Tanja Nijmeijer in de buurt van haar huis, in Colombia.

Foto Damien Fellous/MIRA-V

Interview

Oud-guerrillastrijder Tanja Nijmeijer: ‘Onze slachtoffers waren ‘de vijand’, pas later werden ze mensen voor mij’

Tanja Nijmeijer oud-FARC-strijder

Tanja Nijmeijer kijkt in een boek dat deze week verschijnt terug op haar jarenlange deelname aan de gewapende strijd van de Colombiaanse guerrillabeweging FARC. ‘Mijn moeder dacht dat ik gehersenspoeld was.’

Hond Camilla begint hard te blaffen. Tanja Nijmeijer stopt met praten en spitst haar oren. Haar vriend staat op – komt er iemand aan? Nee, loos alarm. „Maar we moeten waakzaam blijven”, verzucht Nijmeijer.

De scène herhaalt zich een paar keer tijdens het gesprek met Tanja Nijmeijer (43), ex-guerrillastrijder bij de links-marxistische guerrillabeweging FARC in Colombia. We bevinden ons in de bosrijke heuvels van de westelijke deelstaat Valle del Cauca waar ze nu woont. Ze zit aan een houten eettafel met koffie, drop en stroopwafels („gekregen van een Nederlandse vriend die in Colombia woont”) in een half afgebouwd huis, zonder dak en met nauwelijks muren. Samen met haar Colombiaanse vriend Boris, communicatiemanager en ook ex-FARC-strijder, leidt ze midden in de natuur een anoniem bestaan. „We voelen ons hier veiliger dan in de stad”, zegt Nijmeijer. „Sinds de vrede, vijf jaar geleden, zijn al bijna driehonderd ex-FARC-strijders vermoord. Ook wij lopen continu gevaar.” Hun huis bouwen ze zelf met behulp van instructiefilmpjes op YouTube.

Wat speelde zich af in haar hoofd toen ze zich als 24-jarige studente uit het Twentse Denekamp in 2002 aansloot bij de FARC (Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia)? Die vraag is haar vele malen gesteld, maar al minstens even vaak door anderen voor haar beantwoord. Vijf jaar na het vredesakkoord van 2016 tussen de FARC en de Colombiaanse regering, waarbij Nijmeijer betrokken was als onderhandelaar, vond ze het tijd haar eigen verhaal op te schrijven. „Iedereen vindt iets van mij. De Telegraaf, GeenStijl, iedereen heeft een mening. Maar ik vind ook wel iets van mezelf. Ik wilde opschrijven hoe het voor mij was om tien jaar lang guerrillastrijder bij de FARC te zijn.” Deze week verschijnt haar boek Van Guerrilla tot Vredesproces.

In het boek van vierhonderd pagina’s beschrijft Nijmeijer chronologisch haar jeugd („ik was brutaal, eigenzinnig en dominant”) en puberteit („onzeker en verlegen”) in Twente, en hoe ze tijdens haar studententijd in Groningen als stagiaire in Colombia terechtkwam. Daar is dan al tientallen jaren een burgeroorlog aan de gang tussen de FARC en de Colombiaanse regering, gesteund door paramilitaire groepen. Tanja Nijmeijer gaat Engelse les geven op een privéschool in het stadje Pereira in het zuiden van het land. Ze merkt weinig van de oorlog – die speelt zich vooral af op het platteland – maar de ongelijkheid in Colombia grijpt haar aan.

„Ik had mijn relatief beschermde leventje op de privéschool waar ik lesgaf aan kinderen van rijke ouders. Als stagiaire woonde ik in een zwaar beveiligd flatgebouw. Maar daarbuiten zag ik de armoede. In mijn vuilnis zaten mensen te wroeten op zoek naar eten. Ik trok die verschillen heel slecht, ik vond het onrechtvaardig. Maar wat kon ik daar in mijn eentje als stagiaire uit het rijke Nederland tegen doen? Ik voelde me machteloos. Tot ik dus in contact kwam met de ideeën van guerrilla.”

