Bram Bakker: „Collega’s zijn me liever kwijt dan rijk.”

Merlijn Doomernik

Interview

Ex-psychiater Bram Bakker: ‘Ik worstel net zozeer met het bestaan als jij’

Bram Bakker ex-psychiater

Traumatische ervaringen die hij diep had weggestopt kwamen boven nadat psychiater Bram Bakker was gescheiden. Nu pas ziet hij hoezeer die zijn gedrag en loopbaan hebben bepaald. Onlangs besloot hij dat hij geen psychiater meer wil zijn.

Bram Bakker (58) heeft er lang over nagedacht. Jaren zelfs. Maar een jaar voordat hij zijn registratie als psychiater moest verlengen stond zijn besluit vast: hij ging afscheid nemen van de psychiatrie. Inmiddels is de datum voor verlenging verstreken, en mag hij de titel ‘psychiater’ officieel niet meer voeren. Hij is nu ‘gewoon arts’, mag nog wel recepten voorschrijven.

De datum passeerde bijna ongemerkt, vertelt hij monter, alsof er een last van zijn schouders is gevallen. En toch was het een grote beslissing, benadrukt hij. „Vergelijkbaar met een echtscheiding. Ooit was mijn vak een felbegeerd meisje op afstand. Ik deed enorm mijn best om in haar buurt te komen. Uiteindelijk werd het wat. We raakten verliefd en we trouwden. Totdat ik merkte dat het helemaal geen goed huwelijk meer was.”

Wie heeft wie verlaten?

„Ik ben weggegaan. Maar geen van mijn collega’s heeft geprobeerd me te laten blijven. Dat is voor mij een van de grote pijnpunten: ze zijn me liever kwijt dan rijk.”

Zegt dat iets over je beroepsgenoten of over jou?

„Over allebei. Ik kon het niet meer opbrengen. Wat het extra lastig voor me maakte, was dat het geloof in psychiatrische ziektebeelden in de beroepsgroep zo weinig ter discussie wordt gesteld. Is een depressie wel een hersenziekte? Of verschilt dat per patiënt? Bovendien is de beroepsuitoefening waartoe ik als psychiater verplicht werd extreem knellend en benauwend geworden. Ik hou bijvoorbeeld geen dossiers bij, schrijf vrijwel nooit iets op. Dat mag van de beroepsgroep absoluut niet. Terwijl ik dat helemaal niet nodig heb. Ik onthoud het. Als ik iets niet onthoud vraag ik het de volgende keer gewoon nog een keer.” En hij schrijft papieren recepten. Dat is bij wet verboden. Maar bij de patiënten die hij behandelde kon het vaak niet anders, zegt hij. „Ik heb bekende mensen – onder wie politici – onder behandeling gehad die niet in dossiers wilden staan waarover ze zelf als politicus geadviseerd hadden. Zelfs een directeur van een grote zorgverzekeraar die liever zelf betaalde omdat hij beslist niet in het systeem geregistreerd wilde worden. Want de mensen mochten er eens achterkomen… Als zo’n man toch slaappillen wilde, schreef ik een papieren recept. Vervolgens waren hij en ik afhankelijk van de goodwill van de apotheek. Meestal zei die: ‘u mag uitsluitend digitaal voorschrijven, meneer Bakker’. Waarom is dat dan? ‘Ja, dat weten wij ook niet. Dat is nou eenmaal de wet’.” Hij lacht schamper, zegt dan: „En nu ben ik dus eindelijk van die richtlijnenterreur verlost.”

Gaat de scheiding gepaard met verdriet?

„Zeker. Het is een soort rouw, met z’n eigen beloop. Het vak is me altijd enorm dierbaar geweest. Maar er komt nu ook een eind aan het lijden. Ik heb het vaak niet leuk gehad.”

Waar zat dat lijden precies in?

„In dat altijd maar in je eentje rondploeteren. Ik ben met geen enkele psychiater bevriend. En ik ken er echt veel.”

