Bestuursrechter Nathalie van Waterschoot vraagt zich of de rechtstaat na „jaren van voortdurende bezuinigingen, doorgeschoten efficiency en reorganisaties” nog wel goed functioneert.

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Ook de rechter verdwaalde in de jungle van de jeugdrechtspraak

Nathalie van Waterschoot bestuursrechter

Nathalie van Waterschoot raakte zelf verstrikt in het systeem van de jeugdbescherming. Nu is ze een voorbeeld voor vele ouders en toert ze door het land. „Ik kan niet zwijgen over zulke grote problemen.”

Toen bestuursrechter Nathalie van Waterschoot (52) in het voorjaar van 2021 besloot openlijk de „misstanden in de rechtspraak” aan de kaak te stellen – en dan vooral in het familierecht – wist ze waar ze aan begon. Ze wist dat een aantal van haar Amsterdamse collega-rechters dat heel vervelend zou vinden. Ze wist dat ze waarschijnlijk ter verantwoording zou worden geroepen door het bestuur van de rechtbank.

Ze begreep ook dat „burgers”, de mensen buiten de ivoren torens van de rechtspraak, haar voortaan anders zouden zien. Niet langer als een vrouw in toga (rechters zijn op zitting geen „privépersoon met privémeningen”, aldus rechtspraak.nl), maar als een mens van vlees en bloed, met een leven vol ups en downs en twee kinderen die nog steeds last hebben van een decennium vol slepende en chaotische procedures met jeugdzorginstanties.

Ze had er lang over nagedacht, en besloten dat dit niet kon wachten tot na haar pensioen. „Dit is niet alleen mij overkomen”, dacht ze. „Ik vind dat ik als rechter niet kan zwijgen over zulke grote problemen.” En dus stemde Van Waterschoot in met een persoonlijk interview met het tijdschrift Mr., het clubblad van de juridische wereld.

Begin mei, één dag voor haar zoons achttiende verjaardag (tevens de laatste dag dat jeugdzorg iets over haar gezin zou kunnen vinden), stond haar foto pontificaal op de cover van Mr., gevolgd door een artikel van zes pagina’s waarin Van Waterschoot vertelde hoe ze met haar kinderen „klem” kwam te zitten „tussen de raderen van de rechtspraak” en daardoor „haar vertrouwen in de rechtspraak tijdelijk was kwijtgeraakt”.

Voorbeeld

Ze heeft geen spijt van haar woorden, zegt ze, terugkijkend aan haar ronde keukentafel in Amsterdam-Noord. Ze vraagt zich regelmatig af of de rechtstaat na „jaren van voortdurende bezuinigingen, doorgeschoten efficiency en reorganisaties” nog wel goed functioneert.

In het afgelopen half jaar is ze tot haar eigen verbazing een voorbeeld geworden voor honderden ouders die net als zij verstrikt zijn geraakt in het systeem van de jeugdbescherming. Ze toert door het land, praat met rechtbanken, advocaten, in de Tweede Kamer, bij talkshows en jeugdzorginstanties over wat er moet veranderen.

Zoals verwacht werd haar kritiek op de Amsterdamse rechtbank minder enthousiast ontvangen. Per 1 januari stapt ze daarom over naar het arrondissement Noord-Nederland. Ze was toe aan een nieuwe werkomgeving en „daar spelen interessante en lastige bestuursrechtzaken, bijvoorbeeld over mijnbouwschade en de klimaatkwestie”. Daarnaast zag ze dat haar eigen rechtbank haar kritiek op de familie- en jeugdrechtspraak bagatelliseerde.

„De kern van mijn kritiek is dat in de jeugdzorg en het familierecht er niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Daardoor worden conflicten over de omgang tussen een ouder en kinderen vaak geframed als conflicten tussen ouders”, zegt ze. „Bovendien beslissen familierechters op basis van rapporten van jeugdzorginstanties, terwijl die vaak op onjuiste feiten zijn gebaseerd. Dáár wilde ik het over hebben en dat werd me door sommige collega’s niet in dank afgenomen. Je hoeft het niet inhoudelijk eens te zijn, maar kritiek moet wel worden omarmd. Bij mij is dat niet gebeurd. En dat betekent dat ik bungelde.”

Van Waterschoot voelt na jarenlange familierechtprocedures niet de behoefte uitgebreid over haar eigen dossier te praten. Dat beslaat de periode 2011-2019 en is nauwelijks in een paar zinnen samen te vatten. Maar omdat haar kritiek op de familierechtspraak moeilijk los is te zien van haar eigen geschiedenis, geeft ze toch een paar voorbeelden van wat zij heeft ervaren.

