Audrey Hepburn, vlak voor het interview dat Joyce Roodnat in 1988 met haar had.

Foto Vincent Mentzel / Nederlands Fotomuseum

Schoonheid is een probleem

Essay Schoonheid is niet belangrijk, hoor je vaak. Maar waarom, vraagt Joyce Roodnat zich af, hebben we het er dan de hele tijd over? En waarom zijn we zo streng over het uiterlijk van vrouwen?

Als schoolmeisje droeg ik een bril en gold ik als een verloren zaak. „Niet brildragend”, las ik in de contactadvertenties in het tienerblad Popfoto. Ik kon het vergeten en ik wist het. Ik was dertien en lag in bed te huilen. Mijn moeder hoorde me, ze bleef bij me zitten tot ik zei wat er aan de hand was. „Ik ben lelijk”, snikte ik. En mijn moeder? Die troostte me met: „Je hebt mooie benen, zullen we morgen nieuwe schoenen gaan kopen?” Nieuwe schoenen wilde ik graag, dus ik kalmeerde. Maar die benen – wat had ik daar nou aan?

Ik was 25 toen ik mijn grote liefde ontmoette, toevallig een stuk van jewelste. Dat hij bij me bleef, was onbegrijpelijk, de mooie vrouwen stonden voor hem in de rij. Maar inmiddels zie ik het, op foto’s. Hij was een stuk, maar ik ook.

Dit opschrijven is gênant. Je hoort niet van jezelf te zeggen dat je mooi bent en ook niet dat je dat was. Je hoort het zelfs niet te weten. En weet je het wel, dan dien je net te doen of dat niet zo is.

Schoonheid is een probleem. Wie is mooi en wie bepaalt de maatstaven? Wat is schoonheid, behalve wat een ander van je vindt? Bestaat menselijke schoonheid zoals de schoonheid van een zebra bestaat? Van een komodovaraan? Van een kat? Die vinden we altijd mooi en we weten niet eens of het een mannetje of een vrouwtje is.

Trouwens, is schoonheid belangrijk?

Nee! zeggen streng de welopgevoede mensen. Het gaat erom hoe je bent, niet hoe je eruitziet. Houd je geweten zuiver en je rug recht, dan zit je goed. Schoonheid speelt geen rol, of een kleine. Maar als dat waar is, waarom hebben we het er dan de hele tijd over? Waarom dan al die schoonheid op foto’s en films en in de kunsten? Vanwaar die alomtegenwoordigheid van mooie mensen op tv, in series en talkshows en al die social media-accounts over beauty? Waarom schreef cultuurfilosoof Umberto Eco dan de uitvoerige, stap voor stap met fantastische voorbeelden geïllustreerde, studie De geschiedenis van de schoonheid? Die schoonheid bleef ongrijpbaar, zelfs voor alleskunner Eco. Hij had meer succes met de tegenhanger van dit boek, het flamboyante De geschiedenis van de lelijkheid.

Schoonheid doet er niet toe? Vergeet het maar. Het is doorslaggevend.

Dus nog een keer de vraag: is schoonheid belangrijk? Ja! zeggen de eerlijkerds. En de onderzoekers. En de lelijkerds weten het, want zij maken het mee: schoonheid heeft een streepje voor. De mooie kinderen en de mooie volwassenen krijgen de meeste aandacht, van leerkrachten, loketbediendes, artsen en verpleegkundigen, buren, collega’s, van iedereen. Volgens Brits onderzoek betalen werkgevers mooie mannen ongeveer 15 procent meer en mooie vrouwen 11 procent. Bovengemiddeld mooie mensen worden voor slimmer versleten. Vergeet dat domme blondje want vaak is ze daadwerkelijk slimmer, met dank aan een gunstiger verlopen jeugd. Mooierds worden sneller sympathiek gevonden en krijgen minder vaak op hun kop, lees ik in Psychologie Magazine. Zelfs baby’s reageren positiever op mooie mensen.

