Liefde in de Nes

Literaire plekken | Amsterdam Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Zoals je mensen hebt die zich ieder jaar voornemen eindelijk Ulysses of dat boek over Madeleine ter hand te nemen, zo neem ik me al een leven lang voor Een liefde van Lodewijk van Deyssel te lezen. Van Deyssel, de onverschrokken criticaster van de Hollandse binnenkamertjesliteratuur; de man van ‘Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen’, weet u nog.

Een tijdje terug was het zover en pakte ik mijn exemplaar uit de kast, de tweede druk uit 1899, met een voorbericht van de schrijver, dat ik negeerde want voorberichten lees ik altijd achteraf. De liefde uit de titel, zo leren we al snel, betreft de liefde tussen Jozef van Wilden en Mathilde de Stuwen. Als we met haar kennismaken bevindt ze zich op haar twee ramen brede kamer van het huis van haar vader aan de Oudezijds Achterburgwal, het nette stukje, en heeft ze zich wegens alle opwinding net van haar ‘ritselend korset’ ontdaan: „‘Ja, ik ben twee-en twintig jaar!’ joedelde zij, sprekend en zingend, en dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want hij heeft ’t vanavond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo gauw mogelijk, en dat vind ik zoo zalig!...”

Wat ze niet weet, is dat haar Jozef tot zijn liefdesverklaring heeft besloten, terwijl hij een biefstukje at. Wat hij in zijn vrije tijd uitvoert, weet ze ook niet. Wij ook niet, niet als we de tweede druk lezen tenminste. We horen dat Jozef op weg naar ‘de club’ op de Dam even contact heeft met ‘een donkere jufvrouw onder een breedgerande rubenshoed’ en dat hij eenmaal op de club tegenover zijn vrienden verklaart ‘dat hij vanavond bijvoorbeeld waarschijnlijk weêr eens doodbedaard naar Josephine uit Den Haag zal gaan.’ Maar verder vernemen we niets over deze affaire.

Op dat moment schoot me ineens te binnen dat er iets was met de tweede druk. Wat het was vond ik in het ‘Voorbericht’, waarin Van Deyssel vertelt dat de tweede druk ‘verschijnt zonder de zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste uitgave voorkwamen.’ Ze mochten niet van zijn sensitivity readers onder aanvoering van Frederik van Eeden, maar dat vertelt hij er niet bij. In het oorspronkelijke boek blijkt de dame met de hoed Josephine te zijn, en als hij haar later in de Nes bezoekt, gaat hij naar de hoeren. Het hoofdstuk waarin Mathilde zich overgeeft aan hartstochtelijke soloseks heeft hij in de tweede druk ook onschadelijk gemaakt. ‘Ik houd van proza’, schreef de Brave Lodewijk, ‘dat op mij toedruischt, op mij aanraast, op mij neêrdondert in een stormende stortvloed van passie.’ Maar niet in zijn eigen boeken.

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.