Opinie

Nederlandse graslanden krioelen van het leven

Landbouw Tegen columnisten en anderen zeggen en : onze landbouwbodems zijn helemaal niet dood.
Een boer op een tractor bewerkt het land.
Een boer op een tractor bewerkt het land. Foto Lex van Lieshout/HH

Het was een dystopisch beeld van de Nederlandse landbouwbodems. Tijdens een lange wandeling, zo schreef Peter Kuipers Munneke in zijn column in NRC vorige maand, zag hij tegenover de „lange linten van fantastische biodiversiteit” in de uiterwaarden het moderne boerenland: „oersaaie, gifgroene biljartlakens van eiwitrijk gras als veevoer. Er is geen klavertje te vinden, er fladdert geen vlinder, er kruipt geen worm.” Vorig jaar schreef Tommy Wieringa in NRC: „De bodem is zodanig vervuild met mest en gif dat het bodemleven verdwijnt.”

Het zijn niet alleen opiniemakers die landbouwbodems als een dorre woestenij bestempelen, ook sommige ecologen hebben het over ‘zombiegrond’ of bestempelen de bodem als ‘zo dood als een pier’. Ook verschijnen er met enige regelmaat berichten in de media over het vermeend negatieve effect van mestinjectie, waarbij mest direct in de bodem wordt gespoten, op wormen.

Boeren die dit soort uitspraken lezen, zullen zich afvragen wat al die meeuwen dan achter hun ploeg doen. En ze hebben gelijk, die meeuwen eten wormen – heel veel wormen. Nederlandse melkveehouders zijn kampioen in biomassa produceren. Dat geldt bovengronds, in de vorm van gras, en ook ondergronds: de Nederlandse graslanden, ook de intensief beheerde, krioelen van het leven.

Meer wormen dan in natuur

De biomassa ondergronds is met gemak zo groot als die van de koeien die er op grazen. Tot een paar jaar geleden hielden het RIVM, Wageningen University & Research en het Louis Bolk Instituut gezamenlijk dat leven bij in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Uit die metingen bleek dat de Nederlandse landbouwbodems met grasland meer wormen herbergen dan welk natuurlijk ecosysteem ook. En met de soortenrijkdom aan wormen zit het ook wel goed – die is grofweg te vergelijken met die van natuurgebieden.

Een verkenning van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet vond bovendien geen bewijs voor negatieve effecten van mestinjectie op het aantal wormen in de bodem.

Hoe zou een dode landbouwbodem er dan eigenlijk uit zien? Het is bijna niet voor te stellen. Micro-organismen zouden dode plantenresten niet meer afbreken, voedingsstoffen zouden niet meer beschikbaar komen voor planten, afwatering en bodemstructuur zouden snel achteruit gaan. Het hele systeem zou tot stilstand komen en ook niet meer door kunstmest overeind geholpen kunnen worden. Als de landbouwgronden dood zouden zijn, dan zou de mensheid snel volgen. Bodemleven is cruciaal, ook in de intensieve landbouw.

Is er dan geen probleem? Jazeker wel. Dat er bovengronds iets goed mis is met biodiversiteit in de Nederlandse landbouw is duidelijk – belangrijke discussies over bijvoorbeeld bestuivers en weidevogels worden ook gevoerd. Ondergronds ligt dit genuanceerder. De metingen van het LMB laten zien dat de biomassa en de biodiversiteit van groepen als wormen en nematoden (aaltjes) groter is in beheerd grasland dan in de natuur, maar bij bijvoorbeeld schimmels, kleine spinachtigen en insecten is dit andersom. En in bouwland is het slechter gesteld met het bodemleven dan in grasland.

Hoe erg dat is, weten we maar ten dele. Recent onderzoek dat wij uitgevoerd hebben suggereert dat broeikasgasemissies uit de bodem sterker kunnen worden als de diversiteit van bodemfauna en micro-organismen kleiner wordt, en dat de bodem minder goed bestand is tegen verstoringen zoals extreme droogte.

Lees ook deze column: Landbouw is de sleutel voor de leefbaarheid

Stemmingmakerij

Helaas is het monitoren van de Nederlandse biologische bodemkwaliteit een aantal jaren geleden gestopt. In plaats van harde data hebben we daarom nu vooral stemmingmakerij door uitspraken over ‘dode bodems’. De schade daarvan is aanzienlijk – het vergroot het onbegrip tussen boeren, wetenschap en het publiek.

We delen veel van de analyses van Peter Kuipers Munneke over wat er beter moet in de Nederlandse landbouw en met het Nederlandse landschap. Vooral ook zijn conclusie dat het (wereldwijd) verminderen van de vraag naar dierlijk eiwit de sleutel is tot duurzamere, circulaire landbouw. Maar het kwalificeren van Nederlandse landbouwbodems als dood is absurd, en een obstakel voor samenwerking met boeren bij het vinden van oplossingen voor de vele uitdagingen waar de landbouw voor staat.

Laten we het hebben over welk soort bodemleven we nodig hebben, en hoe we dat kunnen stimuleren – binnen én buiten de landbouw. De Nederlandse boeren en de Nederlandse bodem verdienen beter dan goedkope retoriek.