Nina de la Parra: „Dat ik zo wit ben geworden, is gewoon grappig.”

Merlijn Doomernik

Interview

Nina de la Parra: ‘Ik hoef geen pom te eten om te bewijzen dat ik Surinaams ben’

Theatermaker Nina de la Parra won deze week de cabaretprijs Neerlands Hoop. Maar een cabaretier voelt ze zich niet. ‘Cabaret klinkt als ‘leuk doen’. Ik wil dat mijn werk pijn doet.’

Nina de la Parra (34) wacht niet in het hostel in het Amsterdamse Oosterpark waar we hebben afgesproken om koffie te halen. Ze staat er tegenover bij een boom, appt ze. „Lange zwarte jas en gele schoenen.” Ze mediteert hier vaak. Bij de vijver vindt ze rust.

Maandag ontving ze de Neerlands Hoop, de cabaretprijs voor „de meest veelbelovende theatermaker met een groot toekomstperspectief”, voor haar eerste voorstelling: Gods Wegen. De jury noemde haar tempo „overdonderend”, haar voorstelling „een wervelwind”, haar identiteit „vloeibaar” en „haar innerlijke onrust voelbaar”.

Volgende week vervolgt ze haar tournee. Tussendoor heeft ze de deadline voor haar eerste boek, Make women come, een autobiografische roman alias feministisch manifest, dat op 1 februari moet verschijnen. Uitgeverij Pluim belooft „steamy seks” en inzicht in het „spoor van vernieling” dat De la Parra zou hebben achtergelaten onder Noorse, Nederlandse, Duitse, Britse en Surinaamse mannen.

De la Parra wil graag thuis tussen haar Surinaamse spullen worden gefotografeerd, want aan haar blonde buitenkant zie je niet dat ze half-Surinaams is. Maar dit gesprek wil ze niet thuis voeren, want haar werk is al „zó persoonlijk”, ze geeft „al zóveel weg”. Ze moet zichzelf beschermen tegen het vervagen van grenzen, zegt ze, zich behoeden voor praten tegen de pers als tegen een goede vriend. En wij – de theatermaker en de journalist – kennen elkaar al, van toen we op de middelbare school samen in een komedie speelden.

Ben je nu een gevierd cabaretier?

„Nee, ik ben heel blij met die prijs, maar het woord cabaret zet je op het verkeerde been. Cabaret klinkt als ‘leuk doen’, om te entertainen. Maar mijn werk heeft niet de bedoeling dat het leuk is. Ik voel me geen cabaretier, eerder schrijver slash performer slash muzikant slash kunstenaar. Ik ben op zoek naar de diepte, en die zoektocht is gewoon grappig.”

Lees ook deze recensie in NRC: Powerhouse Nina de la Parra knalt van het podium

Als jij voordoet hoe je in een bar altijd die ene foute man eruit pikt, is dat misschien wel grappig, maar ook pijnlijk om te zien.

„Ik wil ook dat het pijn doet. Het doet namelijk pijn. Wat ik doe als kunstenaar, is het radicaal blootleggen van mijn eigen pijn, waardoor het ook politiek wordt. Dat politieke is niet het doel, maar het gevolg. Ik ben alleen maar bezig met: hoe ga ik dit gevoel in godsnaam uiten. Want het gaat over pijn die ik privé niet kan uiten. Daar heb ik de kunst voor nodig.”

Kun je daar niet voor naar de psychiater?

„Ja, dat doe ik ook. Ik praat op het toneel niet over recente, rauwe pijn, maar over pijnlijke dingen waartoe ik al enige afstand voel. Het vertrek van mijn vader [de Surinaamse filmmaker Pim de la Parra] toen ik zes was, het verlies van mijn broer toen ik vijftien was, het plotselinge vertrek van mijn ex.”

Lees ook wat de ouders van Nina de la Parra in 2013 aan NRC vertelden over hun relatie: ‘Pim is net als ik een bijelkaarhouder’

Wat gebeurt er als je die pijnlijke dingen niet op het toneel deelt?

„Zo heb ik heel lang geleefd. Grote verwarring. Grote verwarring. En ook grote eenzaamheid. Dat is radicaal veranderd toen ik ben gaan vertellen op het toneel, en ook reacties terugkreeg.”

Ben je nu ontward?

„Nee, maar ik kan het nu veel meer aanvaarden: dat er verdriet is, en dat er verwarring is. Omdat ik weet dat ik het vanaf nu altijd zal kunnen omzetten in iets waarmee ik me kan verbinden met anderen. Het gaat me niet om de lach. Het gaat om de 55-jarige vrouw uit Doetinchem met kort haar – van wie ik denk: we have NOTHING in common – die na de voorstelling met tranen in de ogen naar me toe komt en zegt: ‘Ik begrijp je volledig’. Er is dus iets wat vrouwen meedragen, een verantwoordelijkheidsgevoel voor álles en iedereen, waaronder ik ontzettend heb geleden – en lijd, omdat ik me daar zo voor schaam: omdat ik het inzie en tóch voel. Dat is de slotconclusie, waardoor veel vrouwen na afloop huilend naar me toekomen. Dat had ik nooit verwacht, van mensen met zo’n andere achtergrond. En dan denk ik: wow, we are all the same! En de grootste pijn is dat we niet over onze pijn praten!”

