Opinie

Vrees voor een wetenschappelijke coronadip

Robbert Dijkgraaf zag jonge wiskundigen buiten in de kou met een krijtje op een stenen muur schrijven.

Robbert Dijkgraaf

De wetenschap heeft een grote impact gehad op het verloop van de pandemie, maar wat is de impact van de pandemie op de wetenschap? Ik doel dan niet zozeer op de stortvloed aan biomedisch onderzoek naar corona met als hoogtepunt de ontwikkeling van de succesvolle mRNA-vaccins, maar de wetenschap in het algemeen. We zitten midden in een wereldwijd natuurlijk experiment met thuiswerken, virtueel vergaderen en digitaal communiceren. Wanneer we over een aantal jaren terugkijken, zien we dan een opleving of juist een teruggang in creativiteit? En kunnen we zoiets ongrijpbaars überhaupt wel meten?

Allereerst is in de wetenschap, net als elders in de samenleving, de ongelijkheid alleen maar toegenomen. Voor een aantal van mijn collega’s bleek corona een uitkomst. Ze konden thuis ongestoord aan hun onderzoek werken en eindelijk al die uitgestelde projecten afronden. Hun vaste co-auteurs waren gemakkelijk via Zoom te bereiken en er was geen noodzaak om de wereld rond te reizen voor lezingen. Niet toevallig kwamen dergelijke positieve verhalen vooral van gevestigde onderzoekers op leeftijd, zonder de zorg voor kleine kinderen. Ze plukten de vruchten van de jarenlange investering in hun persoonlijke netwerk.

Hoe anders lag dit voor vele jonge wetenschappers. Midden in het spitsuur van hun leven moesten zij als een jongleur plotseling vele bordjes tegelijk omhooghouden, zonder een vangnetwerk. De eerste cijfers laten vooral een dip zien in de productiviteit van jonge vrouwen op wier schouders de zorg voor het thuisfront nog vaak rust.

Voor beginnende onderzoekers was covid een extra hard gelag omdat ineens alle informele contacten waren verdwenen. Ik weet nog goed hoe ik als jonge postdoc aan de lunchtafel met belangstelling en ontzag de gesprekken van de experts volgde. Het meeste ging ver boven mijn pet, maar soms bleef er wat op tafel liggen. Een achteloze opmerking zoals „iemand zou dat eens moeten uitzoeken”. En dan ging ik dat maar eens uitzoeken. Aan de voet van de voedselpiramide moet je het hebben van de restjes die het toproofdier uit z’n bek laat vallen. Maar het zoomscherm kent geen scharrelbak.

Extra dramatisch

Ik grap vaak dat sommigen van mijn collega’s hun hele leven op social distancing hebben geoefend, maar gek genoeg is de pandemie ingrijpender geweest voor introverten dan voor extroverten. Als je spaarzaam omgaat met persoonlijke contacten, is het wegvallen van geregisseerde momenten – de gezamenlijke ochtendkoffie of lunchvoordracht – juist extra dramatisch. Voor velen ging het totaal aantal contacten per dag ineens van één naar nul.

Op mijn instituut was de redding niet de digitale zegeningen van het internet, maar eerder technologie uit de steentijd: buiten geplaatste schoolborden met daarnaast een straalkacheltje. Ik kreeg het er zelf warm van als ik een groepje jonge wiskundigen buiten in de kou met een krijtje op een stenen muur zag schrijven, net als vijftigduizend jaar geleden.

Het verdwijnen van informele contacten belemmert ook innovatie. Ik sprak laatst een van de meeste succesvolle entrepreneurs in Silicon Valley. Zijn businessmodel is het bijeenbrengen van kleine, multidisciplinaire teams om die vervolgens vrijelijk te laten brainstormen. Dat kwetsbare scheppingsproces kan jaren duren. Uiteindelijk zijn daaruit een aantal zeer grote bedrijven ontstaan. „Het is hier supersaai,” zei hij (via Zoom). „De straten van San Francisco zijn leeg. Iedereen zit thuis, alleen achter een scherm. Ik kan hier niets doen.” Hij dacht erover zijn bedrijf te verplaatsen naar Engeland of Duitsland, omdat daar de lockdown minder streng was. Ook het hoofd van een groot Nederlands industrieel lab vertelde me onlangs dat men een flinke teruggang in het aantal patentaanvragen zag. Zou dat een relevante indicator zijn voor creativiteit?

Slecht voor alle nieuwkomers

Mijn hypothese is dat de pandemie bestaande onderzoeksprojecten heeft versneld, maar de opkomst van nieuwe heeft bemoeilijkt. Kortom, corona was goed voor de gevestigde orde, maar slecht voor alle nieuwkomers – zowel voor mensen als ideeën. Ieder onderzoek begint met een klein zaadje dat diep onder de grond wordt geplant. Het duurt lang voordat de eerste scheuten te zien zijn. Pas als de bloemen bloeien is het tijd voor een officieel artikel. Het aantal publicaties is dus geen directe maatstaf voor nieuw onderzoek.

Misschien zien we de coronadip pas over een paar jaar. Maar hoe meet je de bloemen die nooit zijn gezaaid of de onderzoekspaden die nooit zijn betreden? Kunnen we de waarde van de zachte voedingsbodem van de wetenschap hard maken? Ik zou graag zien dat de experts in ‘science systems’, zeg maar de wetenschapsantropologen, dat eens verder gingen onderzoeken. Aan data vast geen gebrek.

Hopelijk geeft de pandemie een algemene herwaardering van het informele deel van de wetenschap, een erkenning van alle slecht meetbare ‘ondergrondse’ activiteiten en de ‘verloren’ tijd die zoveel biedt. De jarenlange trend naar meer efficiëntie heeft deze lege ruimtes vaak wegbezuinigd en de wetenschap als een spons uitgeknepen. Maar het zijn juist de luchtbellen waarin de creativiteit gedijt.

Meer schoolborden in het vrije veld!

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.