Wessel te Gussinklo studeerde psychologie in Utrecht en in Zürich. Rond zijn twintigste begon hij met schrijven. Hij schrijft zijn verhalen in een schriftje aan de keukentafel bij kaarslicht.

Foto Arie Kievit

Interview

Wessel te Gussinklo: ‘Niemand schrijft zoals ik’

Wessel te Gussinklo Zijn roman Op weg naar De Hartz staat op de shortlist van de Boekenbon Literatuurprijs, die op 11 november wordt uitgereikt. Of de 80-jarige schrijver nog een opvolger schrijft, valt nog te bezien. „Speculatie kan juist een bron van wijsheid zijn.”

Een interview met Wessel te Gussinklo heeft wel wat weg van een walvisvaart. Het grootste deel van de dag is de in Zeeland woonachtige schrijver namelijk onzichtbaar, is hij onbereikbaar voor de buitenwacht. Hij is thans te zwak van gezondheid om iemand lang te woord te staan. Te woord te staan zoals hij dat wil, in de hoogste versnelling en intellectueel, zodat de interviewer hooguit een uur heeft om zijn vragen op hem los te laten. Dan steekt Te Gussinklo het hoofd even boven de waterlijn uit en spuit hij enthousiast zijn ideeën, opvattingen en interpretaties van eigen en andermans werk in het rond. Eenmaal op dreef klinkt hij echter als vanouds, redeneert hij de boel soms vloekend bij elkaar („Jezus Chrrrristus”) en zou je zomaar vergeten dat hij afgelopen maart bijna het loodje legde toen hij met acute hartproblemen in het ziekenhuis belandde. Het was kantje boord en even dacht hij ook zelf dat het einde nabij was. „Ik lag daar en deed niks anders dan het herhalen van een mantra: ‘ik ben een steen, ik ben een steen’.”

Het zal geholpen hebben, want stervende is de 80-jarige niet en een steen zal er zo een-twee-drie niet op zijn buik liggen, maar of zijn hartprobleem nog tot het verleden zal gaan behoren, is maar de vraag. Voor het schrijven zou het nodig zijn. Wil er nog wat nieuws komen na het vuistdikke Op weg naar De Hartz, wat zeer zeker zijn wens is, dan heeft hij meer zuurstof nodig dan waar hij nu over beschikt. „Als ik nu een bladzijde schrijf, dan moet ik er een week van uithijgen. Het is een veeleisende bezigheid, dat moet je niet onderschatten. Dat zie je ook aan collega’s. Die scheien er soms al op hun zestigste mee uit.”

Tot zijn 73ste werd Te Gussinklo één keer genomineerd voor de twee grote literaire prijzen van ons land, de Libris en AKO Literatuurprijs (nu Boekenbon Literatuurprijs). Maar vanáf zijn 73ste liefst viermaal: Zeer helder licht, zijn terugkeer als romancier, voor de AKO; de even swingende als naargeestige jazz-Dostojevski-cocktail De hoogstapelaar voor allebei (waar hij er bovendien één van verzilverde) en nu dus ook weer een nominatie voor Op weg naar De Hartz, een turf die, zoals eigenlijk altijd met een roman van Te Gussinklo, enthousiast door de Nederlandstalige kritiek werd onthaald. Maar wel met een opvallende voorzichtigheid, vindt hij zelf. „Maaike Meijer was in De Groene Amsterdammer nog het meest uitgesproken, maar verder valt het op dat men het allemaal wat tam formuleert. Een woord als ‘meesterwerk’ is blijkbaar uit de mode. Je krijgt een soort technische, verstandelijke lof. Ik had vroeger iets met een studente Nederlands, die ook zo formuleerde. Dan kwam er een sprankelend hoogtepunt uit de wereldliteratuur ter sprake en dan had ze het over goede uitgangspunten, of dat het geweldig vakwerk was… Als ik iets goed vind, dan druk ik me uit met een woord als ‘voltreffer’. Ik wil ook dat je op elke pagina van een roman van mij doorlopend tegen voltreffers van zinnen aanloopt.”

