Componist Peter-Jan Wagemans schreef een boek over twintigste-eeuwse muziek.

Foto Andreas Terlaak

Interview

Peter-Jan Wagemans laat zien hoe je moderne muziek maakt

The Big Composers Cookery Book In zijn nieuwe ‘Componistenkookboek’ analyseert Peter-Jan Wagemans twintigste-eeuwse muziek tot in detail. „Polyphonie X van Pierre Boulez is het allerslechtst klinkende stuk ooit.” Van Wagemans zelf gaat zaterdag een nieuwe compositie in première.

‘Er wordt een hoop omheen gezwamd”, zegt componist Peter-Jan Wagemans (69) in zijn werkkamer. Hij heeft het over de compositie Gruppen van Karlheinz Stockhausen, een iconisch en notoir complex werk van de naoorlogse avant-garde. Maar eigenlijk geldt zijn opmerking voor de hele twintigste-eeuwse muziek. Veel gezwam, maar hoe zit de muziek nu echt in elkaar? Hoe gingen componisten als Igor Stravinsky, Arnold Schönberg en Steve Reich te werk, waarom noteerden ze juist díe noot?

Wie dat wil weten kan terecht in The Big Composers Cookery Book, een kloek boekwerk waarmee Wagemans een kroon heeft gezet op zijn loopbaan aan het Rotterdams Conservatorium. Voer voor fijnproevers, dat wel. „Sommige analyses zijn echt lastig. Ook voor mij”, geeft hij toe.

Zondag wordt het Componistenkookboek gepresenteerd in De Doelen in Rotterdam. Een dag eerder klinkt in de NTR ZaterdagMatinee de wereldpremière van Wagemans’ Carnival of shades dat hij componeerde voor het 75-jarig jubileum in 2020 van het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor.

Wagemans woont al drie decennia in een monumentaal pand uit 1630 in het centrum van Dordrecht. Zijn werkkamer, een aanbouw uit de negentiende eeuw, bestaat uit een bibliotheek en een orangerie met gravures van muziekinstrumenten in het glazen dak. Er staat een mooie Steinway die hij heeft „overgehouden” aan zijn opera Legende, die in 2011 een succes was bij De Nederlandse Opera. Hij speelt er elke dag een paar uur op, heeft zelfs een leraar. Etudes van Chopin. En Ravel. „Ravel is een grote liefde van mij. De eerste partituur waar ik verliefd op werd was de eerste suite uit Daphnis et Chloé. Toen was ik elf. Ik kan je zeggen, dat heb ik met vrouwen nooit zo gehad!”

Volgens Wagemans is „de hele harmonische taal van de jazz” afkomstig van Ravel. Niet Ravel is beïnvloed door de jazz, het was juist andersom, zegt hij stellig. „Kijk maar naar de jaartallen. Ravels Valses nobles et sentimentales zijn uit 1911.”

Jazz is een van de invloeden op Wagemans’ nieuwe stuk voor de ZaterdagMatinee. Althans, jazz zoals hij die waarneemt. „Ik probeer zo zorgvuldig mogelijk niets van jazz te weten, zodat het mijn ding blijft.”

In Carnival of shades heeft Wagemans zes teksten van de Amerikaanse poète maudit Lucien Zell getoonzet voor sopraan, koor en orkest. „Het is een beetje een droevig onderwerp, het einde van de wereld, maar ik wilde wel dat het zou stáán. Je hebt in de Matinee een groot publiek en ik vind het pervers om die mensen iets heel ingewikkelds voor te schotelen. Dat doe je maar in je kamermuziek.”

Onderwijsman

Twintig jaar gaf Wagemans het vak Analyse op het Rotterdamse Conservatorium, tegenwoordig Codarts geheten, waar hij ook de compositieafdeling leidde. Wagemans noemt zichzelf „een echte onderwijsman”, hij genoot van het lesgeven, de leergierigheid van zijn studenten. „En ik was ook wel ijverig, dus ik maakte ieder jaar een nieuwe cursus.” Nettoresultaat: een indrukwekkende stapel diepgravende analyses van meesterwerken en anderszins belangwekkende composities uit de twintigste eeuw. Drie jaar geleden, in het laatste jaar voor zijn pensioen, kreeg hij de ruimte om aan zijn boek te werken. Het conservatorium betaalde ook de Engelse vertaling voor het boek. „Een levenswerk? Ja, zo kun je het denk ik wel noemen.”