Komen er na afloop van je voorstelling ook weleens mannen naar je toe?

„Ja! Ik doe ook een stukje over de Noordwest-Europese man die lijdt onder het feminisme, en daar zijn ze enorm blij mee! Ze worden lamgeslagen door de dubbelheid van wat vrouwen willen, namelijk: wees een man, maar wees wel kwetsbaar. Wees een roofdier, maar ga nooit een grens over. Daar komt altijd veel reactie op, mensen gaan schreeuwen en naar elkaar wijzen, mannen én vrouwen. Blijkbaar horen ze nooit iemand zeggen – zeker niet een vrouw die er schattig uitziet: ik wil gewoon hard worden genomen door een dude zonder dat hij komt vragen [op huilerig toontje]: ‘wil je dit wel?’”

Lees ook de tip voor kosteloos geluk van Nina de la Parra: ‘Lekkere seks met jezelf’

Doe je zulke ontboezemingen puur voor jezelf of wil je ook de wereld verbeteren?

„Ik, de wereld verbeteren? Nee joh. Ik ben opgegroeid in ontwikkelingslanden, omdat mijn moeder [journalist Djoeke Veeninga] buitenlandcorrespondent was, in India, Indonesië, Tanzania, Vietnam. En op mijn achtste ben ik bij mijn vader in Suriname gaan wonen. Ik heb als kind van dichtbij het verschil kunnen zien. Ik: wit, rijk, EU-paspoort. De ander: shitty, geen kansen, misbruik en geweld. Ik heb daar geen schuldgevoel over. Meer een heel diep gevoel dat we allemaal hetzelfde zijn. Ik ben me altijd bewust geweest: als ik hier geboren was, dan was ik ook zo. Dus ik ben niet beter dan de ander. Dus ik kom die ander ook niet redden.”

Wij hebben elkaar twintig jaar niet gezien, maar ik herinner me jou nog goed, al zat je vier klassen lager. Je wilde toen al graag gezien worden en kwam op het schoolplein bij oudere leerlingen staan. Tegelijk oogde je onzeker, en dat zie ik nu niet meer. Ben je je onzekerheid verloren of zie of zag ik het verkeerd?

„Ik ben super-onzeker. Als ik iets geschreven heb voor mijn voorstelling, sta ik het mijn regisseur vaak trillend en huilend voor te lezen. Maar ik kan mijn onzekerheid ook goed gebruiken in mijn werk. Kijk, als je echt zeker van je zaak bent, waarom zou je dan in godsnaam op een podium gaan staan, why on earth? Dan ga je gewoon een heel leuk leven hebben. En niet steeds verlangen dat mensen jou iets geven, namelijk aandacht voor dat ene ding dat aan jou mankeert, dat cruciale ding in jou dat niet is gezien. Mijn onzekerheid is de brandstof waardoor ik kwetsbaar durf te zijn.”

Wat me opviel in andere interviews is dat je vaak zegt dat je niet lief bent. Ik geloof dat niet.

„Hahahaha. Oké. Ik ben heel lief, inderdaad. Maar ik heb het over een ander soort lief. Ik heb het over de verwachting van de wereld dat de allergrootste kwaliteit van een vrouw is dat ze lief is. Dat ze zorgzaam is, ruimte maakt voor anderen, dient. Die verwachting geeft mij niet een gevoel van vrijheid – dat ik mag zeggen: nee, ik wil dit niet. De reden van #metoo is natuurlijk dat vrouwen constant beloond worden voor ja zeggen. En als nee zeggen al moeilijk is voor mij, als standaard, witte, jonge, niet-dikke vrouw – het perfecte plaatje, een soort Doornroosje – moet je nagaan hoe moeilijk het is voor een gekleurde vrouw om nee te zeggen, zonder dat ze meteen een boze bitch wordt genoemd. Zij mag geen ruimte innemen. En als ze dat wel doet, dan heeft ze haar gender en haar kleur echt keihard tegen zich. Zij moet het altijd goed doen. Extra hard werken om lief te doen. Dat laatste geldt trouwens ook voor Marokkaanse, Turkse, Surinaamse mannen. Dat is basaal racisme.”

Ik voel me nu veel minder verscheurd, en ook geen halfbloedje meer. Ik voel me dubbelbloedig, ik heb twee culturen en omarm ze allebei

Ben je nooit jaloers geweest op mensen aan wie je kunt zien dat ze half-Surinaams zijn? Zij hoeven niet steeds uit te leggen dat ze zich bicultureel voelen.

