Opinie

Laat rijken betalen voor het klimaat

Klimaat Na de verzorgingsstaat is het tijd voor de klimaatstaat, menen en . Ook deze keer moeten de rijken de lasten dragen.
Een steeg in Amsterdam in 1916.
Een steeg in Amsterdam in 1916. Foto Spaarnestad/ANP

Het klimaatprobleem is in een paar jaar tijd van een linkse hobby tot een alom erkende crisis getransformeerd. En dus formuleren regeringsleiders op de klimaattop in Glasgow deze dagen andermaal ambitieuze streefcijfers over de reductie van CO2-uitstoot en de beperking van de opwarming van de aarde.

Maar streefcijfers hebben alleen betekenis als ze worden gedragen door daadkrachtig beleid. En daar ontbreekt het aan. Het huidige beleid is vooral gericht op individuele burgers en bedrijven. Burgers moeten energiebesparende maatregelen voor hun woningen nemen, bedrijven moeten hun CO2-uitstoot en energieverbruik verminderen. Overheden verplichten zichzelf om windmolens te plaatsen, al rekenen ze daarbij op veel tegenstand en dus beperkt succes.

Dat verzet is niet alleen te verklaren uit ‘NIVEA- gedrag’ (Niet In mijn Voor- En Achtertuin), maar ook uit het gebrek aan wenkend perspectief. Klimaatbeleid drijft vooral op angst en onzekerheid: als we niets doen, gaan we eraan. Maar angst leidt niet tot opofferingsgezindheid – wel tot krampachtig pogen te houden wat je hebt, want je weet maar nooit wat de toekomst je nog zal afnemen.

We hebben dus een ‘streefbeeld’ nodig: naar welke energiezuinige groene samenleving zijn we op weg? Hoe komen we over twintig jaar aan onze energie en ons eten, en wat is dan de rol van boeren en tuinbouwbedrijven? Het klimaat vraagt niet alleen een technische maar vooral om een spectaculaire sociale revolutie.

Kunnen we dat aan? De geschiedenis geeft reden tot een optimistisch antwoord. De revolutie die nu nodig is, doet denken aan de revolutie die vooraf ging aan de vorming van de verzorgingsstaat. Er zijn opvallende parallellen tussen onze klimaat- en milieuproblematiek nu en de sociale problematiek van de negentiende eeuw.

Kelders vol ongedierte

Net als in de afgelopen vijftig jaar ondergingen westerse samenlevingen in de eerste helft van de negentiende eeuw grote veranderingen. Industrialisatie leidde tot een massale trek naar de stad, waar mensen in zeer armoedige en ziekmakende omstandigheden woonden en werkten. Grote gezinnen zaten bij elkaar in vieze, donkere kelders vol ongedierte. Toilet en stromend water ontbraken. Kinderen hadden geen recht op onderwijs en hoewel arbeiders en hun kinderen van vroeg tot laat in lawaaiïge en gevaarlijke fabrieken werkten, leden ze alsnog honger. Er braken epidemieën uit. Wie ziek was, had geen inkomen. En overleed de kostwinner als gevolg van een bedrijfsongeval, dan kreeg zijn gezin geen cent.

Doordat rijk en arm bij elkaar woonden in die dagen, werden ook de rijken getroffen. Stank en ziektes immers waaiden gemakkelijk van de straatarme Jordaan naar de sjieke Amsterdamse grachten.

Vanaf 1850 werd het steeds meer mensen duidelijk dat er iets moest gebeuren. Toch bleef men nog vijftig jaar vooral praten. Pas vanaf 1900 werden er ingrijpende maatregelen ingevoerd – toen duurde het nog zestig jaar voordat die ellendige levens echt verleden tijd waren, en dan alleen in rijke, westerse landen.

Er zijn parallellen tussen onze klimaatproblematiek nu en de sociale problematiek van de negentiende eeuw

Waarom duurde het zo lang? Ten eerste omdat de rijken de armen de schuld gaven van hun ellende. Die waren onbeschaafd, zo redeneerden de rijken. De armen hadden te weinig karakter om geld te sparen en zo zelf uit de armoede te geraken. Sommige armen geloofden dat zelf ook en richtten ‘spaarverenigingen’ op. Toen bleek dat al snel dat ze eenvoudig te weinig verdienden om te kunnen sparen.

Rijken zochten in de negentiende eeuw hun heil in de nieuwe buitenwijken, waar ze niet langer met de armen hoefden samen te wonen. In de binnensteden bleven arm en rijk wel door elkaar wonen. Rijke mensen hadden arme mensen ook nodig, bijvoorbeeld om hun huizen schoon te maken en hun eten te koken. Die nabijheid maakte dat ook de rijken in de buitenwijken werden getroffen door cholera-epidemieën die ze nu juist dachten te ontvluchten.

Zo ontstond het idee dat er iets aan de inrichting van de stad moest veranderen. De steden moesten schoner, de arbeiders moesten beter worden betaald en worden beschermd tegen werkloosheid en ouderdom. En daarbij, arme mensen moesten toch iets leren, al was het maar omdat ze dan productiever zouden zijn.