Dit boek mijn levenswerk? Ja, zo kun je het denk ik wel noemen

In 1971, toen hij zelf in het tweede jaar van het conservatorium in Den Haag zat, raakte hij voor het eerst gegrepen door analyse. Docent Reinbert de Leeuw was razend enthousiast over Stockhausens Gruppen en het artikel ...wie die Zeit vergeht... (1957), waarin de componist uitlegt wat zijn muziek betekent. In het modernisme was het eerder regel dan uitzondering dat componisten doorwrochte teksten over hun muziek publiceerden.

„Wij luisterden thuis naar Bach en Beethoven, Ravel was mijn jeugdliefde. En toen kwam ik opeens terecht in een totaal andere manier van denken over muziek. Dat was verwarrend – vind ik dit mooi? Is dit de toekomst? Iedereen wilde Stockhausens artikel snappen, we hadden het idee dat hij de deur had geopend, alleen begrepen wij het nog niet. Het was een verademing toen later John Cage langskwam, daar viel niks aan te snappen.”

De grote analyses in zijn boek zijn „tot op de noot”, zegt Wagemans. „Daar staat een a – waarom staat die daar? Maar stukken als Gruppen kun je niet analyseren als de componist niet vertelt hoe hij het gemaakt heeft, wat zijn strategie was.” Decennia zocht Wagemans naar de sleutel tot Gruppen. Die vond hij uiteindelijk dankzij een musicologe die Stockhausens oorspronkelijke aantekeningen in handen kreeg, kleine geperforeerde agendablaadjes vol „gekriebel”. Zij trok echter geen conclusies. „Daar ben ik het meest trots op: ik laat in dit boek als eerste zien hoe Gruppen precies gemaakt is.”

Stockhausens regieaanwijzingen zijn zó debiel dat je als regisseur alle kanten op kan – je moet wel

Plezier

Het Componistenkookboek is primair bedoeld voor vakstudenten, maar ook buiten de diepgravende, soms taaie, analyses valt er een hoop te genieten. Dat is ook de implicatie van de ludieke titel: het is geen panklaar receptenboek voor aspirant-grote-componisten, maar de materie wordt wel smeuïg opgediend, gelardeerd met anekdotes en scherpe meningen. Wagemans schrijft zoals hij praat, met grote kennis van zaken én een antenne voor prikkelende terzijdes. „Die arme jonge mensen worden bekogeld met kurkdroge boeken. Ik wilde aangeven dat dit boek weliswaar zijn kurkdroge kantjes heeft, maar dat het plezier van de exploratie vooropstaat.”

Lees het interview met Wagemans en David Kweksilber (2016): ‘Sterven is voor ons een eitje’

Er zijn hoofdstukken over de grote kunstcentra van een eeuw geleden, Wenen en Parijs, over postmoderne ‘hybrid music’ en minimal. Het zwaartepunt van het boek ligt op de avant-garde die kort na de Tweede Wereldoorlog het Europese muziekleven in zijn greep kreeg en waarvoor Wagemans een nieuwe term munt: ‘young music’. „Al heel jong stonden deze componisten in de spotlights. Stockhausen en Boulez waren als twintigers de koningen van het muziekleven, dat heeft geen precedent in de muziekgeschiedenis. De cultuurbazen hadden één voorwaarde: wat jullie maken moet nieuw zijn. We willen dat het klinkt als de muziek van een nieuwe generatie. Iedereen had behoefte aan een nieuw begin – totdat ze hoorden waar het heen ging. Toen zeiden ze: wacht even, zo nieuw hoeft nou ook weer niet!”

Maar de maatschappelijke dynamiek won. „Pierre Boulez begon zijn carrière met twee mislukkingen. Eerst Structures 1a, een soort kruiswoordpuzzel. En daarna Polyphonie X, wat het allerslechtst klinkende stuk uit de muziekgeschiedenis is, echt een zielloos serieel bunkerstuk. Het gekke is: het heeft Boulez’ reputatie niet geschaad.” Omgekeerd mochten oudere componisten hun biezen pakken. „Hindemith, bijvoorbeeld. Die man had niets fout gedaan, hij heeft zelfs heel mooie muziek geschreven, maar hij kon oprotten.”

Subsidies

Atonale muziek vormt maar een klein deel van wat er in de twintigste eeuw gemaakt is, benadrukt Wagemans. Wel werd de avant-garde zwaar gesubsidieerd. „Ik ben niet tegen subsidies, integendeel, maar dat ze er zo makkelijk over dachten, daar heb ik toch wel moeite mee.” Pierre Boulez, rekent Wagemans voor, streek op zeker moment 70 procent van de Franse nieuwe-muzieksubsidies op, met zijn onderzoeksinstituut IRCAM en het Ensemble Intercontemporain. „En als je ziet welke financiële eisen Stockhausen stelde… Puccini en Strauss zijn ook rijk geworden met muziek, maar zij worden nog steeds gespeeld. Stockhausen heeft nooit een hit geschreven. Geen enkel stuk heeft repertoire gemaakt.”

