Drie grootmoeders over de tijd waarin zij aan de universiteit studeerden

Emancipatie Een oma hebben die op haar achttiende naar de universiteit ging, is zeldzaam. Wat zijn de verschillen tussen toen en nu? Drie grootmoeders praten erover met hun kleinkind. „Het was wel gek dat ik geen enkele vrouwelijke docent had.”

Iny Janssen-Achterberg (94) en haar kleindochter Susan Schoonwater (23).
Iny Janssen-Achterberg (94) en haar kleindochter Susan Schoonwater (23). Foto Sebiha Oztas

Mijn oma was „te slim om niet te gaan studeren”, zegt Susan Schoonwater (23) trots. „Zij was haar hele leven dokter. Het is bepalend geweest voor mijn wereldbeeld, voor mij was het vanzelfsprekend om als vrouw te studeren en te werken.” Haar oma Iny Janssen-Achterberg (94) zit naast haar aan de keukentafel, ze straalt als ze haar kleindochter hoort praten en zegt: „In mijn tijd had ik nog helemaal niet door dat het bijzonder was dat ik ging studeren. We waren destijds minder maatschappelijk bewust, denk ik. Ik kijk niet op mezelf terug als feminist, ik hield me helemaal niet bezig met de positie van de vrouw.”

Hoewel 2021 de boeken ingaat als het Aletta Jacobs-jaar – het is precies 150 jaar geleden dat zij zich inschreef bij de universiteit – draaien Nederlandse vrouwen nog helemaal niet zo lang mee in het hoger onderwijs. In 1950 was nog maar 15,5 procent van de universitaire studenten een vrouw, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 1980 was dat 30,9 procent. Pas sinds 2006 staan er volgens de cijfers van het CBS meer vrouwen dan mannen bij universiteiten en hogescholen ingeschreven.

Volgens de Emancipatiemonitor (2018) van het CBS en het Sociaal en Cultureel Planbureau, zitten vrouwen tevens in de hogere onderwijsniveaus, verlaten ze minder vaak voortijdig hun opleiding en gaan ze sneller door hun studie heen. Dat is terug te zien in de diploma’s. Het aandeel 15- tot 75-jarige vrouwen met een hbo- of wo-diploma (30,6 procent) was in 2018 vrijwel even groot als onder mannen in dezelfde leeftijdscategorie (30,7 procent). Naast het opleidingsniveau is ook de onderwijsrichting die vrouwen kiezen veranderd. Eerder werden diploma’s met name behaald in de zorggerelateerde studierichtingen zoals geneeskunde, nu worden economische, juridische en technische opleidingen steeds populairder.

NRC sprak drie pioniers, samen met hun kleinkind, nu ook student. Hoe kijken twee generaties naar de emancipatie in het onderwijs? En wat is de invloed van een rolmodel in de familie?

Iny Janssen-Achterberg (94) en Susan Schoonwater (23)
‘Vrouwen werden nog ontslagen’

Iny Janssen-Achterberg: „In 1946 was ik de enige van mijn klas die ging studeren. Als het aan mij had gelegen, was ik net als mijn vrouwelijke klasgenootjes huisvrouw geworden. Ik had nooit de wens om dokter te worden. Ik kwam uit een gezin met een klein ambtenarensalaris, studeren was veel te duur. Maar op de avond van mijn examenuitslag stond de directeur van de middelbare school voor de deur. Omdat mijn cijfers zo goed waren, opperde hij dat ik geneeskunde moest gaan studeren. Mijn vader voelde er wel voor, en zo ben ik erin gerold. Mijn moeder leefde toen al niet meer, zij was overleden aan een hersenbloeding. De directeur regelde een renteloos voorschot van de overheid, omdat mijn vader het niet kon betalen dat ik ging studeren. Dat geleende bedrag moest je na je studie in jaarlijkse termijnen terugbetalen.”

Susan Schoonwater: „Dit weet ik allemaal pas sinds kort.” Ze zijn het afgelopen jaar een stuk hechter geworden: Susan maakt een documentaire over haar oma. „Het voelde altijd vanzelfsprekend dat mijn oma haar hele leven dokter was. Pas toen ik me realiseerde hoe weinig vrouwen in die tijd konden studeren, besefte ik hoe bijzonder het is.”