Wie bekend is met de romans en essays van Te Gussinklo zal zich niet over deze vurigheid verbazen. Ewout Meyster, de held in een tot nu toe vier delen tellende cyclus, is uit hetzelfde hout gesneden. De elektriciteit in boeken als De hoogstapelaar en Op weg naar De Hartz komt voort uit een combinatie van Meysters enorme verlangen om bij de wereld te horen, om er een uitzonderlijke plek in af te dwingen, en de afkeer ván die wereld, in welke hoedanigheid dan ook, die keer op keer grijs, afgrijselijk of afstompend wordt bevonden. Meyster laat zich vergelijken met een Arabische hengst, klaar om te draven en snoevend van ongeduld, maar die vervolgens met een bitje in naar een vredige bloemenweide wordt gedirigeerd. En dat lijkt verder iedereen om hem heen heerlijk te vinden, terwijl Meyster de indruk heeft dat hij bedrogen wordt, meegevoerd wordt naar de middelmaat van de status quo en de ‘kapperspraat’, zoals in De hoogstapelaar valt te lezen. Meysters grootspraak, die soms wanhopige trekken vertoont, komt hem vaak duur te staan.

Ooit, we hebben het over zo’n zestig jaar geleden, besloot Te Gussinklo om schrijver te worden; hij voelde dat dat zijn „onontkoombare roeping” was. Een vader om het aan mee te delen was er niet meer, die was in de oorlog overleden, moeder stond niet te jubelen. „Het was riskant, zei ze, onveilig en ze weigerde om me er financieel bij te ondersteunen. En omdat ik geen uitkering wilde ben ik jarenlang straatarm geweest. Uiteindelijk kon ik voort met een toelage van de Stichting 1940-1945, maar een vetpot was het niet.” Een onmiskenbare steun zijn de vrouwen in zijn leven geweest. „Mijn eerste vrouw is plotseling overleden, maar aan haar heb ik zo ongeveer De opdracht (1995) te danken. Maar als weduwnaar wilde het lange tijd niet meer lukken. Er is een speciaal soort stemming nodig om romans te schrijven. Ik vond de ware dialoog niet meer.”

Op nota bene een verjaardag van haar sterfdag, een kleine tien jaar geleden, begon het te vlotten en kwam hij weer toe aan het schrijven van romans, over telkens weer die figuren die de indruk hebben een fuik binnen te zwemmen. „Hun actieradius wordt steeds kleiner, en dat benauwt ze. Voor hen is de wereld een oerwoud waarin iedereen op zoek is naar dat ene plekje waar een beetje zonlicht valt. En al doende raak je steeds verder verwijderd van het algemeen menselijke en van de diepe dromen en grote hartstochten.”

U bent een verre van ironische schrijver, maar toch vertoont Ewouts levenspad ironische trekken. Want hij is wilskrachtig en individualistisch maar juist daardóór makkelijk in te lijven door zogenaamd wijze mannen als Somsen of Babinsky.

Op weg naar De Hartz is natuurlijk een Faustiaans boek. Er ligt zoiets als een contract voor Ewout klaar en hij hoeft zich alleen maar naar de richtlijnen van Somsen te schikken om het te ondertekenen. Maar Somsen staat niet voor de wereld of voor de maatschappij die Ewout zo verschrikkelijk vindt. Hij hoopt juist via Somsen verlossing te vinden, iets dat zich verhoudt tot dat wat hem die afkeer inboezemt. Ewout wil vechten voor een belangrijke rol en voor zinvolheid, en iemand als Somsen lijkt dat te beloven. Die zal hem, zo denkt hij, paradijzen schenken. Zolang hij hem maar gehoorzaamt.”

Met die vorming van mannelijkheid is het ook een modieus boek geworden.

„In ruime zin wel, maar het is wel de vorming van mannelijkheid in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. En dat is ook de enige vorming van mannelijkheid die ik ken, die ik van nabij heb meegemaakt. Misschien dringt een moderne interpretatie zich op omdat Ewout, zou je kunnen zeggen, de optimale mannelijkheid nastreeft, namelijk die van het leiderschap. In De Hartz spiegelt Ewout zich het fanatiekst aan bestaande, volwassen mannen, dus daarom is het nu zo opvallend, maar de thematiek zat er al vanaf het begin van de cyclus in. Zo verafgoodde Ewout ook al in De opdracht machtige mannen als Churchill en Roosevelt en wil hij ontsnappen aan de vrouwen- en moederwereld, maar wordt hij er door fetisjistische opwellingen door bedreigd.”

‘Op weg naar De Hartz’ is in vergelijking met de vorige boeken een stuk theoretischer. Waarom vond u het belangrijk om al die verouderde, quasi-wetenschappelijke goeroe-taal in een roman op te nemen?