Ik ben representatief voor een generatie componisten die behoorlijk met Boulez en Stockhausen in hun maag zaten

Ja, het driedaagse muziektheater Licht was in 2019 een succes in het Holland Festival, geeft Wagemans toe. Maar dat evenement kwam volgens hem toch vooral uit de koker van regisseur Pierre Audi. „Stockhausens regieaanwijzingen zijn zó debiel dat je als regisseur alle kanten op kan – je moet wel.”

Ach ja, Berg

Wagemans verzet zich dan ook met overgave tegen de „officiële Duitse lijn” van de geschiedschrijving, het idee dat de chromatiek van de late Romantiek op natuurlijke wijze uitvloeide in de atonaliteit en de twaalftoonsmuziek van de Tweede Weense School en het latere serialisme. „Dat is onjuist en dat toon ik aan in mijn boek.” Hij houdt een pleidooi voor „de humanistische traditie” van twintigste-eeuwse componisten als Bernd-Alois Zimmermann, Karl Amadeus Hartmann en Hans Werner Henze, die niet de miniaturen van Anton Webern als model namen, maar navolgers waren van de opera Wozzeck van Alban Berg.

„In de beeldvorming rond de Tweede Weense School was Schönberg de man, Webern was héél belangrijk voor de latere avant-garde, en Berg, ach ja, Berg. Hij staat ook nooit op foto’s van dat groepje, want hij moest de foto’s maken. Terwijl Berg met afstand de belangrijkste componist van hen is, hij wordt ook het meest gespeeld.” De werkelijke invloed van Webern op Stockhausen en Boulez is „aantoonbaar vrij klein” geweest, zegt Wagemans.

In zijn hoofdstuk over ‘Hybrid music’ wijdt Wagemans ook enkele pagina’s aan ene Peter-Jan Wagemans. Hij lacht. „Ik had het idee dat het boek wel eens een standaardwerk zou kunnen worden. Toen dacht ik: ik ga mezelf niet moedwillig uit de muziekgeschiedenis schrijven! Bovendien, als ik mezelf van enige afstand bekijk, ben ik ook wel representatief voor een generatie componisten die behoorlijk met Boulez en Stockhausen in hun maag zaten.”

Stockhausens regieaanwijzingen zijn zó debiel dat je als regisseur alle kanten op kan – je moet wel

Hij herinnert zich een concert bij het IRCAM in Parijs met vroege werken van Magnus Lindberg, ergens jaren tachtig. „Ver-schrik-ke-lijk. Ik was vreselijk aangeslagen. En het was zo’n mooie kunstvorm… Maar ik was evenmin van de waterige neoromantiek. Dat was best lastig. Je kunt niet alles niet goed vinden. Ik was naarstig op zoek naar iets om te bewonderen. Achteraf lijkt het of ik alles wat ik componeerde zeker wist, maar het is soms voor de poorten van de hel weggesleept.”

Uiteindelijk vond Peter-Jan Wagemans zijn openbaringen buiten de muziek in het boek The Language of Post-Modern Architecture (1977) van architectuurhistoricus Charles Jencks, en in de bonte stijl van Memphis Design uit Milaan. Wagemans haalt Alessi’s fluitketel met vogeltje op de tuit uit zijn boekenkast. „Ik dacht: hier ga ik het muzikale equivalent van maken.” Dat werd Viderunt omnes (1988), een doorbraakwerk waarin Wagemans speelt met het gelijknamige meerstemmige zangstuk van Perotinus uit ca. 1200. „Noten uit de Notre Dame-school gekoppeld aan een Hollandse klank, beetje brutaal, provocerend, met blazers. Iets dat precies tussen mij en Perotinus in staat: dat snijvlak was voor mij enorm bevrijdend.”

‘Carnival of shades’ van Peter-Jan Wagemans, 6 nov Concertgebouw Amsterdam, door Radio Filharmonisch Orkest & Groot Omroepkoor o.l.v. Antony Hermus, m.m.v. Rinnat Moriah (sopraan). NTR ZaterdagMatinee. Inl: concertgebouw.nl & nporadio4.nl Presentatie The Big Composers Cookery Book, 7 nov, 15.30 uur, De Doelen Rotterdam. Inl: dedoelen.nl
Luister ook naar Wagemans in podcast De componistenkamer