Bram Bakker botste geregeld met de gevestigde orde in zijn vak. Dat hij meermalen publieke figuren op afstand van psychiatrische beoordelingen voorzag, wekte de woede van collega’s. Zo karakteriseerde hij in 2009 DSB-eigenaar Dirk Scheringa in een tv-interview als „een boef die zich presenteert als slachtoffer” en iemand die zich de positie aanmeet van „underdog of Calimero”. De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) distantieerde zich in een persbericht van Bakkers uitlatingen, die Scheringa „ernstig in diskrediet” zouden hebben gebracht. „Ik was woedend, omdat het volgens mij vrijheid van meningsuiting betrof. Dat was de eerste echte scheuring.”

In de jaren daarna herhaalde het patroon zich. Bakker bleef uitspraken over uiteenlopende publieke figuren doen, van voetbaltrainer Louis van Gaal tot verdachte en later veroordeelde Joram van der Sloot, wat steevast leidde tot een schrobbering of berisping van de NVvP. Veel collega’s vonden hem een hinderlijke aandachtstrekker. „Ik mocht niet aan publieke diagnostiek doen, terwijl collega’s mij op hetzelfde moment in het openbaar betichtten van een narcistische persoonlijkheidsstoornis.”

Hij was begonnen aan het vak met hoogstaande idealen. Op zijn vijftiende las hij Wie is van hout van psychiater Jan Foudraine. Dat boek – over onder meer schizofrenie – maakte diepe indruk. „Dat wilde ik ook: net zo lang spitten en graven totdat menselijk gedrag verklaarbaar wordt. Want niet de ménsen zijn gek, maar de wereld.”

Zijn vader had twee broers met beiden een psychiatrische geschiedenis. Dat waren zijn leukste ooms. „Ik vond ze helemaal niet gek. Integendeel. Ik dacht: als dat gek is, dan is ‘gek’ best leuk.” Als beginnend psychiater wilde hij al niets liever dan mensen helpen. Daarom deelde hij zijn mobiele nummer met zijn patiënten, zodat ze hem in geval van nood altijd konden bereiken. „Ik vertrouw mijn patiënten, en ga ervan uit dat ze me niet bellen met flauwekul. Collega’s vonden dat volstrekt verwerpelijk. Maar als ik mij geroepen voel om ’s nachts om drie uur voor iemand mijn bed uit te komen dan is dat toch een zegen voor de patiënt? Dat zouden veel meer collega’s moeten doen. Maar nee, daar dachten zij anders over. Professionele distantie was het codewoord. Je mag nooit iets van jezelf laten zien. Dan denk ik direct aan die tekening van Peter van Straaten. Een patiënt vraagt aan de psychiater: ‘heeft u zelf kinderen?’. Waarop die psychiater zegt: ‘waarom wilt u dat weten?’.”

Zijn aanpak was vaak onorthodox. „Ik werkte ooit mee aan een tv-documentaire. Daarin zat een vrouw met tunnelangst. Ik zei: ‘kom op, we rijden samen door de Coentunnel. Ik zit naast je, dus er kan je niks gebeuren. Daarna doe je het een paar keer alleen.’ En wat denk je: sindsdien kan ze elke tunnel aan. Ik kreeg direct bestraffend commentaar van collega’s: ons vak oefenen wij uit in de spréékkamer!”

Heel lang heeft Bakker zijn werk beschouwd als het mooiste vak ter wereld. „In mijn werk hoor je verhalen die partners, ouders of kinderen nog nóóit gehoord hebben. Dat is zo ongelofelijk spannend en intiem. Je probeert voortdurend naar de kern van die ander te gaan.”

Lees ook dit interview met Bram Bakker ‘Zonder hardlopen zou ik een stuk gekker zijn’

Hij heeft zich wel altijd meer psychotherapeut dan psychiater gevoeld; hij zag vaak meer in gesprekken dan in pillen. „De therapeut is een procesbewaker. Jij en ik maken samen een behandelplan. Vervolgens begeleid ik jou. Dat is steeds moeilijker geworden. De psychiater anno 2021 is een diagnose-labeltjesplakker, een DSM-stickeraar en een medicijn-voorschrijver. Want dat laatste mag alleen hij. Dus al die ggz-instellingen laten ’m vooral dat ene stukje doen. Als je wordt ingeroosterd voor een intake ben je die patiënt daarna per definitie kwijt. Want jij bent veel te duur om de verdere behandeling te doen. Terwijl ik mensen liever net zolang spreek als ik denk dat nodig is.”