Lees ook dit stuk over de jeugdbescherming: Waarom jongeren als Delano zo in de knel komen

Terugkijkend, zegt Van Waterschoot, ging het vrijwel meteen mis toen haar ex-partner tien jaar geleden (drie jaar na hun scheiding) begon met procederen over een omgangsregeling. „We kwamen op de verkeerde stapel terecht. Instanties frameden ons als ouders die in scheiding lagen. In verslagen van Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming ging het over onze ‘vechtscheiding’ en ‘communicatieproblemen’. Huh? Vechtscheiding, beter communiceren? We waren al jaren uit elkaar. Het ging niet om problemen tussen ouders, maar om problemen tussen hem en de kinderen.”

Jeugdbescherming en familierechters zetten vol in op mediation. Maar „dat was helemaal niet de oplossing voor de omgangsproblematiek. Juist hierdoor kwamen we steeds meer onder spanning en werd het van kwaad tot erger,” zegt Van Waterschoot. Ze laat een mail zien uit 2016 van een recherchepsycholoog gespecialiseerd in stalking. Die ziet „een aantal risicofactoren” en waarschuwt haar politiecollega’s: „[Laten we] er alles aan doen om de veiligheid van Van Waterschoot en haar kinderen te waarborgen”, schrijft ze. „Een op de drie ex-partner-stalkers die dreigen met geweld voeren hun dreigementen ook uit.”

„Dat schreef de politie, maar wij moesten van de familierechter en jeugdbeschermingsinstanties toch weer met mediators in gesprek. Daardoor kregen de kinderen niet de hulp die ze nodig hadden”, zegt Van Waterschoot.

Politiedossier

In gesprekken en rapporten melden jeugdhulpinstanties gebeurtenissen die Van Waterschoot niet kan plaatsen. Zo wijst de Raad voor de Kinderbescherming op een „huiselijk twist” in haar woonomgeving. Van Waterschoot weet van niets – ze was in die periode op vakantie in het buitenland.

Uiteindelijk ontdekt ze dat de instanties informatie uit het politiesysteem BHV gebruiken, de Basisvoorziening Handhaving. „Toen ik inzage vroeg in mijn politiedossier viel ik van mijn stoel. Er stonden allerlei nooit onderzochte meldingen van mijn ex-partner in, die waren geregistreerd als ‘ontvoering’ of ‘huiselijke twist’. Toen snapte ik hoe het werkte. Jeugdzorg presenteert deze meldingen als feiten en onderzoekt die niet. Zo vond ik in een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming de mail van de recherchepsycholoog terug als ‘een melding in verband met de scheiding van de ouders’. Wat er echt aan de hand was, stond nergens. Rechters nemen vervolgens beslissingen op basis van rapportages die een vertekend beeld geven van de werkelijkheid.”

Ze vertelt dat ze EMDR-behandelingen kreeg omdat ze „getraumatiseerd” raakte „door de willekeur van dit rechtssysteem”. In 2019, na acht jaar onzekerheid en „een circus aan hulpverleners”, krijgt een van haar kinderen een strafvonnis wegens schoolverzuim. Op dat moment gaat bij Van Waterschoot het licht uit, zegt ze. Ze komt een half jaar thuis te zitten.

Eenmaal terug op de rechtbank besluit ze dat ze iets moet met haar ervaringen. Als familierechters niet aan waarheidsvinding doen en jeugdzorginstanties de onderliggende dossiers zo slordig samenstellen, staat de rechtspraak onder druk, denkt Van Waterschoot. Want uit aannames en haastige interpretaties volgen automatisch onjuiste beslissingen, net als de Belastingdienst met het terugvorderen van toeslagen deed.

Ze verdiept zich in allerlei wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat complexe scheidingen niet los gezien kunnen worden van „psychiatrische problemen, mishandeling of andere problematiek” bij een van de partners. In het buitenland, leest ze, worden gezinnen eerst gescreend op huiselijk geweld, voor er door een familierechter over hen wordt besloten.

Eind januari schrijft ze een opiniestuk in Mr. – samen met hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter. Daarin wijst ze op parallellen tussen de Toeslagenaffaire en falende jeugdbescherming. Op het „voortdurende rechtsstatelijke falen” en situaties waarin kwetsbare burger tegenover de machtige overheid staat.

Nu zal er wel wat loskomen, denkt ze, maar dat valt tegen.

Collega’s van de rechtbank Amsterdam moeten het artikel hebben gelezen, maar laten dat niet blijken. Ze klopt aan bij het ‘landelijk vakoverleg’ van de familierechters, maar ook daar staan ze niet open voor een gesprek. Haar pleidooi voor verandering, beseft ze, kan alleen landen als ze het verbindt aan haar eigen verhaal. En omdat haar zoon bijna volwassen is, durft ze het aan.