Hoe ging dat?

„Ik ben iemand die precies wil weten hoe de vork in de steel zit. Ik dacht: ik ga hier een jaar zitten, dan wil ik weten hoe het zit met die guerrilla. Maar ik kreeg steeds vage antwoorden als ik vragen stelde. ‘De guerrilla is fout, het leger is goed’, daar kwam het meestal op neer. Als ik doorvroeg, kreeg ik te horen dat de guerrilla bestond uit een stel slechte mannetjes die aanslagen pleegden. Vroeger hadden ze nog wel idealen gehad, nu zaten ze alleen nog in de drugshandel en ontvoerden ze mensen. Maar ik dacht: als ze zo slecht zijn, waarom is hun beweging dan zo groot? Intussen kreeg ik steeds intensiever contact met een wiskundelerares op school. Zij kon me wel antwoorden geven.”

In haar boek beschrijft Nijmeijer hoe deze wiskundelerares, een zekere Antonia, haar een andere kant van Colombia laat zien. Antonia blijkt zelf, zo wordt later duidelijk, lid te zijn van de stadsguerrilla, die FARC-acties uitvoert in de steden.

Het idee was dat er in vier bussen gelijktijdig een brandbom af zou gaan. Ik moest een van de vier bussen in brand steken

„Antonia begon me uitgebreider uitleg te geven over de oorlog en de strijd van de guerrilla, en dat vond ik superinteressant. Vooral hoe die strijd ook gericht was tegen de ongelijkheid in Colombia, waar ik me ook tegen verzette. Er was dus een groep mensen die het daar – net als ik – niet mee eens was. Omdat veranderen via de politieke weg niet lukte, hadden die mensen de wapens opgepakt. Ik vond dat indertijd een mooi idee: burgers die de wapens opnamen omdat de regering niet goed bezig was. Ik dacht: de Colombiaanse staat heeft ook wapens om zich te verdedigen. Als zaken niet goed gaan, de staat corrupt is en niet zorgt voor de mensen, dan heeft de bevolking ook het recht zich met wapens te verdedigen tegen de staat. Misschien was dat wel idealistisch gedacht – en vooral ook radicaal denk ik.”

Sta je daar nog steeds achter?

„Kijk, achteraf denk ik meer na over de humanitaire kosten van de oorlog in Colombia. Die waren te hoog. Het was op een gegeven moment duidelijk dat de oorlog geen winnaars had, alleen verliezers. Door het vredesproces waar we doorheen zijn gegaan, heb ik een andere visie gekregen. Maar het principe van: ‘als de staat er een potje van maakt, dan hebben mensen recht op rebellie’, dat vind ik nog steeds kloppen.”

Je moeder heeft – zo schrijf je in het boek – het idee dat Antonia jou bewust heeft geronseld. Als je moeder je veel later opzoekt in de jungle, hoopt ze dat je met haar mee terugkeert.

„Dat was inderdaad zo. Of beter gezegd: mijn moeder denkt dat ik toen gehersenspoeld ben. Maar voor mij was het vooral een proces van politieke bewustwording. Daarbij denk ik dat hersenspoeling in iedere maatschappij in zekere mate voorkomt. Ik zeg dan tegen haar: „Maar mam, ik ben in Denekamp toch ook gehersenspoeld door de katholieke kerk? Of door de Nederlandse media? En op school ben ik toch ook gehersenspoeld, bijvoorbeeld over de rol van Nederland in Indonesië? Ik ben zelf nieuwsgierig geweest, en ik was zelf op zoek naar antwoorden. Voor mij was de FARC destijds het antwoord op al het onrecht in Colombia.”

