Recensie

Recensie Beeldende kunst

Alice Neel had altijd een open oog voor de mens

Tentoonstelling Zeven decennia lang legde Alice Neel de Amerikaanse samenleving vast in haar portretten. Een retrospectief in Guggenheim Bilbao benadrukt haar activistische kant en haar liefde voor kansarme mensen.

Alice Neel, ‘Georgie, Arce No. 2’ (1955) en Alice Neel in haar studio in New York, ca, 1960.
Alice Neel, ‘Georgie, Arce No. 2’ (1955) en Alice Neel in haar studio in New York, ca, 1960. Foto’s Collectie Lonti Ebers, The Estate of Alice Neel

Uitdagend kijkt de jongen met de zwarte ogen ons aan, een groot glimmend mes in zijn hand. Zijn vetkuif zit perfect in model, want het zijn de jaren vijftig in New York. Georgie Arce is een straatschoffie van een jaar of vijftien, als hij in 1955 door de Amerikaanse schilder Alice Neel (1900-1984) wordt vereeuwigd op een groot doek. Hij wil stoer overkomen, met zijn gouden ketting en zijn gebalde vuisten. Maar Neel ziet in hem vooral een dromerige adolescent.

Georgie Arce was een buurtgenoot van Alice Neel in de wijk Spanish Harlem, ook wel ‘East Harlem’ of ‘El Barrio’, waar ze tussen 1938 en 1962 woonde. Hij was de jongen die haar hond uitliet en klusjes deed, een arme immigrant uit Puerto Rico. Ze raakten bevriend en gedurende een jaar of tien poseerde hij regelmatig voor haar. Later zou Arce het criminele pad op gaan – in 1974 werd hij voor twee moorden veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf. Dat hij desondanks niet in de vergetelheid is geraakt en dat zijn portretten nu overal in belangrijke musea hangen, is aan Neel te danken. Zij had oog voor een kansarm kind naar wie verder niemand omkeek.

Hoe bijzonder dat eigenlijk was, besef je als je rondloopt op de fantastische Alice Neel-tentoonstelling People Come First in het Guggenheim Museum in Bilbao. Daar hangen talloze portretten van Neels buurtgenoten aan de muren: Dominicaanse jochies, Cubaanse moeders, Afro-Amerikaanse meisjes. Het zijn portretten waar je soms de armoede kunt aflezen aan een vermoeide blik of een ingevallen gezicht. Maar Neel wilde vooral hun menselijkheid tonen. „For me, people come first”, zei ze in 1950 tegen een journalist van het communistische tijdschrift Daily Worker. „Ik heb geprobeerd de waardigheid en het eeuwige belang van de mens te laten zien.”

Alice Neel, Elenka (1936) Foto The Estate of Alice Neel

Met haar portretten van kansarme, veelal zwarte immigranten boorde Neel een thema aan dat in de schilderkunst tot dan toe nog nauwelijks was geëxploreerd. De manier waarop schilders als Ernst Ludwig Kirchner en Emil Nolde iets eerder nog de inwoners van koloniale gebieden als Nieuw-Guinea hadden geportretteerd – zo is nu goed te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam – had toch vaak nog iets exotisch en karikaturaals. Maar Neel portretteerde haar buren als haar gelijken, met veel empathie en oog voor hun individualiteit. Dat was tot dan toe alleen nog op grote schaal gedaan door fotografen als Lewis Hine, die op Ellis Island de immigranten portretteerde die per schip in Amerika arriveerden, en door Helen Levitt, die net als Neel het straatleven in Spanish Harlem vastlegde.

Tegenwoordig zijn het vooral Afro-Amerikaanse schilders, denk aan Kerry James Marshall of Kehinde Wiley, die zwarte mensen portretteren om tegenwicht te bieden tegen de door witte portretten gedomineerde kunstgeschiedenis. Maar Neel probeerde dat als witte vrouw dus al op eigen houtje, vanaf de vroege twintigste eeuw. Dat maakt haar tot een eigenzinnige voorloper.

De schilderijen van Alice Neel geven een geweldig tijdsbeeld en een schitterende doorsnede van de Amerikaanse samenleving

Activisme

De tentoonstelling People Come First legt de nadruk op die activistische kant van Neel – een thema waar bij eerdere retrospectieven (in het Museum of Fine Arts in Houston, 2010 en het Gemeentemuseum Den Haag, 2016) veel minder aandacht voor was. Aan de hand van meer dan honderd schilderijen en tekeningen wordt haar oeuvre geplaatst in de sociale context van de grote gebeurtenissen in de twintigste eeuw: de Great Depression en het opkomend nationaalsocialisme in de jaren dertig, de rassenrellen in de jaren vijftig, de tweede feministische golf in de jaren zeventig.

