Recensie

Recensie Boeken

Niemand anders haalt het in zijn hoofd om zinnen als die van Lecompte op papier te zetten

Delphine Lecompte In de wereld van haar West-Vlaamse jeugd is alles even wild en anekdotisch. Lecompte schrijft uniek proza – als de struise, schalkse liefdesbaby van Dimitri Verhulst, Herman Brusselmans en Marieke Lucas Rijneveld.

Illustratie Paul van der Steen
Illustratie Paul van der Steen

Jacques is zomaar iemand, een collega van haar moeder, een passant in Delphines leven. Maar de indruk die hij achterlaat is, zo lijkt het althans, enorm. Delphine beschrijft hem, jaren later, zo: ‘Jacques leek op een nobele Russische graaf, maar hij was slechts de zoon van een vulgaire Poperingse zwembadbouwer en hij gaf les over banditisme en erosie aan de ongeïnteresseerde kinderen van succesvolle misdaadschrijvers en noeste struisvogelkwekers.’

Het is véél – en van zo’n zin kun je dan ook, of moet je misschien wel, veel vinden. Het is grappig en gek, allereerst. Raar. Verwarrend, ook: wat staat hier nou eigenlijk, en waar slaat het op? Je kunt ook het gevoel hebben dat je na één zo’n zin gegeten en gedronken hebt, verzadigd bent – en dat een boek dat daarmee vol staat wel pathetische flauwekul moet zijn. En het staat ermee vol; de volgende zin luidt: ‘Terug in de bus viel ik in slaap en droomde ik dat mijn ex-stiefvader naakt rondliep in een parapluwinkel met een luide wekker in zijn ene hand en een barbaars anticonceptiemiddel in zijn andere hand.’

Een overprikkelde lezing ligt op de loer bij de massieve taalkronkels van Delphine Lecompte (1978), al jarenlang bekend als dichter, die dit voorjaar als prozaïst debuteerde met Beschermvrouwe van de verschoppelingen, waaruit de geciteerde zinnen komen. Maar het is ook uniek proza – je zou kunnen zeggen: Lecompte schrijft als de struise, schalkse liefdesbaby van Dimitri Verhulst, Herman Brusselmans en Marieke Lucas Rijneveld. En alleen al omdat niemand anders het in zijn hoofd haalt zinnen als de hare op papier te zetten én het voor elkaar krijgt dat die serieus genomen worden, moeten we de literaire aanwezigheid van Delphine Lecompte waarderen.

Zes adjectieven

Nu al is er een vervolg, simpelweg Beschermvrouwe van de verschoppelingen II geheten, en de boeken zijn inderdaad bijna inwisselbaar: verzamelingen van korte stukken, eerder gepubliceerd als columns of (hoogst eigenzinnige) opiniestukken, die niettemin bijeengebracht als boek goed werken. Er zit een zekere herhaling in: telkens schrijft Lecompte over haar West-Vlaamse jeugd, over haar ouders en grootouders en alle aanverwante bijfiguren, over haar volwassenwording en onvolwassen volwassen-zijn, geplaagd als ze wordt door psychiatrische opnames, ingewikkelde verhoudingen en drankmisbruik. Nooit is het rustig of kalm of gewóón, telkens weer is alles volstrekt exuberant.

Ook in de stijl – vooral in de stijl. Bijvoeglijke bepalingen met vier, vijf, zes adjectieven zijn geen uitzondering. Als het over haarzelf gaat: ‘Ik was jong en naïef, een kinderlijke dromerige listige genadeloze inventieve indroevige zestienjarige troela.’ Maar ook vaste personages worden in alle kleuren van de regenboog geïntroduceerd (zoals haar ‘forse charismatische driftige vraatzuchtige saterachtige grootvader’) of krijgen vaste epitheta: ze heeft een ‘sombere mompelende’ stiefvader, en objecten van haar begeerte geeft ze een cryptische bijnaam, van ‘de oude kruisboogschutter’ en ‘de voormalige vrachtwagenchauffeur’ tot ‘de bedeesde zeepzieder’.

