Recensie

Recensie Boeken

Pijnlijke herinneringen aan een eerste, ongewenste zoen

Herinneringen Douwe Draaisma stelde een bloemlezing samen met herinneringen van beroemde schrijvers, dichters en kunstenaars. Daarbij vraagt hij zich af hoe betrouwbaar die zijn.

De schrijvers Janet Flanner en Ernest Hemingway als oorlogscorrespondenten in Frankrijk in 1944.
De schrijvers Janet Flanner en Ernest Hemingway als oorlogscorrespondenten in Frankrijk in 1944. Foto Universal Images Group via Getty Images

‘Over sommige dingen is het moeilijk schrijven’, noteert Sylvia Plath in de zomer van 1950 in haar dagboek. ‘Wanneer je iets is overkomen, wil je het opschrijven en dan maak je het óf te dramatisch óf te ingehouden, je overdrijft de verkeerde dingen of veronachtzaamt de belangrijke punten. Hoe het ook zij, je schrijft het nooit helemaal zoals je zou willen.’

Wat volgt is een dramatische beschrijving hoe de 17-jarige Sylvia in een schuur tegen haar wil wordt gezoend door de 32-jarige Ilo, met wie ze die zomer werkt in een tuinderij. ‘Zijn hand sloot om mijn arm. En plotseling was zijn mond op de mijne, hard en heftig, zijn tong schoot heen en weer tussen mijn lippen, zijn armen als ijzer om mij heen.’

De passage is een van de vele herinneringen van beroemde schrijvers, dichters en kunstenaars die zijn opgenomen in De ivoren cel. Herinneren en vergeten in Privé-domein. Uit ruim 300 delen Privé-domein koos filosoof en psycholoog Douwe Draaisma tachtig passages over dramatische gebeurtenissen, intense ontmoetingen en verliefdheden. Zo lezen we over de kinderangst van Lou Andreas-Salomé, het eerste orgasme van Claire Goll, het lijk dat Alexander Herzen op zijn negende zag en de schrik die Elias Canetti om het hart sloeg toen zijn vader voor zijn neus stierf.

Het idee – een bundeling passages over kleine of juist grootste momenten in een mensenleven – is niet nieuw. Al eerder stelden Emile Brugman en Martin Ros (de laatste startte in 1966 de autobiografische reeks bij de Arbeiderspers) de bloemlezing Ik herinner mij (1988) samen. Dat de uitgeverij opnieuw fragmenten uit eerdere egodocumenten bijeenbrengt, kan overkomen als gemakzucht, maar het resultaat is daar zeker niet naar. Zo voorziet Draaisma iedere herinnering op zorgvuldige wijze van context en prikkelt zijn inleidende essay om de passages met een frisse, zelfs filosofische blik te lezen. Want, zo betoogt Draaisma, hoe betrouwbaar zijn die memoires, autobiografieën, brieven en dagboeken die ‘stuk voor stuk geweven zijn van herinneringen’? In haast elk deel ‘zijn passages aan te wijzen over twijfel aan het eigen geheugen, onzekerheid over het waarheidsgehalte van herinneringen of het besef dat sommige gebeurtenissen in verschillende versies lijken te zijn opgeslagen’.

Onbetrouwbare ontbijttafel

Als psycholoog, gespecialiseerd in het menselijk geheugen, wil Draaisma de lezer uitnodigen om met zijn gekozen fragmenten ‘afscheid te nemen van een paar ideeën over het geheugen’. Zo wijst hij op de veronderstelling dat herinneringen die in de loop van het leven zijn veranderd om die reden onbetrouwbaar of onwaar zouden zijn. ‘Zelfs als herinneringen elkaar tegenspreken of onverenigbaar zijn, kunnen ze nog elk voor zich toch waar zijn.’ Dat wat je je herinnert van je jeugd, kan bijvoorbeeld beïnvloed worden door ervaringen verderop in je leven. En iets wat je pas later begrijpt of soms pas achteraf kan plaatsen, kan een herinnering een duiding geven die verschilt van eerdere duiding.

Als voorbeeld noemt hij Elias Canetti die zijn vader aan een hartverlamming zag sterven. Als 7-jarige zag Elias zijn vader naast de ontbijttafel liggen. In de daarop volgende jaren vroeg hij telkens aan zijn moeder wat er precies was voorgevallen en iedere keer gaf zij hem een ander antwoord. Deze versies kleurden zijn geheugen. Maar pas 23 jaar na het voorval gaf zijn moeder hem een uitleg die hij ‘als een definitieve herinnering aan zijn geheugen durfde toe te vertrouwen’.

Ook schrijft Draaisma, zoals de jonge Plath al in haar dagboek optekende, dat het bij uitstek schrijvers zijn die ervan doordrongen zijn dat ze met woorden hun ervaringen niet zozeer registreren als wel construeren. ‘Ze weten dat hun zinnen een wereld oproepen die bij een net iets andere formulering ook een net iets andere wereld zou zijn geweest.’ En dus stelt hij de vraag: zou er misschien zoiets zijn als een typisch schrijversgeheugen?

Persoonlijke hoogte- en dieptepunten

En dan wijst hij ook nog op zoiets eigenaardigs als het reminiscentie-effect: het gegeven dat men op oudere leeftijd meer persoonlijke gebeurtenissen herinnert uit de jeugdjaren dan uit andere, latere periodes. Het verklaart de weemoedige toon van sommige fragmenten zoals bij Ernest Hemingway, die op hogere leeftijd bij het vinden van twee oude hutkoffers met aantekeningenboekjes en brieven vol spijt terugkijkt op zijn gelukkige, jonge schrijversjaren in Parijs.

Prachtig is ook de passage die Draaisma uitkoos van schrijver August Willemsen, getiteld ‘De Borsten van Vreda’ uit Ik herinner mij (1988). Het beschrijft de periode dat de jonge August tijdens de wiskundeles zijn hersenen pijnigde hoe hij naar de borsten van Vreda kon kijken zonder dat iedereen door had dat hij dit deed. Wanneer hij gluurde zag hij allerlei details: het bh-bandje dat soms zichtbaar werd langs haar schouder, de uitdruk van een tepel die minimaal door de stof van een bh en een grijs truitje duwde. Dat laatste maakte hem ‘volslagen gek’. Hoogtepunt was wel: ‘Wanneer Vreda zuchtte (Ik weet niet of zij wiskunde óók saai vond of dat een mens gewoon af en toe moet zuchten), rechtte zij haar rug en welfden haar borsten zo ver naar voren dat het mij duizelde.’

Klein juweeltje

Willemsen lag er vaak wakker van, zelfs nog op latere leeftijd. Maar dan, en daar wijst de schrijver op de wrangheid die gepaard gaat met de voorbije herinnering, realiseerde hij zich ‘de onontkoombare, wanhopig makende zekerheid dat ik nooit van mijn levensdagen, nooit in alle eeuwigheid, in geen enkele denkbare werkelijkheid, niet in het heden of verleden, niet hier of elders, zelfs niet in een droom, dat ik nooit nooit nooit zou kunnen weten hoe die borsten er toen uitzagen, hoe het gevoeld zou hebben ze aan te raken. Want ze bestaan niet meer. Die gedachte is verschrikkelijk.’

Het zijn deze ontroerende, persoonlijke hoogte- en dieptepunten die weer even doen beseffen hoe intens die gedachten kunnen zijn die we in het autobiografische geheugen hebben opgeslagen. Het maakt dit boek tot een klein juweeltje dat je telkens weer even ter hand kunt nemen om vervolgens met een glimlach of weemoedig hart weer terzijde te leggen.