Lees ook de recensie van Alice Neel in Den Haag: Parade van scheve tanden en lubberend vlees

Meteen al in de eerste zaal wordt die politieke kant van Neels werk goed duidelijk. Daar hangen twee aangrijpende schilderijen van demonstraties waar Neel zelf bij aanwezig was. In 1936 schilderde ze Nazis Murder Jews, waarop een lange stoet demonstranten is afgebeeld die door de straten van New York trekt. De rode vlaggen met hamers en sikkels duiden erop dat dit een protestmars van de Communistische Partij moet zijn geweest. Een wit protestbord met de tekst „Nazis Murder Jews” is het middelpunt van de compositie. Zo probeerde Neel, als een van de weinige kunstenaars van haar tijd, al vier jaar voor aanvang van de Tweede Wereldoorlog aandacht te vragen voor het toenemende antisemitisme in nazi-Duitsland.

Alice Neel, Nazis Murder Jews (1936) Foto The Estate of Alice Neel, Bilbao, Rennie Collection, Vancouver

Ernaast hangt een schilderij waarbij protestborden op een vergelijkbare wijze het centrum van de compositie vormen: Save Willie McGee uit 1950. Hier schilderde Neel de mensenmassa die zich bij het standbeeld van Benjamin Franklin in New York had verzameld om op te komen voor Willie McGee, een zwarte man uit Mississippi die onterecht was beschuldigd van verkrachting. Het is een werk dat zeventig jaar later nog steeds actueel is, gezien het recente politiegeweld tegen zwarte burgers in de VS.

Schilderkunst is niet het meest logische medium voor wie onrecht wil aankaarten of wil strijden voor sociale gelijkheid. Communisten zagen film en fotografie als wapens in de klassenstrijd – die media waren sneller en directer. Maar Neel bleef haar leven lang trouw aan de techniek van olieverf op doek. Ze bewonderde de propagandistische muurschilderingen van Diego Rivera.

Voor Neel was portretkunst bij uitstek geschikt om op te komen voor burgerrechten. „Ik denk dat door deze oorlog, de commercie en het fascisme, mensen consequent in hun waarde worden aangetast, afgewezen, veracht en omlaag getrapt”, zei ze eens. De ontmenselijking door de nazi’s wilde zij tegengaan door mensen weer hun menszijn terug te geven. „Een anarchistische humanist”, zo noemde ze zichzelf.

Dat was om meerdere redenen dapper, zeker omdat in de jaren veertig en vijftig het abstract expressionisme hoogtij vierde. In 1950, toen Jackson Pollock met zijn spetterschilderijen de kunstwereld bestormde, stelde Neel in de Daily Worker: „Ik ben tegen abstracte kunst omdat deze een haat tegen mensen laat zien. Het is een poging om mensen uit de kunst te elimineren, en om die reden zal het gedoemd zijn te falen.” Die tegendraadse, radicale houding zal eraan hebben bijgedragen dat Neel niet bepaald succesvol was in deze jaren van Koude Oorlog. Ze werd bovendien, vanwege haar lidmaatschap van de Communistische Partij, in de gaten gehouden door de FBI. Tussen 1948 en 1959 werd ze geschaduwd, zo bleek later uit haar FBI-dossier.

Naakten

Radicaal was ze ook vanwege haar vrije seksuele moraal. Neel kreeg vier kinderen, bij drie verschillende vaders. Het grootste deel van haar leven was ze een alleenstaande moeder die haar schilderijen in de keuken maakte, met haar jongste zoontjes om zich heen. Haar eerste dochtertje was in 1927 voor haar eerste verjaardag aan difterie overleden, haar tweede dochter werd in 1930 door haar echtgenoot, de Cubaanse kunstenaar Carlos Enriquez, mee teruggenomen naar Cuba. En hoewel ze officieel nog getrouwd was met Enriquez, komt op haar schilderijen uit de jaren dertig en veertig een hele trits aan minnaars voorbij.

