Foto Khalid Amakran

Interview

Ted Brandsen: ‘Laat je huis altijd schoon achter’

Wijzer | Ted Brandsen Ted Brandsen (62) is artistiek directeur van Het Nationale Ballet. Wat hij leerde in het leven: vertrouwen geven is vertrouwen krijgen, het plezier van het alleen-zijn en dat je dansers moet leren dat ze ook moeten práten.

„Zes jaar geleden liet mijn partner weten dat hij iemand anders had ontmoet. Na 26 jaar samen was dat wel even schrikken. We zijn toen samen nog met vakantie geweest in Spanje, nota bene nog bij twee huwelijken daar aanwezig geweest. Ik ben eerder teruggevlogen, we namen afscheid op het vliegveld van Malaga. Toen hij twee weken later terugkwam, heeft hij zijn spullen gepakt en is verhuisd. Mijn geluk was dat ik het die periode verschrikkelijk druk had met de première van Mata Hari, een avondvullend ballet, mijn grote baby. Overdag had ik het veel te druk om ongelukkig en verdrietig te zijn. Leuk werk, dat veel tijd in beslag neemt, helpt je door rotperiodes heen.

Van Hans van Manen [choreograaf] heb ik geleerd hoe belangrijk het is je omgeving prettig en leuk te maken voor ánderen, maar juist ook voor jezelf. Je maakt je léven prettiger, als je omgeving op orde is. Laat je huis altijd schoon achter als je de deur uitgaat, zeker als je door een lastige periode gaat. Ik ben in het appartement van mijn ex en mij blijven wonen, ik heb alles laten schilderen en opgeknapt en heb er echt mijn huis van gemaakt, waar ik graag thuiskom.

Om alleen te kunnen zijn, moet je zorgen dat je het met jezelf kunt vinden. Niet gek worden van het idee een avond, een week, twee weken alleen thuis te zijn. Eerst heb ik leren autorijden, want voorheen reed mijn ex altijd. Toen ik dat kon, dacht ik: nu ga ik maar eens met de auto ergens naartoe. Voor de eerste paar dagen had ik een chic hotel geboekt en daarna zou ik wel zien. Het is wennen als er niemand bij je is die zegt: ‘Kom’. Maar verbazingwekkend snel kreeg ik plezier in dingen doen die ik vroeger samen deed.

Mijn ex is hertrouwd, we zijn nog altijd goed met elkaar. Ik geloof niet dat verbondenheid helemaal verdwijnt, er veranderen dingen, maar een deel van de liefde blijft. Je behoudt de liefde door regelmatig contact en onderhoud. It is work , net als ballet, je doet elke dag je tendu’s en pliés om verder te komen.

Relativeren helpt niet als je hart gebroken is, maar toch moet je een keer uit je tunnel kruipen en kijken hoe de rest erbij zit

In het jaar van mijn scheiding werd mijn zus terminaal ziek. Kanker. Ze was alleenstaand, mijn broer woonde in het buitenland en mijn ouders waren oud en hulpbehoevend, ik was de enige die voor haar kon zorgen. Ziek zijn, een fysiek mankement hebben, vroeger leek dat me een nachtmerrie. Dans is levenskracht, je lijf, je leven, je wezen existeert. Is die kracht weg, dacht ik, dan hoeft het voor mij niet meer. Ziekte maakt je leven niet meteen waardeloos, dat zag ik bij mijn zus. Ze leed aan epilepsie vanaf haar tweede, op haar veertigste kreeg ze diabetes, en op haar vijftigste kwam daar kanker bij. Terwijl mijn broer en ik de wereld rondreisden, gezond waren, prachtige banen kregen. De jaren die ik voor haar zorgde, leerde ze me zien dat je ook in een beperkter leven vreugde kunt vinden. Je kunt je eigen ellende opzij zetten. Relativeren helpt niet als je hart gebroken is, maar toch moet je een keer uit je tunnel kruipen en kijken hoe de rest van de wereld erbij zit.

Mijn moeder kwam uit een groot gezin in een kleine gemeente en ze trouwde de bink van het dorp. Mijn vader werkte bij Schiphol en werd uitgezonden naar Saoedi-Arabië. Zij mee, het was 1962. Ze leerden in no time Engels, en die ervaring in het verre buitenland maakte hen open, bewust, belangstellend. Eigenlijk heb ik zulke leuke ouders gehad. Op vakanties mocht ieder van ons twee of drie dagen kiezen wat we zouden doen. Van mijn broer moesten we altijd naar een pretpark, mijn zus wilde bij het huisje blijven, en met mij gingen ze mee naar het museum. Het was duidelijk wie de baas was bij ons thuis, maar we kregen wel zeggenschap. Je merkt aan dansers of ze uit een nest komen waar ze gekoesterd werden, of dat ze zich aan van alles hebben moeten ontworstelen. Je opvoeding bepaalt de basis voor hoe je het leven ingaat. Mag je er zijn, ben je goed genoeg, is de wereld voor of tegen je? Als ik iets heb geleerd van mijn ouders is het wel dat vertrouwen geven, vertrouwen oplevert.

Ik herinner me een avond, we woonden in Amstelveen, en mijn vader riep ons naar beneden. Een half jaar eerder had hij promotie gemaakt. Eerst was hij chef passage op Schiphol, en werkte hij met leuke, jonge meiden die hem ook leuk vonden. Toen werd hij chef platform, met vijfhonderd rauwe kerels onder zich die hem niet lustten. Mijn vader zei die avond dat deze baan belangrijk werd gevonden en beter betaalde, maar dat hij het werk niet leuk vond. Hij dacht dat geluk misschien boven geld ging. Ik was twaalf, en sindsdien weet ik dat je sterk kunt zijn door een stap terug te zetten.

Na het gymnasium ging ik een jaar naar Amerika, daarna zou ik, als eerste van mijn familie, naar de universiteit gaan. Er was een dance departement op mijn college, daar volgde ik mijn eerste balletlessen. Ik was meteen óm. Meteen mijn ouders gebeld, collect call. ‘Mom, dad, ik ga ballet doen’. Oké, prima, zeiden m’n ouders. ‘Maar bel morgenochtend even terug.’ Het was bij hen vier uur ’s nachts. De docent daar zag iets in me, ondanks mijn leeftijd, ik was al achttien. Het perfecte fysiek had ik ook niet per se, wel de drive. Talent herkennen moet je leren. Toen ik net directeur was, lette ik veel meer op het fysiek van dansers. Of het mooi was, aantrekkelijk, geschikt voor die of die choreografie. Soms vergat ik te kijken wat dansers met dat lichaam kónden. Talent herkennen is ook voorbij schoonheid kijken.

Als choreograaf heb ik bij veel verschillende gezelschappen gewerkt, en zag ik net te vaak hoe je niet leiding moet geven. Er wordt slecht geluisterd naar dansers. Ik had als danser best wat te zeggen, en Rudi van Dantzig liet dat, tot op zekere hoogte, toe. Uit ervaring weet ik hoe rot het is om als danser een anoniem nummer in een studio te zijn en dat iemand tegen je zegt: ‘Hé, jij daar’. Het is belangrijk dat iedereen zich gehoord en gezien voelt. Als gast-choreograaf, als directeur: ik zorg dat ik alle namen ken.

Dansers zijn geen praters, toch wil ik dat ze het doen. Ben je niet gekozen voor een ballet, en ben je daar ongelukkig over, vertel het me. Praten is beter dan kniezen in de kleedkamer.”

Foto’s Khalid Amakran