Recensie

Recensie Boeken

Volgens deze grootse Poolse schrijver leeft niemand zijn eigen leven

Wieslaw Mysliwski In Mysliwski’s grootse nieuwe roman draait alles om de vergankelijkheid van de tijd en de onbetrouwbaarheid van herinneringen.

De catacomben van het Poolse stadje Sandomierz
De catacomben van het Poolse stadje Sandomierz Foto Senatorek

Niemand leeft zijn eigen leven, omdat je altijd dat van een ander voortzet en het in feite herhaalt. Dat is wat de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski (1932) wil zeggen in zijn nieuwe roman Het Oog van de Naald. Het is een groots boek, zoals zijn eerdere door Karol Lesman briljant in het Nederlands vertaalde romans dat ook zijn. Zijn kracht ontleent het mede aan het feit dat je het op elke gewenste bladzijde kunt openslaan om in een absurdistisch of wijs verhaal te worden meegesleurd.

Mysliwski is een van de grootste levende Poolse schrijvers. Met zijn werk won hij al twee keer de prestigieuze Nike-prijs, onder meer met Over het doppen van bonen, de roman waarmee hij in 2009 in Nederland doorbrak. Het bijzondere aan zijn boeken is dat hij, volgens eigen zeggen, ze niet ‘schrijft’, maar ‘praat’. Zijn verhaal vertelt hij in één grote monoloog van heerlijk gepalaver, dat alle kanten opschiet en over van alles en nog wat gaat. Toch is het hem uiteindelijk om één ding te doen, want zijn vertellers blikken altijd terug op hun leven in een poging er vat op te krijgen.

Jonge jaren zo voorbij

In Het Oog van de Naald gebeurt dat op een bijna magisch-realistische wijze. Want de verteller komt op zekere dag zijn oudere ik tegen, die hem zijn toekomstige leven voorhoudt en hem waarschuwt dat zijn jonge jaren zo voorbij zijn. ‘Het leven is achter jezelf aan dwalen zonder de hoop te hebben jezelf ooit te vinden’, zegt die oudere ik. En even later: ‘Leegte is het ergste wat ons kan overkomen. En die kun je alleen het hoofd bieden door in iemand anders zijn leven te leven.’

De twee komen elkaar tegen in het Oog van de Naald, een poortje in de verdedigingswal van het stadje Sandomierz in zuidoost-Polen. De oudere ik klimt een lange trap op, die hem vanuit ‘de vroegere, wilde, groene vallei’ van het verleden naar het stadse heden voert. Aan het begin van de roman struikelt de oudere ik over zijn wandelstok en sterft, maar niet nadat hij zijn leven aan zijn jongere ik heeft gegeven. Vanaf dat moment vloeien hun herinneringen samen. Zo zijn beiden op zoek naar het meisje waarop ze ooit verliefd waren, maar dat ze in hun middelbare schooltijd zijn kwijtgeraakt. Ze zullen haar nooit meer vinden, behalve in hun dromen en herinneringen.

Lees ook: de recensie van de vorige roman van Mysliwski, De horizon

Wie dat meisje is, daar kom je niet achter. Op school werd ze ‘de Jodin’ genoemd, wat niet zo was. In een droom van de verteller is ze iemand die in een concentratiekamp heeft gezeten, waar ze is verkracht. De oorlog lijkt ze te hebben overleefd, maar daarna is ze algauw verdwenen om alleen nog rond te lopen in die wilde, groene vallei, al kan ook daar niemand haar vinden.

Vruchtenpap

De verteller werkt in zijn jonge jaren als arbeider in een drogerij, waar hij vruchtenpap stampt. Hij heeft het lyceum afgemaakt en wil studeren, maar omdat zijn ouders tot de vooroorlogse bourgeoisie behoren, krijgt hij daartoe in het communistische Polen van na 1945 niet de kans. Op een gegeven moment lukt het hem alsnog, dankzij een aanbeveling van een onderhuurder van zijn ouders, die duidelijk lid van de communistische partij is. Deze man moedigt hem aan om geschiedenis te gaan studeren, omdat die studie van belang is voor de zaak van de heilstaat. ‘Je kunt namelijk niets opbouwen zonder de geschiedenis te veranderen.’ De verteller kiest inderdaad voor dat vak, maar om niet voor het karretje van de communisten te worden gespannen, die de recente geschiedenis ten gunste van henzelf willen herschrijven, specialiseert hij zich in de ideologisch veilige middeleeuwen, waarin hij uiteindelijk hoogleraar wordt.

