Opinie

Er lijkt geld zat voor klimaatfinanciering, maar dat zegt weinig over de toekomst

Maarten Schinkel

Het moet Mark Carney, de voormalige baas van de Britse centrale bank worden nagegeven: hij weet hoe je de voorpagina van de Financial Times haalt in een week die al bol staat van het klimaatnieuws. Carney blijkt beleggingsfondsen, banken en de rest van de financiële sector bereid te hebben gevonden 130.000 miljard dollar in te zetten om de klimaatdoelen van 2050 te helpen halen. Maar wat voor bedrag is dat eigenlijk? Het is vooral groot. Heel groot. Het is zelfs belachelijk groot.

130 biljoen (het Nederlandse biljoen dus) laat zich vergelijken met de waarde van alle aandelen van beursgenoteerde bedrijven ter wereld (de MSCI-index). Het bedrag is een derde groter dan de jaarlijkse productie van de hele wereldeconomie. En het betekent eigenlijk helemaal niets. Alsof de financiële sector die zich heeft aangesloten, heeft gezegd: wij doen mee, dus tel ons hele balanstotaal er maar bij op.

Het destructieve van dit initiatief is dat het alle andere klimaatinitiatieven en hun financiële onderbouwing volledig in de schaduw zet. Als een poenerige oom die onaangekondigd op kraamvisite komt met een teddybeer van 2,5 meter.

Een vertegenwoordigster van een ngo die zich bezighoudt met de rol van de financiële sector en het klimaat noemde het plan „een mijl breed, maar een inch diep”. En dat terwijl financiering uiterst belangrijk wordt. Want naar een kostenplaatje dat zich uitstrekt over drie decennia kan alleen een grove slag worden geslagen.

In de Stern Review van 2006, het eerste grote rapport dat de schade en kosten van klimaatverandering in kaart probeerde te brengen, waren de marges in de schattingen voor de schade en kosten in 2050 zeer breed. Veel kunnen die marges in de tussentijd niet veranderd zijn: de toekomst laat zich op deze termijn alleen vangen in een scenarioanalyse, met verschillende mogelijke uitkomsten. Zo’n analyse zou er ook moeten komen voor de financiering van het klimaatbeleid zelf. Niet alleen omdat de benodigde bedragen kunnen wijzigen, maar ook de kosten van de financiering van die bedragen. Want ook hier zijn verschillende uitkomsten voor 2050 denkbaar.

Op dit moment kun je denken: wat is het probleem? Er lijkt geld zat voor klimaatfinanciering en de rente is ultralaag. Overheden lenen tegen zeer lage rentes. En als je de oplopende inflatie meetelt zelfs tegen negatieve ‘reële’ rentes, die op recordlaagte staan – de reële rente op tienjarige Nederlandse staatsleningen zal nu rond -3 procent liggen. Of zelfs lager. Geen wonder dat de wereldeconomie zich kenmerkt door een record aan goedkope schulden, bij overheden, bij huishoudens en bedrijven.

Maar dat zegt weinig over de toekomst. De rente is nú laag, mede omdat er te veel spaargeld is op zoek naar te weinig bestemmingen. De babyboomgeneratie schuift sparend de pensioengerechtigde leeftijd in. Maar in de volgende decennia wordt al dat spaargeld aangewend voor de oudedagsconsumptie waar het voor bedoeld is. Dan wordt het spaargeld schaarser, en daar hoort misschien wel een hogere rente bij.

Of: wat doet een uit de hand lopend klimaatprobleem met de productiviteit en de economische groei? Hoe doorstaat de wereldeconomie in de tussentijd de lastige overgang naar duurzame energie? Blijft globalisering? Is de structurele daling van de inflatie van de afgelopen vier decennia voorbij?

De eerste aanvechting bij zo veel onzekerheid is zo veel mogelijk langlopend financieren – zeer langlopend. Nú lenen, in de vorm van obligaties met looptijden van vele, vele decennia. Daarmee leg je de lage rente van nu vast tot in de verre toekomst. Mocht Carney de financiële sector ertoe kunnen verleiden om tegen die voorwaarden te financieren, dan raken we die teddybeer wel ergens kwijt.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.