In Zuid-Irak leven ze van de olie – en ze gaan er dood aan

Energietransitie Het zuiden van Irak is afhankelijk van olie – én wordt massaal ziek van het gas uit oliebronnen dat afgefakkeld wordt en de lucht vervuilt. Vooral jongeren maken zich zorgen. „Het is doodeng dat onze economie gebaseerd is op olie en dat er geen back-upplan is.”

Sadiq Taher Dahi wandelt door zijn boomgaard in het Iraakse dorpje Nahran Omar. Het is een warme septemberavond. Uit de palmbomen klinkt het gezang van honderden zwaluwen. Maar wie goed luistert, hoort ook het geraas van vlammen. Het komt van een olieveld vlak achter de bomen. Uit een rij gasfakkels spuwen dikke vuurpluimen. Sommige palmen zijn erdoor zwartgeblakerd.

„Eerst stonden hier nog veel meer bomen, maar die zijn allemaal verbrand”, vertelt de 52-jarige Dahi. Volgens de boer greep de Iraakse regering pas in toen de vlammen ook op zijn huis oversloegen. „Sindsdien is het affakkelen van gas verminderd, maar mijn akkers zijn verwoest en mijn dieren zijn dood. Sommigen door het vuur, anderen door de giftige gassen.”

Ook mensen sterven door de uitstoot, weet Dahi. Hij wijst op de huizen in de verte. In vrijwel ieder huishouden in dit dorp in de provincie Basra is wel iemand overleden aan longkanker of een andere longziekte. Acht jaar geleden verloor hijzelf zijn zoon, aan kanker. „Hij was zestien jaar. We hebben zijn kleren en zijn boeken nog steeds. Hij was de beste leerling van zijn klas.”

Er zijn weinig plekken op aarde waar de verwoestende effecten van fossiele brandstoffen zo onontkoombaar zijn als in zuid-Irak. In Basra stijgen de temperaturen tot wel zeven keer sneller dan elders ter wereld. Het kwik komt ’s zomers geregeld boven de vijftig graden. De lucht is extreem vervuild, mede door het methaan dat vrijkomt bij het affakkelen van gas. De rivieren drogen op en zitten vol industrieel afval van de oliebedrijven. Als gevolg belandden in 2018 ruim 100.000 mensen in Basra in het ziekenhuis door vergiftiging en heeft in een dorp als Nahran Omar 6 procent van de inwoners kanker – bijna vijf keer meer dan het wereldwijde gemiddelde.

Tegelijkertijd zijn weinig plekken zo afhankelijk van fossiele brandstoffen als Basra. Olie-export uit de provincie is goed voor meer dan 95 procent van de Iraakse overheidsinkomsten. Toen de productie afnam tijdens de piek van de corona-pandemie zakten ruim vijf miljoen Irakezen onder de armoedegrens. Maar in plaats van te investeren in alternatieve industrieën wachtte de Iraakse regering tot de olieprijs zich weer herstelde. Daardoor blijft Irak volgens de Wereldbank zowel het slechtst voorbereide als het meest kwetsbare land ter wereld bij een energietransitie.

En toch moet die transitie er komen, zo zullen wereldleiders deze zondag opnieuw beamen tijdens de twee weken lange klimaattop in Glasgow. Volgens wetenschappers kan de opwarming van de aarde immers alleen beperkt blijven tot 1,5 graad als de wereld in 2050 vier keer minder olie consumeert dan nu. Maar wat betekent die opgave voor olie producerende landen als Irak? En is er voor de inwoners van Basra wel een toekomst zonder olie denkbaar?

Lees ook: Klimaathulp aan arme landen haalt niet de beloofde doelstellingen

 

Geen les in duurzaamheid

In een klaslokaal van de Basra Universiteit voor Olie en Gas zitten zes studenten klaar om hierover in gesprek te gaan. Maar van de top in Glasgow hebben ze nog nooit gehoord. „In de Iraakse media gaat het nooit over klimaatverandering”, zegt de 22-jarige Salma Mohammed. Bovendien besteedt hun curriculum er nauwelijks aandacht aan. „We hebben hier geen professoren die zich verdiepen in duurzame energie.”