De ontmoetingen met zijn andere ik lopen door elkaar, waardoor je in de tijd heen en weer springt. Mys- liwski doet dat met opzet, omdat hij op die manier wil laten zien hoe snel de tijd verstrijkt en hoe herinneringen onbetrouwbaar kunnen worden. En ook hier stuit je op mooie zinnen, zoals: ‘Het verleden sloft op ons vooruit, moet u weten, wij sloffen er maar wat achteraan.’

Doordat in Mysliwski’s gepalaver chronologie geen rol speelt, geef je je 450 bladzijden lang over aan een mengelmoes van gebeurtenissen waarin de hele Poolse geschiedenis van de twintigste eeuw voorbijkomt, van de vooroorlogse republiek, de Duitse inval van 1939 en de zich tegelijkertijd voltrekkende annexatie van Oost-Polen door de Russen, de Jodenvervolging, de na-oorlogse misère en de komst van het communistische regime dat alle privébezit confisqueert. Tegen die achtergrond worden achteloos de vreselijkste dingen verteld aan de hand van menig vermakelijk of tragisch personage. Zo is er de schrijver van begrafenisredes (‘voor gelovigen en ongelovigen’) die zegt: ‘U moet namelijk weten dat elke dode in een model past. Er is niet veel wat de mensen onderscheidt als je het vanuit de dood beschouwt. En voor zo’n kant-en-klare rede vraag ik een derde van de prijs van een op bestelling.’

Slapstick

Andere geweldige personages zijn de buurman die over zijn tijd aan het front vertelt alsof het een slapstickfilm is, de slijmerige handelsreiziger die de moeder van de verteller een afrodisiacum probeert aan te smeren, zijn moeder zelf die, ongelukkig in haar huwelijk, een verhouding met de baas van haar man begint.

Het slapstickgehalte wordt nog groter als het gaat over de studentenjaren van de verteller. In een tijd van woningschaarste trekt hij in bij een bijlesleerling. Diens kamer is zo klein dat er geen tweede bed in past en hij daardoor naast zijn leerling in bed moet slapen. Iedere nacht doet hij moeite om fysiek afstand tot hem te houden. De situatie wordt nog precairder als een derde bedgenoot tussen hen in kruipt. Om ruimte te besparen ligt die met zijn hoofd aan het voeteneinde, waardoor hij zijn bedgenoten met zijn in vieze sokken gehulde zweetvoeten in het gezicht schuurt en zij geen oog dicht doen.

Lees ook dit interview met Mysliwski: ‘Ik schrijf geen boeken, ik praat boeken’

Tragische liefde

Even hilarisch zijn de volgende onderkomens van de verteller, onder meer in een genationaliseerde villa waar diverse gezinnen wonen. Een van de bewoners, een omaatje met een tragische liefdesgeschiedenis, rent in een hysterische bui ’s nachts naakt het huis uit om door de verteller naar binnen te worden gedragen. En dan lees je weer zo’n fraaie zin: ‘Naaktheid heeft behoefte aan begrip van iemands ogen.’ Het zijn woorden die medeleven wekken voor het grote verdriet van de vrouw, medeleven dat nog wordt versterkt als de verteller na haar dood opmerkt dat haar verhalen blijven rondgaan: ‘Alle overledenen vertellen nog lang na hun dood hun verhalen, want niemand is in staat om alles tijdens hun leven te vertellen.’ Met zo’n zin is in wezen het hele oeuvre van Mysliwski samengevat. Het gaat om de verhalen, die weliswaar bijna altijd hetzelfde zijn, maar telkens op een andere manier kunnen worden verteld, omdat iedereen zich het gebeuren op een andere manier herinnert.