat is nog maar een kleine greep uit de problemen, naast bijvoorbeeld onvoldoende munitie.

De militaire uitgaven zijn de laatste jaren wel gestegen. Nadat Rusland in 2014 de Krim had ingelijfd, spraken de NAVO-bondgenoten af defensieuitgaven te verhogen tot 2 procent van hun nationale economie. Nederland geeft ruim 50 procent meer uit aan de krijgsmacht dan in 2016.

Waarom is er dan toch geldgebrek? „Doordat we steeds dieper zijn gaan graven”, zegt Niels van Woensel, voorzitter van de Nederlandse officierenvereniging. Defensie heeft voor de vorig jaar gepresenteerde Defensievisie 2035 geïnventariseerd wat er moet gebeuren om opgewassen te zijn tegen toekomstige dreigingen. „Daarbij bleken de gaten groter te zijn dan we dachten. We zaten niet op de bodem, we bleken erdoorheen te zijn gezakt.” Na een kwart eeuw bezuinigingen.

Niet alleen de spullen zijn sterk verouderd, ook de arbeidsvoorwaarden zijn niet meer van deze tijd. Een militair kan alleen meer geld verdienen door te stijgen in de rangen. Soldaten worden de eerste jaren zwaar onderbetaald, zegt Van Woensel: „Toelages voor oefeningen en uitzendingen komen neer op een paar euro per uur.” De inrichting van een heel nieuw systeem moet je volgens hem zien als een „investeringsproject zoals de aanschaf van nieuwe onderzeeboten”.

Om te beginnen zou Nederland het Europese gemiddelde moeten halen, vindt Van Woensel. Dat komt neer op 4 miljard per jaar erbij. Nederland zit nu ongeveer op 1,4 procent, terwijl Polen en Griekenland wel aan de norm voldoen. Gênant, vindt hij: „Nederland is als de vriend met de goede baan die altijd meegaat naar de bar maar nooit een rondje geeft.”

Lees ook: De tank is terug in de Nederlandse landmacht

De luchtmacht – Minder uren training en oude F-16’s

De F-16 belichaamt de Nederlandse deelname aan internationale missies. Het jachtvliegtuig heeft de afgelopen twintig jaar vrijwel onafgebroken gevlogen boven Afghanistan, Irak en Syrië. Dat is nu voorbij. Geldgebrek. Het 312 squadron in Volkel mocht jaarlijks 5.450 vlieguren maken om te trainen, maar daar zijn vorig jaar 400 uren vanaf gehaald om binnen het budget te blijven. „Die kleine 10 procent lijkt misschien niet veel. Maar als je 10 procent minder getraind bent, verlies je 100 procent van een vijand op het hoogste geweldsniveau”, zegt F-16-vlieger Patrick Vreeburg. Hij is commandant van het 312 squadron. „Daarom is besloten dat wij vanaf begin dit jaar niet meer standby zijn voor uitzending.”

De vliegers, de technici en de logistiek-experts trainen nu alleen voor de bescherming van het luchtruim boven de Benelux. En voor hun nucleaire taak, volgens het scenario waarin een F-16 een kernbom moet afwerpen. „Dat zijn belangrijke taken, maar wel abstract. Bij de missies boven Irak en Afghanistan waren we concreet de vijand aan het bestrijden”, zegt Vreeburg. „ Mijn mensen vragen zich nu in het dagelijks leven vaker af: waarvoor trainen we nu eigenlijk? We willen heel graag dat wat we doen zin heeft.”

Behalve zingeving zijn de uitzendingen ook van onschatbare waarde voor de gevechtskracht van de luchtmacht. „Onze vliegers, en technici en onze logistieke trein daaromheen zijn heel goed geworden”, vindt Vreeburg. Maar twee jaar na de laatste missie, tegen IS, is die ervaring aan het verdampen. „De jongste helft van mijn mensen is nog nooit op missie geweest. Zo hard gaat dat. Daarvan ben ik wel geschrokken. Doordat we minder kunnen oefenen, kunnen we die ervaring ook moeilijk overdragen.”

De F-16’s worden komende jaren vervangen door de F-35’s en daarom verkocht of verschroot. Dat kost tijd en dus blijven de F-16’s komende jaren nodig; 24 toestellen blijven nog vliegen – in het 312 squadron. Na een grondige onderhoudsbeurt kan een F-16 weer zo’n 1,5 jaar mee. De „getraindheid” moet worden opgedaan bij oefeningen, zoals volgende week in Italië. „Maar het is schroot met een dun laagje chroom”, zegt Vreeburg. „Als je te hard krast, zit je gelijk op het schroot.” Soms is er niemand in de verkeerstoren om een vlieger te begeleiden. Of ontbreekt een heel communicatiesysteem bij een oefening. En dan trekt Brainport Eindhoven ook nog aan de technici van Volkel. „Bijvoorbeeld de avionica-specialisten. Die doen onderhoud of reparaties aan elektronica en computers”, zegt Vreeburg. „Gaan die schaarse mensen weg, dan staan na twee weken alle vliegtuigen aan de grond.”

De Zr.Ms. Johan de Witt ligt door personeelstekort in de marinehaven van Den Helder. Er wordt onderhoud gepleegd aan het schip. Foto Camiel Mudde

Marine – Te weinig opvarenden en te oud materieel

Het grote schip aan de kade – grijs als de lucht – lijkt elk moment te kunnen wegvaren. Maar de Zr.Ms. Johan de Witt blijft nog heel lang in de marinehaven van Den Helder. Er zijn niet genoeg opvarenden voor het amfibisch transportschip, dat in 2019 nog Nederlandse mariniers afzette op de door een orkaan getroffen Bahama’s.