„Het was tijd om die intellectuele laag aan Ewouts verhaal toe te voegen, want in de drie eerste boeken van de cyclus was zijn conflict socialer van aard. En het was heerlijk om zo’n man als Somsen die wazige praat uit te laten slaan, zo ergens tussen het esoterische en het psychologische in. Ewout staat open voor begeleiding, maar dom is hij niet. En daarom moesten de lessen waar hij aan blootgesteld wordt niet te doorzichtig zijn. Je moet als lezer twijfelen of hij nu echt gedegen begeleid wordt of totaal voor de gek wordt gehouden.”

Je zou verwachten dat Somsen het goed vindt dat Ewout leest, maar hij heeft grote moeite met zijn lievelingsschrijvers. Ze zijn hem veel te negatief.

„Hij maakt ze belachelijk. Ze zijn ziek. Iemand als Mulisch noemt hij smalend ‘die half-jood’ en hij stampt hem en andere auteurs de grond in met tendentieuze diagnoses. Het ridicuulst wordt het met de schilderijen van Van Gogh. De lijnen kloppen niet, die staan scheef, wat volgens Somsen alleen maar voort kan komen uit iemand die manisch-depressief is.”

Hoe houdt dit onderdeel van de roman verband met uw eigen achtergrond in de psychologie?

„Een echte psycholoog ben ik nooit geworden, maar ik ben vrij ver gekomen en heb in Zürich gestudeerd onder de opvolger van Jung. Daar heb ik de overgang meegemaakt van de traditie van Freud, van zeg maar de meer verhalende, speculatieve psychologie, naar het Amerikaanse model, waarbij je alleen maar afgaat op de symptomen van een patiënt en dan op basis van het DSM-5-boek een pil voorschrijft. Bespottelijk! Speculatie kan juist een bron van wijsheid zijn. In de wiskunde wordt het bijvoorbeeld ook toegepast.”

Lees ook de bespreking van de roman Op weg naar De Hartz: De naoorlogse normen waarnaar Nederlandse mannen gevormd zijn

U vond meer vrijheid in de literatuur?

„Ik wist meteen dat dat het was; het biedt je de mogelijkheid om door te dringen tot de essentialia. Waar het mij om gaat is dat ongrijpbare, dat wat langs flitst, vrijwel ongezien, op te roepen en zichtbaar te maken, te betrappen en te benaderen. Ik probeer scherper te zien en scheppender te zien dan ooit gedaan is. Leven, bestaan en alle krachten en machten die een rol spelen te beschrijven. Dát oproepen en zichtbaar maken is mijn diepste intentie. Scherper zien, meer zien, completer zien.”

Ik denk niet dat er veel tijdgenoten zijn die er ook zo in staan.

„Niemand schrijft zoals ik. Dat is geen kwalitatief oordeel, maar een genre-kwestie. Ik beschrijf personages in de hij-vorm, die als gestalten zichtbaar voor de lezer zijn en die in hun al dan niet ridicule gedragingen zijn te volgen. Maar tegelijk zijn het ik-figuren met iets als een monologue interieur.”

Uw boeken doen een intens schrijfproces vermoeden.

„Een bepaald soort vrijheid is noodzakelijk voor me. Ik moet, in dienst van het boek, totaal beschikbaar zijn voor alle impressies, alle gewaarwordingen en langsflitsende ideeën en zichtbaarheden. Dat voelt alsof ik word opgenomen in een grote, doorgaande golf. Om die te behouden is het zaak om zoveel mogelijk prikkels buiten te sluiten, dus contacten, gesprekken en andere bezigheden tot een minimum te beperken. Er mag hoogstens de luwte van de krant zijn.”

Wat maakt zo’n gecultiveerde stemming, als we het zo mogen noemen, mogelijk?

„Een totale, amorele beschikbaarheid voor elke prikkel, elke ingeving, elke observatie of intuïtie. Het is het voorbij goed en kwaad van Nietzsche. En daarnaast: er bestaan zoiets als centrifugale en centripetale bewegingen, wat er op neerkomt dat als er veel naar binnen gaat, er weinig naar buiten kan komen, en als er veel naar buiten gaat er weinig naar binnen kan komen. Die laatste toestand is ideaal. Het mag wat abstract en hoogdravend overkomen, maar schrijvend ben ik een mysticus.”