Dat betekent niet dat de jongeren niet met klimaatverandering bezig zijn. „We denken aan niets anders, want in Basra leven we iedere dag met de gevolgen”, zegt de 22-jarige Mustafa Nael. „Het is doodeng om te zien dat onze hele economie gebaseerd is op olie en dat Irak geen back-upplan heeft.” De 21-jarige Maryam Nihad knikt. „We maken ons zorgen om onze banen en onze toekomst. We kunnen vast nog wel vijftien jaar doorgaan met pompen, maar wat gebeurt er daarna?”

De studenten zitten vol eigen ideeën over duurzaamheid. Zo vertelt Salma over campagnes om bomen te planten, pleit weer een andere student, Umul Baneen,voor meer investeringen in gas-compressie (waarmee het gas dat nu wordt afgefakkeld kan worden opgeslagen) en steekt Mustafa een verhaal af over de verduurzaming van het olie-extractieproces. „Daar heb ik online veel over gelezen”, zegt hij. „We komen zelf aan onze informatie.”

Maar een Irak zonder fossiele brandstoffen? „Dat is ondenkbaar”, stelt Mustafa, zeker in de komende decennia. Wat hem betreft gaat die doelstelling te veel uit van de luxepositie van ontwikkelde landen. „Vergeet niet dat de industrialisering van Europa gebouwd is op fossiele brandstoffen. Jullie kunnen niet zomaar verwachten dat wij dat stadium overslaan. Daar is veel meer tijd en geld voor nodig.”

Dat is ook de boodschap van Iraks minister van Financiën Ali Allawi, die in een recent opinieartikel in de Britse krant The Guardian waarschuwde dat Irak de energietransitie niet alleen aankan en meer steun nodig heeft om zijn economie te diversifiëren. Die suggestie is niet nieuw, want al tijdens de klimaattop van Kopenhagen in 2009 beloofden rijkere landen dat ze vanaf 2020 jaarlijks 100 miljard dollar zouden uittrekken om ontwikkelingslanden te helpen bij hun energietransitie. In werkelijkheid schieten de rijkere landen nog altijd 20 miljard tekort, met name doordat de VS hun beloften niet nakomen.

Naast verzoeken kwam Allawi ook met zijn eigen beloftes. Zo kondigde de minister deze maand aan dat Irak het affakkelen van gas vóór 2025 wil uitbannen en beloofde hij meer investeringen in zonne-energie. Die komen mede van buitenlandse bedrijven, waaronder het Franse TotalEnergies, dat begin september een contract ter waarde van 27 miljard dollar met de Iraakse overheid sloot – onder meer voor de aanleg van een gigantisch zonnepanelenpark in Basra.

De precieze inhoud van Totals deal is niet openbaar. Zelf heeft het bedrijf het in een persbericht enkel over investeringen in duurzaamheid, maar de Iraakse premier Mustafa al-Kadhimi meldde dat TotalEnergies de productie in een van Basra’s olievelden bijna zal verdrievoudigen, van 85.000 naar 210.000 vaten per dag.

Een olieveld in Nahran Omar. Rechtsonder ligt de boomgaard van boer Sadiq Taher Dahi. [Voordat de regering ingreep kwam het vuur tot aan zijn huis ernaast] Foto Essam Al-Sudani

Over lijken

Wie vragen stelt, kan rekenen op problemen, zo ondervond Mustafa Jabbar Sanad, een prominente activist in Basra die in september een kritische opmerking over de Total-deal op zijn Facebookpagina zette. Kort daarna werd zijn auto onder vuur genomen door de broer van de minister van Olie. „Ze willen me dood hebben”, zegt Sanad in zijn kantoor in Basra, terwijl hij de videobeelden van de aanslag afspeelt op zijn telefoon. „En ze komen ermee weg. De broer van de minister is direct na zijn arrestatie weer vrijgelaten.”

Het laat zien dat Iraks politieke elite over lijken gaat om haar olie-belangen te beschermen. Volgens zakenman Mohammed Sadik is dát de echte reden dat de energietransitie in Irak nog wel even op zich zal laten wachten. „Hoelang precies kan me niet schelen, want tegen die tijd zit ik in ieder geval allang onder de grond!”, giert hij van het lachen in een hotellobby in Basra.