Op de Universiteit Utrecht was Iny „zwaar in de minderheid”, zegt ze. „Maar dat was ik gewend, want dat was ook al zo op de HBS: in mijn klas van dertig zaten niet meer dan vijf vrouwen. We hadden de oorlog net achter de rug, en omdat we allemaal hetzelfde hadden doorstaan, waren voor mijn gevoel mannen en vrouwen gelijkwaardiger dan ooit. Maar ik realiseer me nu wel dat ik binnen de muren van de universiteit een bevoorrecht leven had. Ik was me gewoon niet bewust van de mindere positie van de vrouw.”

Susan: „Dat kón toen natuurlijk ook nog. Zonder televisie en zonder internet weet je niet hoe het andere vrouwen vergaat. Ik denk dat we ons nu veel meer maatschappelijk bewust zijn, we worden dagelijks geconfronteerd met onrecht in de wereld. Zelfs als je je er niet mee wíl bemoeien, krijg je het mee.”

Foto Sebiha Oztas
Foto Sebiha Oztas
Foto’s Sebiha Oztas

Iny: „Nu denk ik: het was wel gek dat ik geen enkele vrouwelijke docent had. Maar niemand had het daarover. Je zat er, je deed je best, je dacht niet al te veel na over je plek als vrouw.”

Susan: „Omdat de problemen na de oorlog zo groot waren, kan ik me voorstellen dat zoiets ook helemaal niet opviel. En er is nu ook meer vrijheid om je uit te spreken dan toen, met meer ruimte voor discussie.”

Na haar afstuderen werkte Iny als assistent-arts op de kinderafdeling van het ziekenhuis in Helmond. Daar ontmoette ze haar echtgenoot, die op dat moment een van haar co-assistenten was. „Niet ik, maar hij werd altijd aangezien voor de arts. Een vrouwelijke dokter, dat was voor veel mensen nog onbekend.” Toen haar man ook was afgestudeerd, zetten ze samen een huisartsenpraktijk op in Venlo. „Ik werkte eerst op de achtergrond, omdat we vijf kinderen achter elkaar kregen. Maar zodra de jongste naar de kleuterschool ging, ben ik spreekuren gaan doen en visites gaan rijden. Ik ben altijd blijven werken, thuis had ik me verveeld. We hadden een schoonmaakhulp voor het huishouden, en ik zorgde dat ik thuis was als mijn kinderen uit school kwamen. Omdat we eigen baas waren, kon ik aan de slag blijven – vrouwen werden toen nog eervol ontslagen zodra ze gingen trouwen.”

Susan: „Dat is bij mijn andere oma gebeurd, die telefoniste was. En toch zag ik het dokterswerk van mijn oma als de norm.”

Iny: „Het was niet altijd makkelijk. Alle moeders liepen in de zon met hun kinderwagen, terwijl ik op de praktijk zat. Ik verlangde daar af en toe ook naar. Toch inspireerde het twee van mijn dochters om ook over een geneeskundestudie na te denken, al zijn ze uiteindelijk iets anders gaan doen. Dat vond ik dan wel weer bijzonder.”

Susan: „Dankzij mijn familie is studeren en werken voor vrouwen bij ons de regel. Als ik seksistische grapjes hoor, kan ik me daar enorm over opwinden. Ik ben heel bewust feministisch, terwijl mijn oma vrij nuchter over haar leven praat. Zij was écht revolutionair voor haar tijd.”

Clara van Es-de Boer (88) en Elenoor van Es (24)
‘Ik had niet door hoe speciaal het eigenlijk was’

Clara van Es-de Boer: „In onze familie werd altijd al door de vrouwen gestudeerd. De zus van mijn vader studeerde in 1918 af als tandarts. Zij wilde eigenlijk veearts worden, net als haar vader, maar dat kon in die tijd nog niet: als vrouw mocht je maar een beperkt aantal studies volgen. Ik ben tandheelkunde gaan studeren, door mijn achtergrond voelde dat als een logische stap. Ik startte in 1952 in Utrecht.”

Elenoor van Es: „Ik vind het bijzonder dat de vrouwen in onze familie al generaties lang studeren. Het is een bevoorrechte positie waar je lang de juiste middelen voor moest hebben, maar we lopen er niet mee te koop. We studeren en werken omdat we het leuk vinden, niet omdat we het elkaar opleggen.”