Maar wat is schoonheid dan? Iedereen herkent het als hij of zij het ziet, er is een set vaste kenmerken, zoals symmetrische gelaatstrekken. Het zou evolutionair handig zijn om mooie jonge mensen te bevoordelen, want wie mooi is, is gezond en zo bevorder je de menselijke soort. Kan zijn, maar dat is dan geperverteerd geraakt.

Daarbij verschillen de opinies over welk mens mooi is van cultuur tot cultuur, van land tot land, soms zelfs van streek tot streek en sowieso van tijd tot tijd. Kijk naar Rembrandts Bathseba in het bad (1654) en je ziet een stevige vrouw die in de zeventiende eeuw, toen de doorsnee mens mager was van hard werken en weinig voedsel, een schoonheid was. In deze tijd zou ze verketterd worden als dik. In de jaren 80, toen het economisch niet op kon, veroorloofde de Westerse wereld zich juist een superdun schoonheidsideaal voor vrouwen. Daar is lang aan vastgehouden, in weerwil van acties en protesten tegen de mode-, kleding- en reclame-industrie, maar inmiddels is er een kentering, lijkt het. Schoorvoetend wordt een nieuwe tijd omarmd. Modellen zijn ronder, dijen zijn niet meer verplicht graatmager. Meiden kunnen meiden zijn, met buiken en heupen.

Mooi zijn ligt voor mannen anders. Makkelijker. Jongens mogen mooi proberen te zijn. Doen ze er hun best voor, dan wordt het geprezen. Doen ze dat niet, dan geeft het niet. De sportschool- of anabole-steroïdenspieren die nu de mooie man bepalen, zijn meer iets voor jongemannen onderling. Vrouwen knikken braaf als een man zijn spierbundels laat zien, maar het kan hun geen bal schelen. Mooi? Ja hoor, als jij het zegt, schatje.

De mannen die zich niet interesseren voor het eigen uiterlijk, komen daarmee weg. Ze kunnen verfrommeld zijn, slecht gekleed, dun haar hebben of een kaal hoofd met vreemde groeven. Zelfs een enorme buik maakt niet echt uit. En ook deze verslordigde mannen blaken van zelfvertrouwen. Ze zien Brad Pitt en ze denken: dat ben ik. Vrouwen zien Scarlett Johansson en denken: dat kan ik vergeten.

Mannen zien Brad Pitt en ze denken: dat ben ik

Het is misschien wat vervelend voor mannen om dit allemaal te lezen. Maar ik neem het pas terug als ik een man over een andere man hoor zeggen: die bink denkt dat hij mooi is, wat verbeeldt hij zich wel.

Mannen kunnen zich onttrekken aan schoonheidsidealen omdat mannen uitmaken wat een mooie man is. Wat een mooie vrouw is ook. Daar gaan alle mannen over en dat zullen alle vrouwen weten. Er zijn mannen die er een handje van hebben een vrouw met haar uiterlijk te complimenteren (machtsvertoon A) en dat dan vervolgen met: „Maar weet je wíe een mooie vrouw is…?” (machtsvertoon B). Een andere hit op dat gebied is: „Jij denkt zeker dat je mooi bent” – dat krijgt een vrouw, schoonheid of geen schoonheid, jong, middelbaar, oud, voor haar kiezen als ze niet braaf is. Alleen van de losers, dus wat kan het haar schelen. Maar het treurige is, menige vrouw wordt er door met stomheid geslagen, zelfs de vrouw die zich helemaal niet voor haar uiterlijk interesseert.