Sadik weet hoe de hazen lopen, want hij werkte zelf 35 jaar lang voor de Basra Oil Company, Iraks grootste oliebedrijf. Zelf was hij nooit corrupt, zweert hij, maar de rest van de werkvloer wel. „In Irak denkt iedereen aan zijn eigen zakken”, aldus de man met borstelsnor. „Niemand denkt aan het landsbelang. Daarom zijn onze politici niet bezig met klimaatsverandering.”

Internationale oliebedrijven profiteren van die corrupte laksheid, weet Sadik. Hij heeft het zo vaak gezien: hun contracten staan vol uitgebreide clausules over de zorg voor het klimaat, maar in de praktijk worden de regels met het grootste gemak overtreden zolang de bedrijven de nodige contacten aanknopen met de Iraakse autoriteiten. „Zo kan iedereen doorgaan met geld verdienen.”

Voor zover er in Basra toch nog sprake is van verandering, komt die eerder van onderaf. Zo gingen in het najaar van 2018 duizenden mensen de straat op om schoon drinkwater en een eerlijkere verdeling van de olierijkdommen te eisen. De betogingen waren de aanloop naar een landelijke opstand een jaar later. Daardoor kwam de Iraakse regering ten val en vonden deze maand vervroegd verkiezingen plaats. In Basra werd daarbij onder anderen Mustafa Jabbar Sanad, de activist met kritiek op de Total-deal, verkozen als parlementslid.

Lees ook: Winning olie, gas, kolen moet fors lager om klimaatdoelen te halen

 

Vruchtbare grond

„Er is een mentaliteitsverandering gaande”, ziet Fadwa Touma, een klimaatactivist van het eerste uur die campagne begon te voeren nadat haar moeder kanker kreeg. „Een paar jaar geleden hadden de mensen weinig belangstelling voor het klimaat, want in Basra bestaan genoeg andere problemen”, vertelt ze vanuit haar kantoortje. „Maar nu het ’s zomers meer dan 50 graden is, komen steeds meer mensen in opstand.”

Toch kan dit verzet van onderaf volgens Touma alleen groeien als er meer economische alternatieven komen voor de olie-industrie. „We hebben investeringen in toerisme en de landbouw nodig”, zegt ze. „Want alleen als er meer banen buiten de oliesector komen, kunnen mensen zich een andere toekomst voorstellen.”

Het verleden laat zien dat dit mogelijk is, weet Qasem al-Mashat. De 57-jarige landbouwingenieur loopt met een gieter langs de plantjes in het tuincentrum van Basra terwijl hij herinneringen ophaalt aan zijn jeugd. „We hadden de vruchtbaarste grond van Irak”, vertelt hij. „De rivieren waren zo helder dat je eruit kon drinken en de akkers stonden vol met duizenden palmbomen. Onze dadels gingen de hele wereld rond.”

In een poging die wereld iets dichterbij te brengen, diende Mashat een voorstel in bij het kantoor van de Verenigde Naties in Basra. Zijn idee: laat iedere inwoner van de provincie zeven bomen planten. „De minister van milieu neemt mijn voorstel mee naar de klimaattop in Glasgow”, zegt Mashat trots. „Nu is het hopen dat ze er iets mee doen. Want 28 miljoen bomen planten is het werk van een regering, niet van burgers.”

Evengoed is boer Dahi in het dorpje Nahran Omar alvast begonnen. Vanaf zijn boomgaard wijst hij op een stuk braakliggend grond naast de zwartgeblakerde dadelpalmen. Uit de grond steekt een lichtgroene stengel van een babypalmboom. „Die hebben we deze lente geplant”, zegt hij. „Mijn zoon krijg ik niet meer terug, maar op deze manier proberen we het leven hier toch iets te herstellen.”

Correctie (4 november 2021): In een eerdere versie van dit artikel waren eenmaal de namen Maryam Nihad en Umul Baneen verwisseld. Dat is hierboven aangepast.

Een olieveld in Nahran Omar. Bij het affakkelen van gas komt het zeer schadelijke broeikas methaan vrij. Foto Essam Al-Sudani

Sadiq Taher Dahi kijkt uit naar de oevers van de Shatt al-Arab rivier in het zuid-Iraakse dorp Nahran Omar. Foto Essam Al-Sudani

Vuurpluimen uit de gasfakkels weerspiegelen in de Shatt al-Arab rivier in het zuid-Iraakse dorp Nahran Omar. Foto Essam Al-Sudani