Opinie

De leraar wordt beroofd waar hij bijstaat

Onderwijs Goed onderwijs begint bij een fatsoenlijk loon voor de leraar, schrijft . Maar daar wordt aan geknabbeld.
Beeld Katiko.dp

De werkgevers en de werknemers in het voortgezet onderwijs hebben een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) afgesloten. Leraren krijgen een maandelijkse loonsverhoging van 1,5 procent. Na wat rommelen met een eindejaarsuitkering nadert de verhoging 1,8 procent op jaarbasis. Voor het volgend jaar dan, want deze loonsverhoging gaat pas in oktober in, wat het effect van de loonsverhoging over 2021 reduceert tot 0,4 procent. De inflatie in de EU is op 1 oktober vastgesteld op 3,4 procent en groeit stevig door vanwege opgepompte grondstofprijzen en een krappe arbeidsmarkt. Tel daarbij de belastingprogressie op, alles wat je meer verdient wordt het hoogst belast, en het koopkrachtverlies gaat over de 2 procent heen. Dat is vreemd, want het voortgezet onderwijs gaat gebukt onder een personeelstekort. Maar de mallemolen raakt pas echt op toeren bij een analyse van hoe dat gaat, zo’n cao-onderhandeling in het onderwijs.

Tot half jaren negentig onderhandelden vakbonden, net als de politie en de rijksambtenaren, rechtstreeks met de minister over loon en werkdruk. Met de invoering van de lumpsum, de verzelfstandiging van schoolbesturen, verandert de onderhandelingsstructuur. Niet de minister, maar de schoolbesturen zijn de werkgever, uiteraard betaald met belastinggeld. En dan werkt het zo: de minister bepaalt de loonruimte, deelt die informatie met de werkgevers middels een brief, de vakbonden krijgen die brief niet, waarna de onderhandelingen over de verdeling kunnen beginnen. Het belang van werkgevers is het bedrag voor leraren zo laag mogelijk te houden, het overblijvende geld kunnen ze aanwenden voor zaken die zij belangrijk vinden. Het belang van werknemers ligt bij de wensen van hun leden; minder lessen, kleinere klassen en meer koopkracht. De onderhandelingen raken echter uit balans door de informatie-asymmetrie. De werkgevers weten alles, de vakbonden kunnen slechts naar de mogelijkheden gissen.

Onderhandelingsopvatting

Ter illustratie een voorbeeld. Een vader geeft kind A tien koekjes met daarbij de opdracht: overleg met kind B over de verdeling, mochten jullie er niet uitkomen dan geef je de koekjes terug aan mij. Mogelijkheid een, A zegt niks tegen B over de totale hoeveelheid, maakt B blij met een koekje, houdt er negen voor zichzelf en eet die snel op, zodat de uitkomst onomkeerbaar is. Mogelijkheid twee; A legt de koekjes op tafel, vraagt B wat die wil en komt tot een gemeenschappelijk gedragen verdeling. Mogelijkheid een is roof, mogelijkheid twee is fair onderhandelen. Mogelijkheid een is vanaf half jaren negentig de gewoonte in het voortgezet onderwijs. Met als gevolg dat leraren rond de 10 procent minder in salaris stijgen dan rijksambtenaren die nog steeds rechtstreeks met de minister onderhandelen.

Geld is er genoeg, maar aan leraren die ook daadwerkelijk en met plezier voor de klas staan is een ontwrichtend gebrek

Deze roof op de leraar wordt mede mogelijk gemaakt door een verschil in onderhandelingsopvatting. De werkgevers zijn relatief nieuw, zij spelen dit spel pas vanaf half jaren negentig en denken neoliberaal – alleen de eigen winst telt. De VO-raad, de vertegenwoordiger van de werkgevers, is een keiharde vechtmachine, geleid door oud-vakbondsman en GroenLinks-senator Paul Rosenmöller. Vakbonden zijn er veel langer en komen uit de overlegtraditie, het zogenaamd polderen. Zij denken mee en zoeken het compromis.

Lees ook over onderwijssalarissen: Aan de top van de scholenkoepel is het vaak goed boeren

Asymmetrische informatie en verschillende onderhandelingsculturen vreten de leraar in 25 jaar compleet leeg. Volle klassen, veel lessen en een matige loonontwikkeling maken de leraar per uur en per leerling internationaal gezien spotgoedkoop. Met als gevolg een vlucht uit de armoede in de klas naar de rijkdom op kantoor. De leraar die kan, gaat wat anders doen, op school of in een andere sector. Een commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan constateerde reeds in 2007 het kwalitatieve en kwantitatieve lerarentekort en noemde het een nationaal probleem. Inmiddels resulteren die tekorten in aantoonbaar minder leren op school. Met als meest schokkend feit de toename slecht lezende vijftienjarigen. In 2000 lag dat percentage op 10, inmiddels is dat 24.

Geen missionaris

Het probleem in het onderwijs is niet geld, maar de verdeling. In februari maakte onderwijsminister Slob 8,5 miljard vrij voor het wegwerken van corona-achterstanden die we nog steeds amper kennen. Geld is er genoeg, maar aan leraren die ook daadwerkelijk en met plezier voor de klas staan is een ontwrichtend gebrek. Een probleem dat elke dag groter wordt. Precies daarom is het zaak dat de minister zijn verantwoordelijkheid neemt. Hij is degene die direct hoort te onderhandelen met de bonden vanuit fundamentele vragen als; wat willen jullie, wat kunnen jullie, wat kan ik voor jullie betekenen?

Er staan in het funderend onderwijs afgerond 200.000 fte onderwijsmedewerkers tegenover twee miljoen kinderen. Er zijn genoeg leraren, ze geven alleen geen les. Verspil daarom geen energie aan machiavellistische onderhandelingsspelletjes, lesgeven is geen roeping, de leraar is geen missionaris, maar een werknemer betaald uit belastinggeld. Behandel hem met respect, zorg ervoor dat elk kind les krijgt, goed les krijgt en weer meer gaat leren op school. Dat begint met een fatsoenlijk loon, een overzichtelijke klassengrootte, een redelijke lestaak en benoem het verzorgen van lessen tot absolute prioriteit. Geef elk kind in dit land het onderwijs dat het verdient. Daar wordt iedereen beter van.