Waarom kreeg je al snel de reputatie van tegendraadse schreeuwlelijk? Zocht je bewust de confrontatie?

„Pr-technisch heb ik zo ongeveer alles verkeerd gedaan. Ik was ijdel, kreeg enorm veel media-aandacht. In mijn eerste boek introduceerde ik het begrip ‘postcode-psychiatrie’. In Amsterdam werd op basis van je postcode bepaald waar je werd opgenomen. Dus kreeg je serieuze discussie over de vraag of een zwaar verwarde man in het Vondelpark nou naar Oud-West of naar Oud-Zuid moest. Ik maakte dat in mijn boek belachelijk. Dat namen ze me niet in dank af.

„In de gelukkige jaren van mijn huwelijk met de psychiatrie was ik volledig overtuigd van de vooruitgang in het vak. In die tijd was ik een groot aanhanger van de farmaceutische industrie: iedereen met paniekaanvallen aan de Seroxat. Ik was ervan overtuigd dat we daarmee het goede deden – later ben ik dat anders gaan zien.

„Maar ik ging vooral steeds meer twijfelen aan de methodiek. De helft van alle meisjes met anorexia heeft een verleden van seksueel misbruik. Dan moeten er dus twee soorten behandeling zijn, lijkt mij: een voor de ene helft en een voor de andere. Maar nee, alle anorexia wordt op dezelfde manier behandeld. Dan wordt één op de twee groepen dus niet optimaal geholpen. Stel dat je honderd mensen een broodje kaas geeft en honderd mensen een broodje ham. Je vraagt vervolgens of ze hun broodje een rapportcijfer willen geven. Het broodje kaas scoort hoger. Dan is de conclusie in mijn vak vaak: vanaf nu krijgt iedereen dus een broodje kaas. Dat klopt toch niet?”

Of hij een goede psychiater was? Dat kan hij van zichzelf niet zeggen. Hij is er in elk geval altijd vol overgave ingegaan. Die passie en betrokkenheid mist hij bij veel beroepsgenoten. Hij is heus niet de enige die het vak vaarwel zegt, bezweert hij. „Vooral veel goede collega’s houden er gedesillusioneerd mee op. Voor de anderen is het een uitermate prettig beroep. Psychiatrie is een perfect deeltijdvak geworden. Je gaat op de polikliniek angststoornissen werken. Drie dagen per week, met overzichtelijke kantoortijden van negen tot vijf. Als je maar geen gekke dingen doet kun je rustig tot je pensioen blijven zitten, met een prima inkomen.”

In je nieuwe boek ‘Gevoelsarm’ schrijf je: „Een van de redenen dat ik liever toch geen psychiater meer ben: de titel ‘psychiater’ suggereert meer kennis en deskundigheid dan er feitelijk is.”

„Dat meen ik helemaal. Psychiaters zijn echt niet beter dan de mensen die wij proberen te helpen. Kijk naar de zelfmoordcijfers, naar het verslavingspercentage; wij scoren het hoogst van alle artsen. Bij de loodgieter thuis lekt de kraan nou eenmaal het hardst. Wij zitten dit vak allemaal te doen omdat het over onszelf gaat.”

De chirurg wordt toch ook geen chirurg omdat hij zichzelf zo graag snijdt?

„Chirurgen zijn veel minder neurotisch. Dit vak is onlosmakelijk verbonden met wie je zelf bent. Ik worstel net zozeer met het bestaan als jij.”

Dergelijke inzichten zijn de laatste jaren pas echt gerijpt. Vooral omdat het leven hem duchtig door elkaar schudde. Hij ging bijvoorbeeld scheiden. „Daardoor kwam ik emotioneel in de knel.” Vervolgens werd hij ziek: zijn evenwichtsorgaan bleek ernstig ontregeld. Het bleek te gaan om een defect in het cerebellum (de kleine hersenen). „Daardoor kwam er van alles aan emoties naar boven.”