En dat is het meest basale niveau; de anekdotes en waarnemingen gaan nog eens over de kop. Zoals de beschrijving van juffrouw Marijke, die ‘rook naar waterschildpaddenvoeder en naar borsteltjes om bronzen mijnwerkers mee af te stoffen, en ik was verliefd op haar.’

Psychologische lezing

Wie ís de vrouw uit wie deze zinnen voortkomen? In feite niemand anders dan de ‘ik’ uit Lecomptes poëzie, die even wild en expliciet en anekdotisch en rijk is, maar in de vorm van proza lijkt de aanspraak op de werkelijkheid nog iets directer dan in haar verzen. Dit is autobiografischer (échter?), of wekt in elk geval die indruk. Tegelijk is dat zo paradoxaal als maar kan: het mag duidelijk zijn dat Lecompte fabuleert. Haar overdadige stijl maakt dat je geen enkel moment voor de volle honderd procent gelooft wat er staat – een opsomming waarin een ‘onderwaterlasser’ opduikt: dat moet ik geloven? Het mag dan ‘werkelijker’ lijken, Lecompte blijft een hoogst onbetrouwbare verteller. Heel soms laat ze een barstje in haar taalharnas ontstaan, in deze zin over een tandarts, bijvoorbeeld: ‘Bovendien gebruikte hij barbaarse zestiende-eeuwse instrumenten uit Moldavië, al weet ik niet zeker of Moldavië al bestond in de zestiende eeuw.’

Daardoor verlies je toch niet je interesse, als je je tenminste een weg door de praaltaal en de adjectievenjungle heen baant en probeert te bereiken wat eronder ligt. Beschermvrouwe van de verschoppelingen draait uiteindelijk toch om het wezen dat onder al die woordjes schuilt: zij intrigeert. Dat noopt tot een psychologische lezing, tussen de regels.

De vraag bij Lecompte is telkens: schrijft ze dit omdat het waar is of omdat het lekker klinkt? Het antwoord is misschien wel: het wordt waar omdát het zo lekker klinkt. Waarmee ze zichzelf ineens een kans heeft gecreëerd om de wereld naar haar hand te zetten, om schrijvend zo machtig als een god te zijn en de miserie te verdrijven. Want miserie is er: uiteindelijk zijn we allemaal wel de zoon of dochter van een vulgaire Poperingse zwembadbouwer. In die zin is Lecompte ook een onvervalst Vlaamse schrijver, iemand die de troosteloosheid, beklemming en smerigheid van alledag met haar taal te lijf gaat. À la Verhulsts De helaasheid der dingen dus, à la het wurgende niets waartegenover Brusselmans onvermoeibaar zijn verbale clownerie plaatst.

Lees ook dit artikel van Delphine Lecompte: Lieve dichters, houd uw coronakunst voor uzelf!

Messen werpen

Er zit een diep-romantische ziel in Lecompte, die zich niet neerlegt bij de grauwe werkelijkheid. Als ze zich de beroepskeuzelessen op school herinnert, weet ze nog dat zij graag ‘landloper’ wilde worden, terwijl de rest voornemens was om in de maatschappelijke gewoonheid op te gaan. Geld verdienen? ‘Op het eind van de maand schiet er niets over, en zo moet je leven.’ Tot haar opties hoorde verder in een circus werken, ‘messen werpen naar mooie exotische duizelingwekkende deernen, vuur spuwen, op koorden fietsen’. Of: ‘me ontfermen over zeezoogdieren in veel te kleine bassins’.

Aan het einde van dat hoofdstuk komt ze tot inkeer – met de reden waarom ze toch niet bij het circus is gaan werken, maar schrijver werd. ‘Maar ik wilde geen goochelaar worden, want ik wist dat alles wat zij deden dood en rook en illusie en schijn was, en ik was op zoek naar echte magie. Nog steeds.’ Lecomptes lyriek is ontroerend existentiële clownerie.