„Het schip is een half jaar eerder dan gepland tegen de kant aan gegaan voor onderhoud. Het merendeel van de mensen is verdeeld over andere schepen”, vertelt Walter Hansen, voormalig commandant van de Johan de Witt. Hetzelfde is gebeurd met een fregat, zegt hij in zijn kantoor: „We herverdelen de schaarste aan mensen, zodat de rest van de schepen kan blijven varen.”

Pijnlijk is het wel. „Op een schip ben je lang een team aan het smeden. Breek je dat op, dan verbreek je ook persoonlijke relaties”, zegt Hansen. En het maakt volgens hem dat mensen wantrouwend worden en vragen: ‘Hoe kan dat nou, dat we te weinig mensen hebben?’ Bij de marine zijn slechts vier van de vijf banen vervuld, net als bij de rest van de krijgsmacht. „Maar bij de specialisten is de bezetting lager, soms maar 50 procent”, zegt Hansen, die nu verantwoordelijk is voor de modernisering van het personeelsbeleid. „Denk aan de technische dienst, die zorgt voor je voortstuwing, energievoorziening en wapensystemen. Soms kan een schip de haven niet uit, omdat je niemand hebt om een storing te verhelpen.”

Om personeel te werven en te behouden, is veel geld nodig, denkt Hansen. „Om de werk-privébalans voor werknemers te verbeteren met goede regelingen. Om het imago te herstellen na de afbraak in het verleden.” Maar ook om te investeren in materieel: „Ooit hadden we jonge schepen, met state of the art-spul. Dat bood trots en nieuwe uitdagingen.”

Hoe oud zijn de schepen nu? Hansen loopt naar een wand vol silhouetten met scheepstypen. Een tanker- en transportschip: „Vrij nieuw en state of the art.” Mijnenjagers van begin jaren tachtig: „Echt oud.” Luchtverdediging- en commando-fregatten eind jaren negentig: „Die kunnen veel, maar het wordt uitdagender nu Russen en Chinezen hypersone raketten bouwen.” M-fregatten uit 1990: „Zijn heel goed in jagen op onderzeeboten. Net nu de Russen veel actiever zijn met onderzeeboten, hebben wij een M-fregat uit de vaart gehaald door gebrek aan mensen.”

De komende jaren krijgt de marine nieuwe fregatten, mijnenjagers en onderzeeboten. „Dat biedt een impuls”, verwacht Hansen. „Iedereen wordt enthousiast van de schepen en het samen klaren van een klus als bij de Bahama’s. Maar het doet mensen pijn als ze dingen door hun vingers zien glippen.”

Detail van een verouderde communicatiewagen van de Gemechaniseerde Brigade van de landmacht. Foto Sake Elzinga

Landmacht – Apparatuur is te oud

Oorlogvoeren, zo zeggen ze in het Duitse leger, is fahren, funken und schießen: rijden, zenden en schieten. „Het probleem zit hem bij ons in het funken”, zegt Maikel Vrenken, commandant van 44 Pantserinfanteriebataljon in Havelte. „Onze communicatiesoftware is heel goed, maar onze apparaten zijn verouderd.” Die heeft de landmacht gekocht in de jaren negentig van de vorige eeuw. Bij een operatie moeten eenheden over grote afstand kunnen samenwerken. „Dat betekent laten weten waar je bent, wat je aan het doen bent en van plan bent te gaan doen”, zegt Vrenken. „Als er een vijand in beeld is, moet je kunnen vertellen wat je hebt gezien of denkt gezien te hebben.” De militairen op de grond geven dat door aan elkaar en aan de commandant, die ook weer contact houdt met de generaals elders.

Het contact op de grond verloopt veelal via een battlefield management-systeem. „Dat lijkt op het navigatiesysteem in je eigen auto. Alleen zie je niet alleen jezelf maar ook jouw collega’s rijden. Als ik in mijn commandopost een file zie, dan kan ik met een pen op mijn scherm de omleiding tekenen.” Militairen gebruiken verschillende communicatie-apparaten. Eén zo groot en zo zwaar als een thermoskan, met een antenne erop. Een manpack, een rugzak met computerkastje van zeven kilo – plus accu’s en diverse antennes. Een voertuigset met een lange antenne en vaste radio in de auto, met een bereik van twaalf tot vijftien kilometer.

Zo’n bereik is niet genoeg meer in hedendaagse oorlogsvoering, zegt Vrenken: „Om minder kwetsbaar te zijn voor vijandelijk artillerievuur gaan we verder uit elkaar zitten.” Dat kan betekenen dat auto’s die te ver weg zijn, buiten beeld blijven. De bandbreedte is vaak ook niet genoeg om alle data te verwerken. „Als er te veel auto’s inzitten, dan gaat het systeem data bufferen. Dan kan het gebeuren dat ik denk dat iemand nog hier zit, terwijl die inmiddels verderop zit.” Bovendien kun je met deze apparatuur niet rijdend satellietcommunicatie opzetten: „Ik moet stilstaan en dat maakt me kwetsbaar”, zegt Vrenken.

Nieuwe apparatuur zou dus meer mobiliteit, reikwijdte en bandbreedte moeten bieden. Dat laatste is nodig om bijvoorbeeld foto’s te kunnen sturen. Of om live mee te kijken met beelden die een drone maakt van een situatie. „Maar hoe meer je uitzendt, hoe makkelijker je te vinden bent”, zegt Vrenken. „Daar zijn ook technologische oplossingen voor, zoals burst transmission. Heel veel data opsparen en dan in één keer doorsturen. Dan ben je niet continu aan het zenden.”