Na anderhalf jaar was hij hersteld. Maar de inzichten die in die periode opwelden zijn gebleven. Bijvoorbeeld het besef hoe eenzaam hij zich als jongen thuis in het gezin in Zwolle voelde. Dat er vaak klappen vielen was nog niet eens het ergste. Het gebrek aan liefdevolle aandacht sloeg pas echt wonden. „Ik was als kind altijd bang dat mijn moeder boos zou worden. Ik maakte me vaak zorgen over haar en voelde me verantwoordelijk. Veel hulpverleners zijn bekwaam in het zorgen omdat ze al jong voor hun ouders moesten zorgen. Parentificatie heet dat. Jij moet zorgen dat het thuis goed gaat, jij mag dus niet voor onrust zorgen.”

Je schrijft in je boek: „Het gevoel dat ze het niet goed doet zit mijn moeder danig in de weg en wordt af en toe zo hevig dat ze niet anders meer kan dan zich terugtrekken uit het contact: ze vlucht letterlijk. Het effect daarvan op mij is van onbeschrijflijke eenzaamheid.”

Terwijl ik het voorlees zie ik dat het hem ontroert. „Ik heb inderdaad niet de emotionele binding met haar die ik ambieer. En waarschijnlijk is dat omgekeerd ook zo. Dat is een verdrietig besef.”

Er kwamen in die periode van opborrelende inzichten onverwachts ook pijnlijke herinneringen naar boven aan „zeer traumatische ervaringen”. „Terwijl ik die jarenlang krachtig en doeltreffend had weten te verdringen.” Hij weet niet of hij er wel over wil praten. Het blijft een erg ongemakkelijk onderwerp. „Iets waar ik me enorm voor geneer.” Aan de andere kant: hij mag er ook niet voor weglopen, concludeert hij vervolgens zelf. Hij is, vertelt hij dan, als jongen seksueel misbruikt, door oudere vrouwen. „De eerste keer was ik veertien. Zij was bijna dertig en pikte me op uit de disco. En ik dacht dat dat enorm stoer was. Het was een heel nare ervaring voor me. Later gebeurde het nog twee keer, toen ik achttien, negentien was. Gek genoeg heb ik daar daarna altijd zorgvuldig omheen gemanoeuvreerd. Ik heb veel mensen met seksuele trauma’s geholpen. In het zoeken naar antwoorden voor hen was ik onbewust aan het zoeken naar antwoorden voor mezelf. In combinatie met het complexe contact met mijn moeder kom je dan wel uit op het grote issue in mijn leven: mijn gecompliceerde relaties met vrouwen. Dat is een rode draad in mijn leven. Terwijl ik dat zelf totaal niet zag. Moet je je vóórstellen: ik ben als psychiater jarenlang met mensen aan het werken aan hun seksuele trauma en ik wíst niet eens hoeveel last ik er zelf van had. Dat is toch idioot? Ik kwam er pas achter toen ik na mijn scheiding in een nieuwe relatie last kreeg van herbelevingen. Zo werkt het met trauma: het zit ergens diep in het systeem verstopt en ineens komt het omhoog.” Hij wil het niet als excuus aanvoeren, maar het heeft zijn opstandige gedrag in de afgelopen decennia ongetwijfeld mede bepaald, denkt Bakker. „Door dit soort ervaringen word je strijdbaar. Vandaar die grote bek.”

Heb je jezelf via het vak kunnen helpen?

„Ongetwijfeld. Al heeft het lang geduurd eer het inzicht kwam.”

En wat heb jij het vak gebracht?

„Eerlijkheid. Waar ik het meest tevreden over ben is dat ik me nooit door angst heb laten leiden. Dat ik nooit de makkelijkste weg heb gekozen, maar juist de confrontatie aan ben gegaan. Ook al was dat vaak niet verstandig, ik heb altijd voor mijn zaak gestaan. Niet vermijden, maar durven. Altijd kiezen voor beweging, voor voortgang. Ook al gooi je er je eigen glazen mee in.”