Opinie

Het onderbelichte verhaal van de ‘koelie’

Tahrim Ramdjan

Het collectieve kennispeil van een samenleving beweegt zich als een mammoettanker. Waar er tien jaar terug op sommige Amsterdamse middelbare scholen slechts 2 (zegge: twee!) lesuren tijdens geschiedenis aan het slavernijverleden werden besteed, soms nog liever aan het Amerikaanse dan het Nederlandse, zo concludeerde onderzoeker Ineke Mok, lijken we tegenwoordig steeds meer doordrongen van de contouren van die massa-exploitatie.

Er zijn tegenwoordig zelfs burgemeesters van grote steden die begrijpen dat de Nederlandse slavernij in werkelijkheid niet in 1863 hield op te bestaan, zoals de wet toen voorhield, maar pas tien jaar later, in 1873. De eigenaren van Surinaamse slaafgemaakten werden op die wijze gecompenseerd voor het verlies van hun arbeidskrachten.

Waar voor velen deze nieuwe geschiedenisles stopt in 1873, begint mijn geschiedenis daar. Vanaf toen werden contractarbeiders naar Suriname gehaald, vooral uit Azië: Brits-Indië, Nederlands-Indië en China. Het eerste schip dat vanuit Brits-Indië in Suriname aankwam was Lalla Rookh; erna zouden nog vele tientallen schepen volgen. Over twee jaar wordt 150 jaar Hindostaanse immigratie grootschalig gevierd.

Het verklaart waarom uiteenlopende gerechten als roti (Indiaas), nasi (Indonesisch) en tjauw min (Chinees) allemaal tot de Surinaamse keuken behoren. Het verklaart waarom ik Zuid-Aziatische trekjes heb, maar toch écht mijn roots in Suriname heb, zoals ik moet verklaren wanneer bijvoorbeeld een surveillant tijdens een economietentamen in een grote, stille zaal keihard ‘Pakistan!’ tegen me schreeuwt, in de veronderstelling dat hij me daarmee welkom laat voelen. Het verklaart waarom er nog altijd spanningen zijn bínnen de Surinaamse gemeenschap, omdat de 45.000 Hindostanen (en nee, dat is niet hetzelfde als hindoes) zichzelf weinig terugzien in de beeldvorming rond Surinamers in Nederland, zoals NRC vorige maand optekende.

‘Contractarbeider’ is een van de vele eufemismen uit onze vaderlandse geschiedenis. De arbeiders werden in werkelijkheid ‘koelies’ genoemd, nu het woord ‘slaaf’ niet langer gebezigd mocht worden. De contractanten werden soms onder valse voorwendselen geworven, zoals het vooruitzicht van eten en drinken uit een gouden bord en beker.

De praktijk bleek weerbarstiger. Zo’n twintig procent van de eerste 4.000 Hindostanen die naar Suriname werden gebracht, bezweek in de eerste twee jaar ten gevolge van ziekte, de slechte leefomstandigheden of de zware arbeid. De lange reis overzee was bovendien vaak traumatisch.

Ik weet helaas niet tot in detail hoe de zeereis of de werkdagen van mijn voorouders eruitzagen. Daar is mogelijk verandering in gekomen, toen ik enkele weken terug het boek De tot koelie gemaakten van Radjinder Bhagwanbali las. Daarin vertelt hij over contractant Ramjan, nummer 506 B, die op 6 juli 1882 gestraft werd omdat hij zijn werk niet op tijd af had: hij had vier stukken vaamhout te weinig gekapt. Hij heeft nadien vier nachten, van zeven uur ’s avonds tot vijf uur ’s morgens, geboeid en krom voorover moeten staan. Gedurende twee nachten stak een marechaussee een houten stok van 39 centimeter lang in zijn mond, en bond een touw om zijn nek. Ramjan kon niet meer eten.

Soms vraag ik me af wat voor nut het dient om het verleden te herhalen, uit angst dat je in oude verhalen blijft leven. Die vraag voelt prompt anders wanneer je je eigen familienaam terugleest, ook al heb ik nog niet kunnen achterhalen of Ramjan, nummer 506 B, een directe voorouder van mij is.

Het liefst had ik hier een column geschreven over triviale zaken, zoals de zin en onzin van het CBR theorie-examen, of het feit dat er in een kilo kruidnoten 5.200 kilocalorieën zitten. Maar als de nakomelingen van de tot koelie gemaakten dit verhaal niet vertellen, onder wie ikzelf, dan vertelt niemand het.

Tahrim Ramdjan is journalist en student staats- en bestuursrecht.