Nijmeijer voert eerst onschuldige acties uit voor de stadsguerrilla, zoals het uitdelen van pamfletten op de universiteit. Ze is 24 jaar als ze een stap verder gaat en met een colafles tussen haar benen, met een brandbom erin, in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá achterin de bus zit voor een aanslag.

„Het idee was dat er in vier bussen gelijktijdig een brandbom af zou gaan. Ik moest een van de vier bussen in brand steken. Tegenover mij in de bus zat een man die me aanstaarde. Hij heeft me door, dacht ik. Ik moest snel handelen. Vlak voor een bushalte de filter in de fles doen, zwavelzuur erbovenop gooien. Het zwavelzuur gaat door het sigarettenfilter en dat geeft tijd om weg te komen, voor de buspassagiers maar ook voor mij. Toen ik het busstation uitliep ben ik gaan rennen. Ik heb snel mijn haar losgemaakt en mijn jack om mijn middel gebonden zodat ik er heel anders uitzag. De politie liep me tegemoet maar ze liepen me voorbij, regelrecht naar de brandende bus.”

Toen ik die scène in je boek las, dacht ik: hoe maak je die omslag in je hoofd, van ideaal, naar geweld, naar een aanslag?

„Dat wordt me vaker gevraagd, mensen missen een schakel in het verhaal. Ik weet het niet, voor mij was het toentertijd logisch. Ik steunde de gewapende strijd, en dan hoorden dit soort acties erbij. Dit was de gewapende strijd.”

Nijmeijer leert in die tijd basisvaardigheden als hutten bouwen, hout halen, poepkuilen graven, en krijgt schietlessen. Later moet ze ook lange afstanden afleggen met een rugzak van twintig kilo. Hoewel ze in de loop van de tijd steeds vaker worden opgejaagd door het leger, en van kamp moeten wisselen, leeft bij haar en haar medestrijders het idee dat ze de oorlog gaan winnen.

„We waren ervan overtuigd dat de overwinning zou komen en we net als was gebeurd met Fidel Castro in Cuba, met onze geweren op de schouders Bogotá zouden binnenrijden, toegejuicht door de bevolking. Als ik daar niet in had geloofd, had ik me nooit aangesloten. Dit gaat ergens naar toe, was het idee, we vechten voor ons ideaal, dit gaat ons lukken. Misschien was dat naïef, want de oorlog duurde al langer dan veertig jaar. Maar de FARC was een goed georganiseerd leger van zo’n vijftien- tot twintigduizend man, met een strategisch plan.”

In Nederland heeft tot 2007 vrijwel niemand van Tanja Nijmeijer gehoord. Dat verandert als tijdens een overval op haar kamp haar dagboeken worden gevonden. Ze worden vertaald en delen eruit worden gepubliceerd. Nijmeijer schrijft behalve over haar dagelijks leven ook over machtsmisbruik binnen de FARC en andere zaken die haar dwars zitten. Na de vondst – voor haar een zwarte bladzijde – moet ze zich opnieuw bewijzen binnen de FARC. Er wordt getwijfeld aan haar integriteit.

Seks in de jungle mocht alleen op vaste dagen en vaste tijden

„Het vertrouwen was weg en ik moest vanaf dat moment het keiharde werk doen. Het kostte jaren om het vertrouwen te herstellen, zeker tegenover de leiding. Dat waren voor mij de zwaarste jaren, maar ik ben toen wel gehard. Ik heb toen pas echt geleerd wat het betekent om een guerrillera te zijn.”

Met de vondst van je dagboek lag ook je liefdesleven op straat. Je werd verliefd en had relaties, zo was te lezen, daar was dus ruimte voor?

„Er was ruimte voor relaties maar je had weinig privacy, hutjes waren pal naast elkaar gebouwd. Mijn Nederlandse vriendin vroeg me altijd: hoe heb je dan seks in de jungle? Nou dat mocht dus alleen op vaste dagen en vaste tijden. Bijvoorbeeld op de woensdag- en zondagavond van zeven tot tien. Ik vond dat geforceerd maar de commandant zei: het kan niet anders, ik moet weten bij wie mijn troepen zijn voor het geval we overvallen worden.”