Alice Neel, Pregnant Maria (1964) Foto The Estate of Alice Neel

Ongelofelijk direct en ongecensureerd zijn de tekeningen die Neel in 1935 maakte van zichzelf en haar toenmalige geliefde John Rothschild, met wie ze een affaire had. In een karikaturale, beetje naïeve stijl toont ze de banale realiteit na het vrijen: zij zit naakt op de wc te plassen en steekt intussen haar lange rode haren op, hij pist met zijn nog half stijve geslacht in de wastafel. Het is haast niet voor te stellen dat Neel deze tekeningen maakte in dezelfde tijd dat er in Amerika een fikse conservatieve wind waaide. De filmindustrie had bijvoorbeeld net de Hays Code opgelegd gekregen, die naaktscènes in Hollywoodfilms verbood.

De kunstwereld was in ieder geval nog niet klaar voor het directe naakt van Neel. Pas in de jaren zeventig, toen dankzij een nieuwe feministische golf de moraal rondom vrouwelijke seksualiteit iets losser werd, kwamen deze tekeningen uit de jaren dertig naar buiten. Ook een portret dat Neel in 1934 maakte van haar naakte dochter Isabetta – een fantastisch schilderij dat onmiddellijk doet denken aan het doek The Painter (1994) van Marlene Dumas – wilden de galeries decennia lang niet tonen.

Zo schilderde Neel thema’s waar weinig andere vrouwelijke kunstenaars zich tot dan toe aan hadden durven wagen. Erotische portretten, dat was altijd het territorium van mannelijke schilders geweest. Een frontaal mannelijk naakt als Neels portret van John Perreault (1972) was een zeldzaamheid in de kunstgeschiedenis. Zelfs nu, anno 2021, merk je dat bezoekers een beetje beschaamd kijken naar de behaarde benen en buik van de man, wiens geslachtsdeel precies het centrum van de compositie vormt.

Alice Neel, Carmen and Judy (1972) Foto The Estate of Alice Neel

John Perreault was een curator die Neel had benaderd voor een bijdrage aan een tentoonstelling over mannelijk naakt. Hij vroeg een ouder werk uit de jaren dertig in bruikleen, maar Neel wilde een nieuw doek inzenden. De 72-jarige kunstenaar vroeg daarop de curator om zelf uit de kleren te gaan.

Ook Neels portretten van naakte zwangere vrouwen en uitgetelde vrouwen die net bevallen zijn, kennen hun gelijke niet. Al in 1939 liet ze, op het doek Childbirth, zien met wat voor ellende vrouwen te kampen hadden. Met dikke wallen onder de ogen en pijnlijk opgezette borsten ligt de vrouw in kwestie in haar kraambed, in een compositie die een knipoog is naar Manets Olympia. Ook de schilderijen die ze later, in de jaren zeventig, maakte van kersverse moeders zijn allemaal wars van sentiment. Geen van de dames lacht of lijkt op een roze wolk te zitten. Allemaal kijken ze verschrikt, onzeker of verward – zoals op de foto’s die Rineke Dijkstra van jonge moeders maakte.

Transgenders

Als Alice Neel in 1962 verhuist naar de Upper West Side van Manhattan, naar een appartement op 107th Street, verandert ook haar thematiek. Nog steeds schildert ze haar buurtgenoten – in deze diverse wijk zijn dat veelal Japanse en Koreaanse immigranten – maar ze komt nu ook in contact met kopstukken uit de kunstwereld. Ze portretteert galeriehouders en museumcuratoren, collega-kunstenaars als Robert Smithson en Andy Warhol, critici en intellectuelen. Via Warhol komt ze in aanraking met de hippe vogels uit The Factory, onder wie veel transgenders en travestieten.

Door de decennia heen geven deze schilderijen een geweldig tijdsbeeld en een schitterende dwarsdoorsnede van de Amerikaanse samenleving. Van stakende havenarbeiders tot marxistische schrijvers, van homoseksuele stellen tot feministen met okselhaar, wijdbeens hangend in een stoel (ook al zo’n pose die je niet vaak ziet in de schilderkunst), van zakenmannen tot transseksuelen – allemaal werden ze met liefde door Neel vastgelegd. Inclusiviteit, het modewoord van nu, zat al die tijd al in haar dna.

‘Ik ben de eeuw’, zou Neel ooit gezegd hebben, verwijzend naar haar geboortejaar. Deze schilderijen bewijzen dat ze al die jaren haar tijd ver vooruit was.

Werk van Alice Neel is ook te zien op ‘Close-up’, de expositie over vrouwelijke schilders t/m 2 jan in Fondation Beyeler, Basel. Inl: fondationbeyeler.ch