Kortom, armoede en ziekte bleken niet te worden opgelost met een beroep op individueel gedrag. Arbeiders kónden niet sparen, want ze verdienden te weinig. Ze kónden zich nauwelijks wassen, want ze hadden geen schoon water. Zo begonnen de mensen te beseffen dat armoede een collectief probleem was, dat alleen door middel van grootschalige collectieve voorzieningen kon worden opgelost. Zoals riolering en schoon leidingwater, maar ook het recht op een uitkering bij ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid, en onderwijs.

Cruciaal daarbij was dat de diagnose van het probleem in die negentiende eeuw verschoof: de oorzaak was niet langer individueel wangedrag maar lag in het gebrek aan infrastructuur en collectieve voorzieningen. Voorzieningen die de hele inrichting van de samenleving zouden veranderen en die voor iedereen zouden gelden, maar vooral veel van de rijken zouden vragen. Zij zouden immers veel belasting moeten gaan betalen, veel meer dan de armen, terwijl ze zelf geen verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid nodig hadden en ook hun eigen riolering en onderwijs wel konden regelen.

De rijken hebben zich dan ook lang verzet tegen de verzorgingsstaat. Maar toen de voorzieningen eenmaal waren gerealiseerd, werden ze heel snel aanvaard. Ook de rijken hadden er voordeel bij dat besmettelijke ziektes aantoonbaar minder schade aanrichtten. Het verzet verstomde daardoor vrijwel onmiddellijk.

Die omslag van individuele naar collectieve verantwoordelijkheid was ongelooflijk groot. Individuele burgers hoefden niet langer zelf het probleem van armoede en honger, ziekte en stank op te lossen. Nu boog de overheid zich erover, vooral door de rijken te belasten en bedrijven mee te laten werken.

Lees ook Dit interview met de Franse milieuminister Barbara Pompili: „Glasgow is niet de top van de laatste kans”.

Havermelk en zuinige meters

Zo kan het met ook met de klimaatproblematiek gaan. Net als in 1900 is er nu ruim vijftig jaar alarm geslagen. Denk aan het boek Dode Lente van biologe Rachel Carson (jaren zestig) en het rapport De grenzen aan de groei van de Club van Rome (jaren zeventig). En net als toen blijft het bij praten, doordat het probleem vooral wordt gezien als iets dat individuele burgers, boeren en bedrijven zélf moeten oplossen. Burgers door middel van zuinige meters, havermelk en ramen met driedubbel glas; boeren en bedrijven met hulp energiebesparende en CO2-reducerende technieken die ze zelf moeten aanschaffen.

Maar net als in de negentiende eeuw is het duidelijk dat er meer moet gebeuren, veel meer, en dat we dat alleen realiseren als we sámen onze maatschappij klimaatneutraal maken. Een enorme collectieve inspanning dus en hoogste tijd om aan collectieve oplossingen te werken.

Kunnen we collectieve voorzieningen ontwerpen, vergelijkbaar met het rioleringsstelsel (tweede helft negentiende eeuw), de Leerplichtwet (1901) en de Woningwet (1901)? Ja. Zo kunnen we alle snelwegen vervangen door wegen voor openbaar vervoer, of ervoor zorgen dat alle daken zonnepanelen krijgen. Ook kunnen we zonnepanelen verplicht stellen voor alle bedrijven en alle nieuwe huizen, en ervoor zorgen dat alle boeren milieuvriendelijk boeren, en dat dit ook lucratief wordt.

Rijke mensen zullen hier meer voor gaan betalen. Maar net als bij de verzorgingsstaat is dat ook in hun belang, want met alleen eigen, verstandige keuzes valt de opwarming van het klimaat niet te beperken, net zoals dergelijke keuzes indertijd niet de armoede indamden.

Een klimaatwereldstaat

Er is echter één groot verschil tussen de sociale kwestie in de negentiende eeuw en de klimaatproblematiek in deze eeuw: de schaal. De verzorgingsstaat kon op nationale schaal worden georganiseerd, maar de klimaatproblematiek (en daarmee de klimaatstaat) overstijgt nationale grenzen. We hebben mondiale oplossingen nodig. Een klimaatwereldstaat.

Er worden gelukkig wel grensoverschrijdende afspraken gemaakt. Maar daarna is het veelal aan nationale staten om te bepalen hoe zij die afspraken nakomen. Dat moet in de komende honderdvijftig jaar anders: we hebben instituties nodig die mondiaal klimaatbeleid kunnen organiseren. Dat moeten democratische instituties zijn; geen dictators die in naam van het klimaat de democratie uitschakelen.

De geschiedenis van de verzorgingsstaat leert ons twee lessen. Ten eerste: zolang we het klimaat als een individueel probleem zien, op te lossen door individuele burgers, boeren en bedrijven, krijgen we vrijwel niks voor elkaar. We moeten het als een collectief maatschappelijk probleem accepteren, dat om collectieve oplossingen vraagt. Pas dan kunnen we boeren, burgers en bedrijven vragen ook verantwoordelijkheid te nemen.

Ten tweede: het kan. We konden destijds mensonterende armoede oplossen met een groots plan en een wenkend perspectief. Een enorme klus, maar we hebben ’m geklaard: de verzorgingsstaat is gerealiseerd. Nu is het tijd voor de klimaatstaat: collectieve maatregelen die vooral van rijke mensen offers vragen maar ons aller leven drastisch zullen verbeteren.