Clara: „In mijn studietijd had ik zelf niet door hoe speciaal het was dat ik studeerde. Ik was lid van de Utrechtse Vrouwelijke Studentenvereniging, daar kregen we bijvoorbeeld seksuele voorlichting, omdat dat op school niet werd gegeven. Dat was toen best geëmancipeerd, al werd ons wel op het hart gedrukt om geen seks voor het huwelijk te hebben. Veel meisjes waren daar ook bang voor, omdat ze dan zwanger konden worden, moesten trouwen en met hun studie moesten stoppen. Anticonceptiemiddelen waren er nog niet.”

Elenoor: „Als ik papa’s verhalen mag geloven, trokken de vrouwen in jouw omgeving naar elkaar toe. Dan zorgden jullie ervoor dat alleen de meisjes in de collegezaal zaten, omdat een docent steevast ‘goedemorgen heren!’ riep. Na jullie stunt liep de professor de zaal uit, omdat er zogenaamd niemand aanwezig zou zijn.”

Foto Sebiha Oztas
Foto Sebiha Oztas
Foto’s Sebiha Oztas

Clara: „Veel dingen waren toen anders. Ik zat bijvoorbeeld in het bestuur van de tandheelkundige vereniging, waar altijd maar één vrouw in mocht plaatsnemen. Je kon ook geen voorzitter zijn. Een eigen bankrekening had je ook niet, want als vrouw mocht je amper zelfstandig handelen. Toch besteedde ik daar toen weinig aandacht aan.”

Elenoor: „Later werd die ongelijkheid je volgens mij wel duidelijker. Zo drukte je papa op het hart dat ik zelf mijn rijbewijs moest halen, zodat ik niet afhankelijk zou zijn van een man.”

Clara: „Ja, dat vond ik belangrijk. Zoals ik het óók belangrijk vond om te gaan werken na mijn studie, en niet – zoals veel andere afgestudeerde meisjes – te gaan trouwen en het erbij te laten. Tandheelkunde was een van de duurste studies om te volgen, ik vond het doodzonde om niet aan het werk te gaan. Omdat ik je opa tegenkwam tijdens mijn studie, konden we samen starten. Hij werkte in een praktijk die hij net had overgenomen en ik werd schooltandarts.”

Elenoor: „Dat oma haar leven zo heeft ingericht, sijpelt automatisch door in onze familie. Mijn oma is ook blijven werken toen ze kinderen kreeg.”

Clara: „Dat was soms best uitdagend. Toen ik zwanger werd, moest ik zelf voor een vervanger zorgen. Ik heb het toen maar aan een vriendin gevraagd, want via mijn werkgever kon er niks geregeld worden. En ik kon nooit een oppas vinden, omdat er verder nog amper vrouwen werkten.”

Elenoor: „Tegen dat soort dingen loop ik in de toekomst niet aan. Ik wind me nu meer op over zaken als stereotypering. Bij mijn studie ben ik als vrouw in de minderheid, en mensen zeggen daarom vaak dat ze niet hadden gedacht dat ik aardwetenschappen zou studeren. Hè hè, denk ik dan, omdat ik blond ben en een rok draag, zeker.”

Clara: „Ik vind het terecht dat vrouwen in opstand zijn gekomen. In mijn bubbel, en in die tijd, hielden we ons niet bezig met protesten. Al zeiden we wel onder elkaar dat je op een vrouw moest stemmen. Ik had één vriendin die in de gemeenteraad zat voor de VVD, die verspreidde toen al die boodschap.”

Ankie van der Wind-Wolff (78) en Daan van der Wind (24)
‘Ik bewonder vrouwen van nu’

Ankie van der Wind-Wolff: „Ik groeide grotendeels op in Nederlands-Indië, mijn ouders hadden allebei niet gestudeerd. Omdat mijn vader officier bij de luchtmacht was, werden we om de twee jaar overgeplaatst. Ik heb in Den Haag en Parijs gewoond, uiteindelijk ging ik in Zeist naar het gymnasium. Daar zat ik in een alfaklas met maar twee jongens, terwijl in de bètaklas juist geen meisjes zaten. Maar iedereen van het gymnasium ging in die tijd wel studeren, man óf vrouw.”

Ze bladert door een fotoboek. „Dit ben ik op de Utrechtse Dom, in 1960. Ik ging in dat jaar rechten studeren. Het was mijn ambitie om te gaan werken bij de Europese Economische Gemeenschap [de voorloper van de huidige EU], omdat ik reizen naar het buitenland al gewend was. En omdat ik vloeiend Frans en Engels sprak, koos ik voor internationaal recht.”

