Recensie

Recensie Boeken

Knausgård biedt verrassende troost

Karl Ove Knausgård Het verlangen een ander te zijn domineert zijn nieuwe, visionaire en zeer gedetailleerde ondergangsroman, waarin steeds andere personages bevreemdende gebeurtenissen meemaken.

Foto Anuparb Papapan
Foto Anuparb Papapan

Een geheimzinnige hitte heeft de Noorse kustplaats Bergen in haar greep. En tegelijk met die hitte openbaart zich een fenomeen aan de hemel, een brandend licht, een verblindende gloed. Is dit hemelverschijnsel een supernova, een gedoofde ster die ergens in het universum nog één keer straalt met ongekende intensiteit? Of breekt er een nieuwe tijd aan?

Na zijn autobiografische reeks Mijn strijd komt Knausgård met een omvangrijke roman, De morgenster. Fictie dus, maar wel fictie die aansluit bij de reeks. Knausgård voert er een reeks aan personages op, van wie we sommigen herkennen uit Mijn strijd. Bij herhaling noteerde hij in die reeks dat het hem wanhopig stemde altijd dezelfde te moeten zijn en altijd dezelfde naam te moeten dragen, want de Karl Ove Knausgård als dertienjarige is beslist een ander dan de man en vader als vijftigjarige, die ook zo heet.

Lees ook het interview: Knausgård: ‘We hebben het lichaam verlaten, alles is scherm’

Miljoenen lieveheersbeestjes

Dit verlangen een ander te zijn vormt de inzet van De morgenster. Knausgård introduceert een keur aan personages, elk geeft zijn of haar naam aan het betreffende hoofdstuk. Zij ondergaan op apocalyptische wijze extreem bizarre, huiveringwekkende gebeurtenissen. Zo lopen er duizenden krabben over de weg, begraaft een dominee een man die ze een dag eerder tegenkwam, bedekken miljoenen lieveheersbeestjes de wanden van een huis, wordt een overleden man ten gunste van een orgaandonatie aan stukken gesneden, en opeens geeft hij een teken van leven. Een journalist moet de gruwelijke slachting uitzoeken op drie leden van een satanische rockband. De jonge vader Arne heeft de zorg voor zijn kinderen nadat ze hun moeder naar een psychiatrische kliniek hebben gebracht.

Het is virtuoos hoe Knausgård de lezer meeneemt van het ogenschijnlijk alledaagse naar het bovennatuurlijke. Dat heeft alles met die morgenster en de laaiende hitte te maken, een prelude op de klimaatcrisis, die onheilspellend over de roman en zijn personages regeert. Dit licht heeft een bijbelse oorsprong, zoals Knausgård betoogt: ‘Ik ben de stralende morgenster, had Jezus gezegd. Maar bij Jesaja was de morgenster de Duivel.’

Doden zijn levenden

Het wonderbaarlijke is dat de ster ’s morgens vroeg al schijnt, vanuit het noorden als de zon op is. Het spookachtige licht dat zowel de duivelse Lucifer als de verlossende Jezus kan symboliseren vormt de sleutel tot het boek. De grens tussen goed en kwaad, tussen dood en leven is vloeiend. In elk verhaal uit deze rijke, soms té overdadig gedetailleerde roman, maakt Knausgård duidelijk dat er zoiets op tilt is als een naderende ondergang. Maar zien we het ook?

Met deze visionaire tour de force waarin doden levenden zijn en levenden doden weet hij de lezer te betoveren en ook te verwarren. Soms weet je niet waar je bent of wat de verhaallijn precies is. Het boek beslaat twee grotere delen, met bijbelse titels als ‘Eerste dag’ en ‘Tweede dag’, gevolgd door een essay van een van de personages, Egil Stray. Dit essay in een fictieboek heet ‘Over de dood en de doden’ en betoogt dat de dood ‘ooit het nulpunt bereikt en zal verdwijnen’. Dat is de verrassende, mooie troost die deze roman tot slot biedt.