Tanja Nijmeijer ging ervan uit dat ze de rest van haar leven in de jungle zou blijven, schrijft ze – tot in 2013 een vredesproces op gang kwam. Ze vertrekt naar Havana om namens de FARC een prominente rol te vervullen in de onderhandelingen. Na jaren ontmoette ze daar weer haar ouders en zussen. „Ik realiseerde me toen welke impact mijn keuzes op hun leven hebben gehad, zij hebben er immers niet voor gekozen dat ik bij de FARC ging.” Wat haar ook aangrijpt is het contact dat ze tijdens de onderhandelingen voor het eerst krijgt met slachtoffers van de FARC.

Foto DAMIEN FELLOUS/MIRA-V

„In de jungle sta je niet in contact met slachtoffers. Nu hoorde ik uit hun verhalen wat oorlog met iemand doet, hoe families uit elkaar gerukt worden. Dat greep me aan. Verhalen over ontvoeringen bijvoorbeeld. Bij de guerrilla leeft het idee: een oorlog is duur, we hebben geld nodig. Mensen die geen belasting betalen aan de regering gaan naar de gevangenis; dan gaan mensen die ons geen belasting betalen naar onze gevangenis. Dat was het idee.”

Was het contact met de slachtoffers een omslag?

„Jazeker, voor mij werden zij ineens mensen. Bij de FARC leer je ze als collectief te zien, als ‘de vijand’. Ik heb daarna vaak in collectief verband spijt betuigd, ook voor zaken waar ik niets mee te maken had, zoals ontvoeringen waar ik niet bij betrokken was. Ik kan mezelf nog steeds recht in de ogen kijken.

„Ik zou nooit vergiffenis vragen voor het feit dat ik bij de FARC ben gegaan, of dat ik een gewapende strijd heb gevoerd. Maar ik kan wel vergiffenis vragen aan een individu dat daardoor verdriet heeft gehad. Ik kan me voorstellen dat het zo iemand helpt om dat van mij te horen.”

Hoewel Nijmeijer zich door het vredeproces in Colombia vrij kan bewegen, is het land tegelijk een grote gevangenis voor haar. Ze kan niet reizen, want staat nog op een lijst van Interpol voor betrokkenheid bij de ontvoering van drie Amerikanen. Tijdens een verhoor heeft ze hun woorden vertaald voor de FARC-leiding.

De tol van haar keuzes voelt ze nog iedere dag, onder meer door lichamelijke klachten als een versleten ruggenwervel, een gevolg van alle zware tochten. En een onvervulde kinderwens: ook dat is mogelijk een gevolg van het schrale leven in de jungle denkt ze. Ze heeft heimwee naar Nederland, maar realiseert zich dat ze er waarschijnlijk nooit meer heen kan. „Ik weet dat ik gearresteerd zal worden zodra ik naar Nederland ga. Daarom zal ik mijn vader waarschijnlijk niet meer zien. Hij kan niet meer reizen en ik kan niet naar Nederland. Dat is pijnlijk, maar het is de consequentie van mijn keuzes.”

De vrede is nu vijf jaar oud. Zijn je idealen werkelijkheid geworden? Is Colombia een rechtvaardiger land geworden, met een betere verdeling van de welvaart?

„Helaas niet. Er is nog steeds veel geweld, er worden veel sociale leiders vermoord en er is grote armoede. Het Colombia van nu laat eigenlijk zien dat de gewapende strijd wel gerechtvaardigd was, alleen is het mislukt en bleek het niet de oplossing. Ik probeer nu via een coöperatie die ik opzet met andere ex-FARC-strijders een economische tegenhanger te bieden aan de heersende klasse, en zo mijn steentje bij te dragen aan een beter Colombia.”