„Dat is in het verleden wel een verwarrende zoektocht geweest. Tot een Surinaamse vriendin vijf jaar geleden tegen me zei: ‘Fuck it! Fuck it dat jij er niet bij mag horen omdat je wit bent. Fuck it dat je altijd voelt dat je je moet bewijzen tegenover de Surinaamse gemeenschap. Je bént gewoon Surinaams. Of je nou een pangi op je kop draagt en elke avond naar een slavernijdebat gaat of gewoon rondloopt als Nina, je bent het gewoon. Klaar uit.’ Dat heeft zóveel impact op me gehad. Dat was zo vet. Ik realiseerde me: ik hoef niet de hele tijd pom te eten. Ik hoef niks te doen, ik bén het gewoon. Ik voel me nu veel minder verscheurd, en ook geen halfbloedje meer. Ik voel me dubbelbloedig, ik heb twee culturen en omarm ze allebei.

„Maar vijf jaar geleden zat ik echt op het dieptepunt van mijn culturele verwarring. Daarvoor was ik niet met Suriname bezig, want ik woonde in Engeland, Schotland, Duitsland, daar was ik gewoon Nederlands, wisten ze niet eens waar Suriname lag. Ik denk dat ik het ook een beetje ben ontvlucht. Maar toen ik terugkwam naar Amsterdam, begaf ik me opeens in een volledig witte, Nederlandse theaterwereld, en dat voelde heel erg raar. Er klopte iets niet. Ik werd enorm getrokken naar de toko’s in de Dapperbuurt. Want Suriname is niet een ver land uit de verhalen van mijn vader, ik ben deels daar opgegroeid. Ik was even volledig in de war. Ik dacht: damn, wie ben ik? Mag ik wel Surinaams zijn als je het niet kunt zien? In die tijd ging ik ook vaak met een pangi op mijn kop naar de toko en dan Sranan praten. Maar dan zeiden ze: heb je een Surinaams vriendje ofzo? Gelukkig kan ik altijd de kaart spelen van Wan Pipel, de film die mijn vader heeft gemaakt, alle Surinamers kennen die. En Surinamers snappen ook heel goed dat er zoveel variaties zijn in kleur. Mijn opa was een gekleurde man. Dus dat ik zo wit ben geworden, is gewoon grappig.”

Lees ook een reportage over de vertoning van de gerestaureerde film Wan Pipel in Paramaribo in 2010: ‘Nog steeds moeite met gemengde huwelijken’

In je voorstelling vertel je dat je Surinaamse voorvaderen, van oorsprong Sefardische Joden, rijk werden van hun negentien plantages en 734 slaven. Voel je je daar schuldig over?

„Nee, totaal niet. Maar ik vind dat het wel een vraag opwekt over wat schuld is. Ik vind het ook verbijsterend. En het is voor mij een bron om empathie te kunnen bevragen: ik pak mijn eigen achtergrond om te bevragen hoe het is om mens te zijn. Hoe het is om Joods te zijn en uit Portugal te worden verdreven, en hoe het dan kan dat je tegenover een vrouw uit Ivoorkust op een plantage in Zuid-Amerika zelf die zweep pakt. Hoe werkt dat? Ik ben heel benieuwd hoe dat letterlijk ging. En ik vrees dat het heel banaal was, dat ze gewoon meegingen in bestaande structuren. Ik had in nazi-Duitsland waarschijnlijk ook de boekhouding van het treintransport gedaan of mijn Joodse buren aangegeven. Ik was waarschijnlijk ook die plantages gaan runnen. En dat vind ik interessant: in hoeverre zit daar toch schuld en wordt die overgedragen in mijn bloedlijn? Want daar geloof ik 100 procent in – in dat opzicht ben ik Surinaams spiritueel – ik geloof dat schuld, schaamte, pijn, trauma’s in het bloed, in je dna zitten. Mijn opa schaamde zich enorm, want zijn opa had de zwarte medemens dat aangedaan. Ik voel geen schuldgevoel. Maar ik voel wel een bepaalde pijn en trauma, waarvan ik weet dat die niet van mij is. En ik voel me op een bepaalde manier verantwoordelijk, om uit te zoeken hoe het zit.”

Dus na haar theatertournee en haar boekpresentatie vertrekt De la Parra op een lange reis naar Suriname om materiaal te verzamelen voor een nieuwe voorstelling.

Eerst sluit ze nog even aan bij het tai chi-groepje aan de overkant van de vijver. De wervelende prijswinnaar, die de cabaretjury overdonderde met haar vloeibare identiteit, versmelt zwijgend met het langzaam bewegende groepje oosterse vechtkunstbeoefenaars.