Opinie

Dek kunst niet af met vijgenbladeren

Een Toscaans landgoed, dat een Britse creatie is, doet Joyce Roodnat denken aan de expositie ‘Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme’. Daar suggereren de meeste tekstbordjes dat de werken niet deugen (want gratuit exotisme). Maar afkeer voldoet niet om kunst zomaar af te schrijven.

Joyce Roodnat

Dat Toscane mooi is, is een cliché. En ik sta te staren naar het cliché van dat cliché: een golvend geel landschap, leeg op een slingerende rij cipressen na. Ik maak een foto. Ik bekijk ’m, het lijkt net een schilderij. Ik kijk op: het bestaat. En ja, het is van een onfatsoenlijke schoonheid.

Ik ben op La Foce, het landgoed van de schrijfster Iris Origo, wereldberoemd sinds de jaren 80 dankzij haar boek uit 1957: De koopman van Prato. De Engels-Amerikaanse erfgename trouwde in 1924 met de Italiaanse bastaardmarkies Antonio Origo. Ze kochten land in Toscane en maakten van de keiige streek met zieltogende boerenfamilies een schilderachtig, welvarend landbouwgebied. Wat wij nu zo mooi vinden is een Engelse creatie. Immers, sinds de jaren twintig van de vorige eeuw zagen vooral vermogende Engelsen Toscane als hun tuin en gingen aan de slag.

Origo gaf de society-architect Cecil Pinsent opdracht voor de geometrische tuin waar ik nu over uitkijk. Hij maakte van de tuin een kunstwerk en neemt de streek eromheen erbij. Het waanzinnige uitzicht wordt ingeleid met optisch bedrog via in het gareel gesnoeide hagen en vrijgespeeld door de metershoge coniferenmuur achterin liniaal-strak af te toppen.

Coniferenhaag op landgoed La Foce met weggesnoeide toppen, zoals voorgeschreven door de Britse tuinarchitect. Foto Joyce Roodnat

Het is trouwens een reconstructie. Toen de nazi’s dreigden haar villa te doorzoeken op onderduikers, verspreidde ze het gerucht dat er goud onder de tuin begraven lag. Hij werd omgespit, kunst opgeofferd in ruil voor mensenlevens. Ze zal gehuild hebben, maar ze deed het.

Terwijl ik paf sta van Origo’s landschap, denk ik: kan La Foce door de beugel? Het is overduidelijk een Brits-romantische artistieke ingreep in het Italiaanse landschap. Voor ons is dit nu Toscane. Voor de Italianen voelde de invasie van de Engelse rijkelui als cultureel kolonialisme. „Inglese italianato, diavolo incarnato” zeggen ze hier, „veritaliaanste Engelsman, vleesgeworden duivel”. Verdient La Foce het brandmerk ‘toe-eigening’?

Ik vind dat concept moeilijk, ik merkte het in het Amsterdamse Stedelijk Museum, op de expositie Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme, waar een schetsboek van Ernst Ludwig Kirchner wordt afgedaan als „antropologische aantekeningen”, terwijl ik ijzersterke tekeningen zie

Lees ook de recensie van de tentoonstelling in het Stedelijk Museum: De exotische blik van de Duitse expressionisten Kirchner en Nolde

De meeste tekstbordjes suggereren: die schilderijen deugen niet. Ik zie juist serieuze artistieke belangstelling, niet het gratuite exotisme dat hem en Nolde hier wordt toegedacht. Jazeker, morele oordelen horen erbij. Goeie kunst maakt iets wakker. Dat kan van alles zijn tussen bewondering en onverschilligheid, maar zelfs afkeer voldoet niet om kunst zomaar af te schrijven.

En dan? Afdekken wat je niet bevalt? De vijgenbladeren zullen niet aan te slepen zijn. Ook van een ‘foute’ kunstenaar kan het oeuvre onweerstaanbaar zijn. Nolde hield van Hitler, maar hij bleef ‘entartet’ werken. Hij hield nog meer van zijn artistieke vrijheid met als resultaat schilderijen die ik nooit meer wil vergeten.

En nu versmelt ik met het iconische beeld dat Iris Origo oplegde aan Toscane.