Schoonheid is een jonge vrouw. Ze slaapt met haar duim in haar mond (zie de film Turks fruit). Ze is zacht als een kleuter, heeft benen als een veulen. Ze slaat haar grote ogen op en ze slaat haar grote ogen neer. Ze is too cute to be a minute over seventeen (Chuck Berry: ‘Little Queenie’). De mooie man daarentegen, redt de mensheid en de mooie vrouw van dienst erbij, ook al dreigt ze die redding te dwarsbomen doordat ze mooi en dus niet al te snugger is. Kijk maar naar films, kijk maar naar series, en je ziet het aanhoudend gebeuren. Een vrouw gilt – mannen doen dat nooit. Ze durft niet te schieten of te knokken, ze wacht bevend af tot de man de aanvallers heeft afgeslagen. Grijpt ze in, geeft ze wél een mep of trekt ze een wapen, dan is dat een verrassing. Is ze zelfredzaam en de slimste, dan is ze aantrekkelijk maar geen schoonheid en niet zelden contactgestoord – zie Saga Norén uit de serie The Bridge, Sarah Lund uit The Killing of, uiteraard, Lisbeth Salander uit Mannen die vrouwen haten.

Ik raak in gesprek met een filmliefhebber van een jaar of 35, vertegenwoordiger van een culturele organisatie. Hij vertelt honderduit, weet veel van horror, het is geanimeerd. Hij begint uit te weiden over slotscènes en dan, zomaar uit het niets, verklaart hij dat hij bij een bepaalde film het gruwelijke unhappy end toejuicht want: „die bitch was zo lelijk”. Ik schrik ervan – het is zo vanzelfsprekend voor hem om dit te zeggen. En waar haalt hij het recht vandaan? Hij ziet er zelf nou niet direct uit als de jonge Alain Delon, om het mild uit te drukken, dus waar heeft hij het over? Maar dat zeg ik allemaal niet. Ik zeg: „Je kunt iemand niet verwijten dat ze lelijk is. En ik corrigeer mezelf meteen: „Je kunt iemand niet verwijten dat jij haar lelijk vindt.” Het is paarlen voor de zwijnen, hij begrijpt me niet. Hij vindt dat hij er recht op heeft om te eisen dat vrouwen mooi zijn als ze op willen vallen, bijvoorbeeld door actrice te zijn in een film.

„En kun je ophouden met ‘bitch’ zeggen?”

„Waarom? Ik heb het toch niet over jou?”

„Nee, maar ik neem er toch aanstoot aan.”

Daar kan hij gelukkig in komen.

Vrouwen worden tegen elkaar uitgespeeld. Paris geeft Venus de gouden appel voor de mooiste godin in ruil voor Helena – de mooiste vrouw van Griekenland. Hoe zag Helena eruit? Dat kunnen we niet weten. Gelukkig hebben we Marilyn Monroe, die veel weg heeft van de Helena van de twintigste eeuw, als de vrouw van de tienduizend foto’s, de grootste schoonheid aller tijden. Sinds ze overleed in 1962 werd ze een abstractie, een zinnebeeld. Niemand die haar schoonheid betwist, die is in marmer gehouwen. Onbeweeglijk, doods.

Hoe is het om een schoonheid te zijn? „Mooi zijn schept […] afstand”, vertelde Elly Koot (Miss Holland en Miss Europa in 1964) me eens. „Ik ben vaak een muurbloempje geweest, de mensen durfden me gewoon niet aan te spreken.”

Schoonheid kan intimideren. Ik onderging dat zelf bij twee onbetwiste schoonheden, die ik mocht interviewen. De ene was Audrey Hepburn, in 1988. Ze was 59 en net zo adembenemend als in haar beste films, ook al was ze bijna dubbel zou oud als toen ze die maakte. De waarheid is dat het me duizelde. Ik moest mijn best doen om haar niet aan te staren.

De andere was Sophia Loren, in 2012. Die was toen 78. „Nooit geweten dat scheenbenen zo mooi kunnen zijn”, scheef ik, in een onbeholpen poging om haar overweldigende effect te treffen. Maar ook zij was tegen een grens opgelopen, bleek plotseling. Ik vroeg haar of er ooit sprake was geweest van samenwerking met Federico Fellini. Ze zei dat ze graag had gespeeld in een film van hem, ze hadden er zelfs over gesproken. Maar het kwam er nooit van. Dat verbaasde me. Waarom gebeurde het niet? „Ik denk dat ik niet voldeed als vrouw”, zei Sophia Loren, „ik was Anita Ekberg niet”. Niet platinablond en niet voluptueus, bedoelde ze. Niet mooi genoeg. Zelfs zij.

