Recensie

Recensie Boeken

Er is iets mis met de baby: ‘Ga dit niet thuis op internet opzoeken’

Patricia Lockwood We zijn in een tijd beland waarin ‘leven’ en ‘mens zijn’ tussen aanhalingstekens staan. Met haar geslaagde roman over het leven op sociale media haalde deze debutante de shortlist van de Booker Prize.

Foto Michael Hanson
Foto Michael Hanson

What a time to be quote unquote alive. Ze zit zich te verkneukelen bij de gedachte aan het posten van die zin, de vrouwelijke hoofdpersoon in Hier hoor je niemand over, als ze nieuws krijgt dat haar van het online leven losrukt en haar in de echte wereld terugwerpt. We zijn dan al halverwege het boek, en Patricia Lockwood (1982) heeft al vanuit allerlei hoeken ditzelfde thema aangevlogen: leven, in leven zijn, bewust zijn, mens zijn. Wat dat precies behelst. We zijn in een tijd aanbeland, lijkt haar premisse, waarin die begrippen tussen aanhalingstekens mogen.

Lockwood publiceerde hiervoor twee dichtbundels en een memoir. In 2013, ruim vóór het ontstaan van de #Metoo-beweging, ging haar prozagedicht ‘Rape Joke’ viraal.

Ook schrijft ze essays en literatuurkritieken. Maar het grote publiek leerde haar vooral kennen via haar Twitteraccount. Haar tweet ‘@parisreview So is paris any good or not’ werd bijvoorbeeld zo vaak gedeeld dat de redactie van het tijdschrift er niet meer onderuit kon om de stad Parijs te recenseren.

Shortlist Booker Prize

En nu is er dus Lockwoods debuutroman, waarmee ze prompt op de shortlist van de Booker Prize belandde. In Hier hoor je niemand over steekt Lockwood haar fascinatie voor het web (in de roman ‘de portal’ genoemd) niet onder stoelen of banken. Veel schrijvers wringen zich in allerlei bochten om internet uit de wereld weg te denken bij het schrijven van een roman, bij Lockwood dringt de portal zelfs tot haar beeldspraak door: een veenlijk in een museum heeft een uitgestoken wijsvinger, ‘alsof het een bericht wilde posten’; iemand loopt door een landschap ‘onder de eindeloos scrollende wolken’. Het voelt natuurlijk. En relevant: natúúrlijk heeft de tijd die we online doorbrengen invloed op wie we zijn en hoe we de wereld beschouwen. Ze bewijst met deze debuutroman dat sociale media – hoe vluchtig, oppervlakkig, onbezonnen en onsamenhangend vaak ook – wel degelijk kunnen dienen als bron voor fantastische literatuur.

Steeds weer wordt het thema subtiel aangeraakt: wat maakt ons mens? Terwijl zich in de buik van haar zusje een nieuw leven aan het ontwikkelen is (af en toe bereikt haar een appje met een echofoto) vraagt de verteller zich af of ze meer of minder ‘levend’ is op de momenten dat ze zich in de portal bevindt. Volgens haar: meer. Volgens haar man maakt ze een doodse, wezenloze indruk als ze in haar telefoon verzonken is. En verzonken is ze: ze betrapt zichzelf er soms op in haar smartphone op zoek te gaan naar haar koffiekopje.

Lege begeerte

Op een gegeven moment zit ze in het vliegtuig, en de vrouw naast haar ‘zat te lezen, met die beschroomde gretigheid, die lege begeerte die het lezen van dingen in de portal kenmerkte. “Vijfentwintig feiten die je nog niet wist van Gone with the Wind.” Nummer 25 was niet meer dan: Ondervoed paard.’ Geen heel bijzonder fragment, maar ik haal het aan omdat het precies zo voelt, als zo’n clickbaitlijst, het eerste deel van de roman. Een opeenvolging van tekstfragmenten die nauwelijks het maximale aantal tekens van een tweet overschrijden, alles met een spatzuiver taalgevoel verteld (en vertaald). In rake observaties, soms poëtisch, vaak heel grappig, laat Lockwood de lezer ervaren wat het met je hoofd doet als je leven zich grotendeels online afspeelt. En je wilt door. Net als bij zo’n suffe ‘vijfentwintig feiten’-lijst. Nog eentje dan. Oké, nu echt nog maar eentje.