Na het interview in Mr. is alles anders. Een „enorme reis”, noemt ze de nasleep. Alleen al via LinkedIn krijgt ze duizenden reacties. Van mensen die haar vurig bedanken, van familierechtadvocaten en jeugdzorgmedewerkers, maar ook van wanhopige ouders die klem zitten en haar om hulp vragen. „In die gevallen schreef ik terug dat ik vanwege mijn ambt helaas geen advies mag geven en niet in overleg kan treden met burgers over individuele zaken.”

Ook de media en de politiek weten haar te vinden. Van de landelijke politie tot aan de Tweede Kamer, overal vertelt ze over de zwakke plekken in de jeugdbescherming en het familierecht. Maar binnen haar eigen beroepsgroep, zegt Van Waterschoot, blijft het zo goed als stil. „In Amsterdam vroegen ze me mijn persoonlijk verhaal te vertellen, maar het ging mij juist om de structurele gebreken. Alleen de rechtbank Noord-Nederland nodigde me uit mee te denken.”

Wel geeft kinderrechter Susanne Tempel, de landelijke woordvoerder familie- en jeugdrecht, een interview aan hetzelfde Mr. Haar boodschap: „Het is heel erg naar dat mevrouw Van Waterschoot zich niet gehoord voelt”, maar verder is er niets aan de hand, „jeugdrechters reflecteren al volop.” Van Waterschoot is verbaasd: „Contact met mij is er niet geweest. Ondertussen had ik wel een pittig gesprek met mijn gerechtsbestuur.”

Uiteindelijk krijgt ze een „verzoek om een onderhoud” van Jos Silvis, de (deze zomer gepensioneerde) éminence grise van de Nederlandse rechtspraak, die procureur-generaal is bij de Hoge Raad. Silvis wil het met Van Waterschoot hebben over hoe ver de vrijheid van meningsuiting van een rechter strekt. Op 30 juni praten ze op zijn kantoor een uur met elkaar, vertrouwelijk.

Loyaliteit

„Een van de gespreksonderwerpen: mijn loyaliteit aan de groep, aan de rechterlijke macht”, zegt Van Waterschoot. „Natuurlijk is mijn vrijheid van meningsuiting begrensd. Wij rechters praten niet over individuele gevallen, niet over lopende zaken. Maar er staat nergens in de beroepsvereisten dat een rechter tegen elke prijs loyaal moet zijn aan de groep, dat ik moet zwijgen als er uit allerlei rapporten blijkt dat er zaken niet goed gaan.”

Tussen Van Waterschoot en de rechtbank Amsterdam komt het niet meer goed. Op dinsdag 19 oktober stuurt ze een laatste, felle mail aan het bestuur. Er is dan net een rapport verschenen over een meisje dat door haar vader is doodgeschoten, met de conclusie dat de rechtbank in strijd met de wet handelde.

Het uitblijven van een in haar ogen passende reactie is de druppel. Ze legt per direct haar werk in Amsterdam neer.

Lees ook: De gescheiden vader, de top van Justitie en het verdwenen rapport

Ze gaat zich vanaf 1 januari volledig toeleggen op haar nieuwe werkomgeving, zegt Van Waterschoot aan haar keukentafel. Ze heeft nog twee maanden voordat ze in Noord-Nederland begint en rent tot die tijd van de ene herbezinningsbijeenkomst naar de andere. Vorige week was ze bij bestuurders van de jeugdbescherming in Rotterdam en praatte ze bij met Tweede Kamerleden.

De zelfreflectie waarvoor ze al die tijd heeft gepleit, lijkt op gang te komen. Na de bestuursrechters hebben ook jeugdrechters aangekondigd hun rol in de Toeslagenaffaire te onderzoeken. Ze kijken of ze onzorgvuldig te werk gingen bij het uit huis plaatsen van zeker 1.115 kinderen.

Van Waterschoot vindt het te beperkt: „Er is uitgebreider onderzoek nodig, ook naar andere structurele problemen in het systeem van jeugdzorg en familierecht.” Maar verandering gaat langzaam zegt ze, terwijl ze een boek uit de overvolle boekenkast trekt. Er zit een briefje in, opgestuurd door een kinderarts die haar bedankt voor haar moed. Het is een gedicht van Remco Campert uit de bundel Betere tijden. De slotverzen: jezelf een vraag stellen/ daarmee begint verzet / en dan die vraag aan een ander stellen.