Loren drukte ik opnieuw de hand op Film by the Sea, het filmfestival van Vlissingen. Ze was nu 83. Een professional. Kaarsrecht in een indrukwekkende galajurk. Ze liep over de rode loper, wuifde naar het publiek, nam een prijs in ontvangst. Minister Van Engelshoven van Cultuur sprak haar toe en noemde haar: „still beautiful”. En kreeg een geroutineerde tik op haar neus. „Still?” glimlachte Loren. Hoezo ‘nog’ mooi? Suggereer je nou dat ‘oud’ niet mooi kan zijn? De minister bloosde.

En toch had Van Engelshoven geen ongelijk met haar slip of the tongue. Want Loren was een schim van de schoonheid die ik vijf jaar eerder ontmoet had. Haar gezicht leek een masker, haar houding was stram, haar silhouet vermoeid.

Als ik aan Sophia Loren denk, zie ik de bloeiende schoonheid van een jaar of 30 voor me, of de 43-jarige vrouw in Una giornata particolare (ze speelt fantastisch, vergeet dat nooit). Maar oog in oog met haar in Vlissingen moest ik het toegeven: zo ziet ze er werkelijk niet meer uit. Het interessante is dat zij het niveau heeft bereikt dat niemand dat wil zien, laat staan zeggen. Iedereen doet alsof.

Loren is menselijk, de tijd walst ook over haar gezicht. In haar laatste film, La vita davanti a sé (uit 2020, te zien op Netflix), speelt ze een bejaarde vrouw voor wie het leven niet lief is geweest, en dat is te zien. Daar zit ze niet mee. En wij ook niet. Wij vinden haar mooi. Niet nog, maar tóch.

Als je een vrouw bent, wordt ouder worden je vaker aangerekend, ook door mij

Ouder worden is veranderen. Dat geldt voor iedereen en daar kan niemand iets aan doen. Maar als je een vrouw bent, wordt het je vaker aangerekend. Ook door mij. Ik zag de actrice Dianne Wiest in de film The Mule en ik moet bekennen dat ik automatisch dacht: wat is die oud geworden. Terwijl ze tegenover Clint Eastwood speelt – en die ziet er pas echt oud uit. Maar hij wordt gepositioneerd als aantrekkelijke bejaarde kerel.

Vind ik Clint Eastwood mooi? Ja. En Mick Jagger? Ja. En Tommy Lee ‘Men in Black’ Jones? Ja, dat vind ik, zo ben ik geconditioneerd: hardvochtig voor vrouwen, lankmoedig voor mannen. Ik bedoel, ik ben niet blind, schoonheden zijn Mick en Clint en Tommy Lee niet meer, das war einmal. Maar ik kijk om hun wallen en groeven en afhangende schouders heen. Hoe oud ze zijn, vraag ik me niet eens af.

Wat mezelf betreft, ik vind hoge hakken mooi staan en vond ze best lekker lopen. Tot ik door mijn linkervoet zakte, net nadat ik Isabelle Huppert had geïnterviewd. Wat ik een eer vond, dus ik ging niet laten merken dat mijn voet geen zin meer had om me te dragen. Zonder een krimp haalde ik de deur en ging naar buiten – waar ik mijn mooie schoenen uittrok en op blote voeten verder ging. Adieu hoge hakken, voor altijd.

Maar nu Isabelle Huppert. In films en op het toneel is ze, behalve een ijzersterk actrice, een unieke schoonheid. Maar die middag was ze een onopvallende vrouw. Op gympen, in een lubberend wit T-shirt. Geen make-up, haar gezicht vol rimpels. Dat is het verschil tussen zelfvertrouwen (zij) en een ontembaar gebrek daaraan (ik). Het verschil tussen een filmster en zomaar iemand.

Huppert bekreunt zich er niet (meer?) om, maar ik wel. Ik ben in de rouw om die schoenen. Ik hecht aan make-up. Ik wil mooi zijn.