Daan van der Wind: „Ik ben in eerste instantie rechten gaan studeren, maar dat was het toch niet voor mij. Ik vind het heel leuk dat mijn oma op de universiteit heeft gezeten in een tijd waarin dat nog niet de norm was. Toen opa nog leefde, hadden we het samen veel over hun studententijd. Het was bijzonder om over de verschillen te praten, juist omdat ik er nog zo middenin zit.”

Ankie: „Rechten was in mijn tijd nog een mannenstudie, al waren we als vrouwen niet enorm in de minderheid. Wel zaten we gescheiden in dezelfde collegezaal, waarbij de hoogleraar zich alleen tot de mannen richtte bij het stellen van een vraag. De enige vrouwelijke hoogleraar die ik had, zal ik nooit vergeten, deels omdat ze me regelmatig op het hart drukte hoe slim ze me vond. Ze is 102 jaar geworden.”

Daan: „Ik kan me voorstellen dat zo’n vrouw een rolmodel is, zoals mijn familie dat voor mij is. Het is niet in mij opgekomen om níét te gaan studeren na de middelbare school, terwijl ik als een van de weinige jongens van mijn vroegere voetbalteam een vervolgopleiding ben gaan doen. Omdat we op een vrij hoog niveau speelden, maakte de rest liever zo snel mogelijk hun middelbare school af, om daarna vol voor de sport te gaan.”

Copyright Sebiha Oztas www.sebihaoztas.comNRC HandelsbladAnkie van der Wind-Wolff (78) rondde in 1966 een studie rechten in Utrecht af. Haar kleinzoon Daan van der Wind (24) studeert Economics & Business Economics in Amsterdam
Foto Sebiha_0ztas
Foto Sebiha Oztas
Foto’s Sebiha Oztas

Ankie: „Ik zeg altijd: als je kunt studeren, doe het dan. Ik heb er hele fijne herinneringen aan. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik als vrouw werd achtergesteld. Al is het natuurlijk wel raar dat ik uiteindelijk niks met rechten heb gedaan, puur omdat ik ging trouwen. De huisartsenpraktijk van mijn man, op het platteland, had de prioriteit – ik had de zorg voor de kinderen. Die dingen waren niet te verenigen met mijn werk op de juridische afdeling van de Eerste Rotterdamse Maatschappij.”

Daan: „Toen was de norm nog dat je niet ging werken als vrouw, nu is het eerder andersom. Wat ik zie is dat je het als vrouw niet snel goed kunt doen: als je niet werkt, word je daarop aangekeken, maar fulltime aan de bak – en daarmee minder tijd voor de kinderen – wordt ook vaak afgekeurd. Het lijkt me lastig om daar een balans in te vinden.”

Ankie: „Die discussie leefde in mijn tijd absoluut niet. Ik vond mijn ontslag stiekem niet zo erg: geen keus hebben zorgde ook voor berusting, en na een jeugd vol verhuizingen vond ik het heerlijk om in één huis te kunnen blijven wonen. En vergeet niet: als mijn generatie vroeger uit school kwam, was je moeder thuis. Ik was onderdeel van de eerste lichting die zelfstandig ging werken, maar groeide op met een heel ander voorbeeld.”

Daan: „Terwijl mijn moeder niet altijd thuis was, zij werkte fulltime. Door haar stem ik ook altijd op een vrouw, en voelt vooral mijn zusje zich erg verwant met emancipatiethema’s, waar ik zéker geen grappen over mag maken. Daar verzet ik me tegen door het juist wel te doen, maar ik begrijp haar wel.”

Ankie: „Ik bewonder de vrouwen van nu enorm. Ze zijn zelfstandiger en richten hun leven totaal anders in. Dat zag ik één generatie later, in het leven van mijn dochter, al terug. Mijn man vond het onbegrijpelijk dat niet zij, maar haar man vaker de boodschappen deed, en ook nog eens kookte.”

Daan: „Ik merk nu zelf ook minder verschillen tussen man en vrouw. Al werd ik tijdens mijn minor programmeren wel met mijn neus op de feiten gedrukt: daar zitten nog steeds veel meer jongens dan meiden. De focus moet nu denk ik vooral liggen op gelijke beloning op het werk. Vrouwen doen het in mijn studie vaak beter dan de mannen, maar zien dat later nog lang niet altijd terug in hun portemonnee.”