Opinie

Een van de geestigste schrijvers uit de wereldliteratuur

Michel Krielaars

Zo’n zes keer per dag zie ik, vanuit het raam van mijn werkkamer, een lange man met een grote zwarte hond door mijn straat lopen. Ze zijn op weg naar het park. De hond trekt de man voort, alsof niet zijn baasje, maar hij het voor het zeggen heeft. Iets vergelijkbaars heb ik net gelezen in Pudlenka of... ik had een hond en een kat, een meesterwerkje van Karel en Josef Capek, mooi vertaald en met fraaie illustraties uitgegeven door Edgar de Bruin.

De Tsjech Karel Capek (1890-1938) is een van de geestigste schrijvers uit de wereldliteratuur. De vreselijkste gebeurtenissen weet hij op een tragikomische manier te vertellen. Zijn in het concentratiekamp Bergen-Belsen omgekomen broer Josef (1887-1945), die behalve schrijver ook tekenaar was en het woord ‘robot’ bedacht, deed niet voor hem onder. In Pudlenka komen hun talenten op een heerlijke manier samen, want als iemands woorden en tekeningen kunnen spreken, dan zijn het wel die van Karel en Josef.

Pudlenka is het relaas van iemand die verklaart dat het houden van een hond niet enkel tot vermaak dient, maar een ‘nobele en hoogstaande sport’ is. Zo moet je volgens hem verschillende disciplines beheersen: ‘duizend yards steaple- chase, cross country spurt, de slalom’. En dan is er ook nog het gewichtheffen met een ‘tegenstribbelend gewicht’, want je moet je hond zonder halsband naar huis kunnen dragen.

Zoals je al vermoedt is Karel Capeks airedaileterriër Minda de baas, net zoals de hond van die man in mijn straat dat is. Die omdraaiing van de machtsverhoudingen levert 140 bladzijden lang heerlijk proza op, zoals: ‘Als een vreemde hond ons nadert, zet ik een hoge rug op, ontbloot ik mijn tanden en begin vervaarlijk te grommen.’

De andere honden uit het korte, maar bewogen leven van deze grote Tsjechische schrijver doen niet onder voor Minda. Zo is er de ruwharige foxterriër Iris, die hem tot de opmerking brengt dat een hond in zijn eentje net zo ernstig is ‘als een leeuw, een slang of een kantoorchef; zijn humor en speelsheid komen alleen in menselijk gezelschap tot uitbarsting’.

In Capeks verbeeldingswereld geeft Iris ‘hondenonderwijs’ aan haar puppies in alle ‘verplichte’ vakken: ‘achtervolgen, aanvallen, je vijand in de nek grijpen, graven in bloembedden, alle voorwerpen meenemen, op alles kauwen wat niet beweegt.’ Ronduit ontroerend is het als Iris, hersteld van het werpen en zogen van haar kroost, bij Capek op schoot springt en in zijn oor fluistert: ‘Baasje, ik ben geen mama meer, ik ben weer een klein meisje, gooi maar een steentje, ik ga weer spelen.’

Veelzeggend over de menselijke soort is ook wat Capek schrijft over een hondententoonstelling, die de honden ondergaan met een sombere reserve, terwijl hun baasjes, die koste wat het kost de eerste prijs willen krijgen, ‘buitengewoon opgewonden zijn, van de zenuwen zweten en onzin uitkramen, ze sjorren en trekken aan hun honden zodat ze mooi staan, en hebben hoe dan ook een veel hartstochtelijker belangstelling voor het hele gebeuren dan wanneer hun eerstgeboren zoon met zijn eindexamen bezig zou zijn.’

De hoofdstukken over Capeks kat Pudlenka zijn even vermakelijk, vooral als hij schrijft dat katten behoren tot de ironici die zichzelf vermaken voor hun eigen binnenpret, terwijl honden behoren tot de humoristen die publiek nodig hebben. Dat katten ook de baas zijn over hun baasjes, zal niemand verbazen.