Opinie

Vanaf dag zes miauwden we naar elkaar

Raoul de Jong

Ze was geen mens, wel een persoon. Althans, dat vind ik. Ze verscheen afgelopen zomer, bij de Italiaanse boerderij waar mijn vriend en ik onze zomers vieren. Als ze zich uitrekte was ze even groot als mijn onderarm. Ze was lichtgeel, met zwarte vlekken. We wisten niet hoe ze heette, dus noemden we haar Minikat.

Eerst hoorden we haar alleen. Vanuit het donker in de tuin. Ze klonk verdrietig, alsof ze ons om liefde vroeg, niet alleen om eten. Een paar weken voor onze komst, vertelde onze buurvrouw, waren er zeven kittens geboren in de grot onder ons huis. De moeder en alle andere kittens waren verdwenen. Ik besloot: deze kitten was getraumatiseerd en ik zou de held zijn die haar vertrouwen in de wereld zou herstellen.

In de eerste fase van mijn campagne plaatste ik bakjes eten in de tuin en ’s ochtends waren die dan leeg. Vanaf dag zes miauwden we naar elkaar: ik vanaf de veranda, zij vanuit de tuin. Liedjes werkten ook, vooral ‘The Hills are Alive’ uit The Sound of Music. Op dag acht liet ze zichzelf voor het eerst zien: onder de vijgenboom, terwijl ik me waste in het riviertje. Op dag negen at ze uit haar bakje terwijl wij naast het bakje stonden. Op dag tien bleef ze zitten nadat ze haar bakje leeggegeten had. Ik stak mijn hand uit, zij kwam. Op dag veertien schreef ik een column, met Minikat slapend op mijn schoot.

Tegelijk met deze overwinning kwam het schuldgevoel: was Minikat nu ‘van mij’? Over zeven dagen gingen we terug naar huis, moesten we haar meenemen? Het antwoord kwam in de vorm van een pikzwarte, luid miauwende zwerfkat die in onze keuken verscheen tijdens een spoedberaad over Minikats toekomst. De buurvrouw herkende haar, Minikat ook: het was de moeder van de zeven kittens. Minikat rende op haar af en gaf haar kopjes terwijl de mensen foto’s maakten met hun smartphones.

Juist omdat er niemand was die voor haar zorgde, had ze de vrijheid om het zélf te doen

Je kon veel voor Mamakat voelen, behalve medelijden. Ze ving muizen, hagedissen en als ze dorst had, sprong ze in de rivier. Mamakat en Minikat stoeiden samen in de tuin, sprongen in bomen en deden dutjes onder de vijgenboom. Mamakat was niet schattig, niet glanzend, niet beleefd. Ze had geen makkelijk leven gehad. Maar als ik Minikat was dan zou ik Mamakat willen worden en niet één van de dikke depressieve katten op de banken van mijn depressieve ZZP-vrienden. Mamakat was 100 procent kat, in al haar volle glorie. Juist omdat er niemand was die voor haar zorgde, had ze de vrijheid om het zélf te doen. Daar, tussen de bomen en de bergen en al die andere dingen die ik zelf zo vaak mis.

Op de dag van ons vertrek hadden we nog een laatste moment samen, Minikat en ik. Ze sprong in mijn armen terwijl ik een hoekje van de grot inrichtte met warme dekens. Ze duwde haar kopje onder mijn kin, legde een pootje tegen mijn nek. Je kunt er duizend argumenten tegenin brengen maar het voelde alsof ze zei: ‘Dank je’. Ik heb Minikat niet ‘van mij’ gemaakt, juist omdat ik van haar hield. Ik heb haar geholpen. En zij mij. Haar foto hangt hier boven mijn bureautje. Om maar niet te vergeten dat ook ik gemaakt ben om te spelen.