Van de unabomber tot een online praatgroep over candida, van het witte superioriteitsgevoel ten aanzien van een albino-kangoeroe tot de nutscaping-trend (google maar even) – zonder oordeel, maar wel met een constant op spanning gehouden smirking face, leidt Lockwood de lezer rond in het rariteitenkabinet dat wij mensen, top van de voedselketen, 24/7 voor onszelf aan het vormgeven zijn. Eclectisch. Hilarisch. Krankzinnig. Verontrustend. (Troostrijk?)

Maar ik zei al: de roman neemt een wending. Het personage is zich aan het verkneukelen over die tweet, quote unquote alive, als ze nieuws krijgt: er is iets niet goed met de ongeboren baby van haar zus. ‘Ga dit niet thuis op internet opzoeken’, zegt de arts na het vaststellen van de diagnose. Het is goed mis. De baby lijdt aan een ernstige vorm van het proteus-syndroom, de ziekte waaraan ook Joseph ‘Elephant Man’ Merrick leed. Ze zal zwaar gehandicapt ter wereld komen, als ze de geboorte überhaupt overleeft. ‘Alles wat er mis kán gaan met de hersenen van een baby is hier ook echt misgegaan’, zeggen de artsen.

‘Hapering. / Hapering. / Hapering. / Hapering.’

Van het ene op het andere moment slaat alle opwinding en noodzaak en relevantie van de 124 pagina’s die je net als een soort enerverende guilty pleasure tot je hebt genomen dood. In plaats daarvan blijft een vaag gevoel van schaamte hangen. Hoezo noodzaak, hoezo relevant. Waarom in hemelsnaam zou een mens energie steken in leuk en gevat doen op Twitter zolang er baby’s worden geboren met een proteus-syndroom. Ik geloof niet dat ik die ontgoocheling, het plotse inslaan van de relativering, ooit zo direct heb meegekregen in een roman. Het heeft ermee te maken dat Lockwood (die hetzelfde nieuws kreeg als haar verteller) het lef heeft gehad het allemaal te laten staan. Een andere schrijver had het boek waaraan ze bezig was opzij gelegd, Lockwood omarmt de registerwisseling.

Terwijl de ironie vervliegt en we in tedere zinnetjes lezen over het zwaar gehandicapte meisje dat ter wereld komt (‘Ze pakte het handje en wachtte op het krachteloze kneepje in haar pink, als de handdruk van een lelie’), gaat het hoofdthema als vanzelf, maar in een andere toonsoort, weer meeresoneren. ‘I am a human being!’, aldus Lynch z’n Elephant Man. Wat maakt een mens tot mens? Dit kindje is een mens. Dat staat vast.

Shock

Hier en daar is beweerd dat dit boek een pleidooi voor offline leven zou zijn. Het personage zou, door de geboorte van haar nichtje, ‘verlost worden’ van de boze invloeden van de portal, zoiets – en zo’n narratief zou je ook verwachten. Maar hier gebeurt iets heel anders. Ingrijpende gebeurtenissen in ons leven snijden ons af van onze routines, het dagelijks leven komt je opeens surreëel voor – en dát is wat er gebeurt tussen de verteller en haar portal: ze ‘viel met een klap uit de ruimte van het warme wij, uit het verhaal dat haar opeiste als coauteur’. Maar ze wijst de portal niet af. Sterker: zodra de shock een beetje uit haar lijf is weggetrokken, is het eerste wat ze doet zich er weer in ingraven.

Als zij het voor het zeggen had gehad, zegt de verteller, had ze de ene na de andere foto van haar nichtje in haar feed gepost, waar het meisje ‘een eigen leven zou leiden, ver van haar feitelijke lot, op de plek waar beelden zich eeuwig konden ophouden’. Dit klinkt als religie. En misschien is de portal dat ook wel, in zekere zin, voor haar. Uit Lockwoods tekst rijst de portal op als een onvergankelijke, zeldzaam intieme, gemeenschappelijk geschapen ruimte, een ‘collectieve stream of consciousness’, waar de ironische grijns de dresscode is, maar de overgave oprecht. Zou dat dan misschien typisch menselijk zijn? Hebben we niet allemaal van tijd tot tijd behoefte aan een ruimte waar het woord alive even tussen aanhalingstekens mag?