Recensie

Recensie Boeken

Een linksige stedeling sluit vriendschap met de dorpsnazi

Juli Zeh De nieuwe, onderhoudende dorpsroman verwerkt allerlei actuele debatten, waarbij Zeh luid én kalm vertelt dat alles héél genuanceerd ligt.

Foto Roos Koole

In Onder buren keert Juli Zeh (1974) in zekere zin terug naar waar ze de lezer in de succesroman Ons soort mensen (2017) achterliet; een Oost-Duits lintdorp waar stedelingen en dorpelingen clashen. Toen heette het dorp Unterleuten en werd het verdeeld door een voorgenomen windmolenpark. In 2021 zijgen we neer te Bracken, samen met Dora. Ze is reclameschrijver, heeft een rugzak speciaal voor haar hondje, mist de dure fiets die ze in Berlijn had en vindt zichzelf vooral geen ‘typische stadsvluchteling’. Met op de achtergrond de pandemie, de klimaatcrisis en de Black Lives Matter-protesten sluit ze een onwaarschijnlijke vriendschap met haar ultrarechtse buurman Gote. ‘De dorpsnazi’, zoals hij zichzelf voorstelt.

Of onwaarschijnlijk: dat is wat Dora en alle linksige stedelingen zouden vinden. In werkelijkheid blijkt dat je bekommeren om een ander niet per se stopt bij de grenzen van je sociale kring – maar dan moet je daarbuiten wel mensen tegenkomen. Je moet je over wat zaken heen kunnen zetten. En je moet die ander nodig hebben.

‘Wandelende zonnecel’

Zo staat Dora er in Onder buren pagina’s lang alleen voor met ‘de anarchie der dingen’, in een ‘entropie’ waar braam en acacia woekeren, in gezelschap van haar hondje dat als een ‘wandelende zonnecel’ over het perceel beweegt. Zeh laat de lezer daar keurig weten wat ze moet weten. Bijvoorbeeld dat Dora een relatie ontvluchtte met een man die zich van dogmatische klimaatactivist bekeerde tot dogmatische corona-expert, een Gutmensch in the flesh. Hij doet denken aan een iets te heilige Twittertrol, die iedereen die ook maar wíjst naar een plastic tasje (afvalberg!) affakkelt. Het is niet dat Dora daar recht tegenover staat. Daar is de nazi-buurman goed voor die na die eenzame pagina’s zijn intrede doet: een man die ruikt naar ‘sigaretten, drank, ongewassen man. Een lucht als een oorlogsverklaring’. Maar, uiteraard, met een klein hartje en een lief dochtertje. Dora zelf zou je ‘het redelijke midden’ noemen, als je durfde. Iemand die ‘weigert een duidelijk standpunt in te nemen, omdat er geen eenvoudig antwoord bestaat, op dit moment nog minder dan anders’.

Terwijl ze vrij slechte reclames bedenkt (hoe is deze vrouw ooit haar vak ingerold?) probeert Dora haar positie te bepalen. Wat doe je als je buurman een racist is, maar er ook alles aan doet om je thuis te laten voelen? Wat als die racist zelf hulp nodig heeft? En moet je aardig doen tegen die andere buurmannen, die weliswaar heel werelds een homostel vormen, maar van wie er één AfD stemt en de ander lijkt te lijden aan grillige stemmingswisselingen? (Terzijde: hoe ga je als lezer met dat laatste om, want het is totaal niet duidelijk waarom dat personage de hele tijd ruzie zoekt, behalve om het een beetje spannend te houden voor de lezer?)

Spreekbuis

Zó redelijk blijft Dora dat ze er kleurloos van wordt. Alsof Zeh alle oververhitte maatschappelijke debatten het hoofd wil bieden door heel hard, herhaaldelijk en op veel te kalme toon te zeggen: het is allemaal héél genuanceerd. Het is alsof ze de lezer een les wil leren, en haar personages als spreekbuis gebruikt.

Het levert een onderhoudende roman op, daar niet van. De ideeën van de personage-spreekbuizen zijn swingend opgeschreven (en even swingend vertaald). Dora’s vader, arts, kan amusant leeglopen over de ‘ware pandemie [die] entitlement heet […] Het gevoel van mensen dat ze steeds meer recht op dingen hebben. Op meer veiligheid, meer comfort, minder storingen, minder noodlot.’

Dora zelf heeft een fantastische interne monoloog over de katoenen tasjes die zij de hele tijd aanschafte om niet bij te dragen aan het afval- eiland in de oceaan: ‘Dora had op de radio gehoord dat voor de productie van een katoenen tasje meer energie nodig was dan voor plastic tasjes. […] Elk katoenen tasje moest je minstens honderddertig keer gebruiken om het milieubewuster te maken dan een plastic tasje. Ze stond voor de keukenkast te rekenen.’ Belerend kan het ook worden, zoals wanneer Dora een buurvrouw beschouwt die vermoeid vertelt over haar ontberingen: ‘Alsof ze naar de onderkant van de natie kijkt. Het is bijna niet te geloven dat er in een stinkend rijk land regio’s zijn waar bijna niets is. Geen dokters, geen apotheken, geen sportverenigingen, geen bussen, geen kroegen, geen peuterspeelzaal of basisschool.’ […] ‘Het lijkt erop, denkt Dora, dat Duitsland de AfD bij het universum heeft besteld en gekregen.’

Lees ook: De horrorvakantie van een perfect middenklassegezin

Psychedelische nachtegalen

Buiten het beschouwende om beweegt Dora zich door dorp en omgeving, verbaast ze zich over het bijna psychedelische geluid van nachtegalen (‘eerder een ornithologische ordeverstoring’). Ze moet – éven een wending, hoor je de schrijver peinzen – persoonlijke tegenslagen overwinnen, schuift aan bij een feest dat niet had misstaan aan het eind van een Asterix-album, alleen het everzwijn aan het spit ontbreekt. Kitscherig? Lichtelijk. Net als de gaai die te pas en te onpas verschijnt, en waarin Dora haar overleden moeder ziet. Of het weer, dat zich prachtig aanpast aan Dora’s gemoed. Of de terugblik naar de ontmoeting tussen Dora en haar ex, die niet in een romcom had misstaan. Het is een lichtheid die moet contrasteren met de zware thematiek, denk ik. Prettig, maar allemaal net iets te glad en netjes – een lekker zwarte rand had Onder buren een net wat grotere nagalm gegeven.