Foto Frank Ruiter

Interview

‘Toen werd het: wie de fuck is Diederik Gommers dat hij dit voor ons kan bepalen’

Lunchen met Diederik Gommers (57), intensivecarehoofd, werd een van dé gezichten van de coronacrisis. Nu is er een boek. „Ik voel de behoefte verantwoording af te leggen.”

De werkkamer van Diederik Gommers (57), op de vierde verdieping van het Erasmus MC in Rotterdam, bereik ik dwars óver de intensivecareafdeling. Een jaar geleden was dit ondenkbaar geweest. Covidpatiënten liggen er niet, die worden tegenwoordig op de achtste etage in leven gehouden. Hoogleraar Diederik Gommers, afdelingshoofd, zit met één been onder zich gevouwen achter zijn laptop in een grote microfoon te praten. „Voor de podcast Virusfeiten”, zegt hij als hij me de bureaustoel tegenover zich aanbiedt. Beige trui, spijkerbroek, glimlach. Hij is de dokter die na de uitbraak van de coronapandemie in maart 2020 in no time uitgroeide tot „nationale knuffelbeer”, „boegbeeld”, „empathisch bruggenbouwer”. Plotseling had hij politieke invloed, een Instagram-pagina met een half miljoen volgers, plus een persiflage op tv. En nu is er een boek over de anderhalf jaar van zijn leven in een „sneltrein”.

In Intens beschrijft Volkskrant-journalist Wilma de Rek heel precies hoe de coronacrisis zich voltrok en Diederik Gommers is daarbij haar perspectief. Ze laat zien hoe hij als voorzitter van de Vereniging van Intensive Care (NVIC) een beslissende rol krijgt bij de bestrijding van het virus. Anderhalve meter afstand. Thuiswerken. Scholen dicht. Lockdown. Hij steekt twee vingers in de lucht: „Toen de ziekte uitbrak besloten we: coûte que coûte zo min mogelijk zieken. En twee: wie toch ziek werd, zou alle zorg krijgen die beschikbaar was.” Hij kwam bij talkshows om alarm te slaan over de 950 IC-bedden in het land die vol raakten. „Er overkwam ons iets groots, we lieten alles uit onze handen vallen, iedereen was bang. En Diederik was de dokter die de Nederlanders geruststelde. Eigenlijk voerde ik gewoon een slechtnieuwsgesprek”, zegt hij nu.

Wie was die man met dat gekke slisje die werd uitgenodigd bij premier Mark Rutte in het Catshuis, en die samen met minister Hugo de Jonge in het Torentje mocht komen? Talkshows vochten om zijn aanwezigheid. „Dan zei de redacteur van Op1: ‘Je bent nu twee keer bij RTL geweest, nu moet je twee keer bij ons komen.” Gaandeweg gaf hij niet alleen zijn mening over dokterszaken, maar bemoeide zich ook met beleid: meer of minder maatregelen, wel of geen verplicht mondkapje. Hij, nog steeds verbaasd. „Er werd me zoveel toegedicht. Diederik was zo’n instituut geworden.” Leuk was het ook. Spannend. „Elke flard van mij was nieuws.” Hij kon het nieuws bepalen: toen van de zomer de disco’s open mochten en binnen twee weken weer sloten wegens torenhoge besmettingen, vond hij dat Rutte „gewoon sorry” moest zeggen. „Binnen 24 uur zégt hij sorry.” Via zijn Instagram-kanaal kon hij bijsturen als hij iets verkeerds had gezegd. „In april 2020 zei Ernst Kuipers [voorzitter van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC]: versoepel. Ik zei wat anders, omdat ik niet wist wat Ernst had gezegd. Toen was het nieuws omdat Ernst en Diederik het niet eens waren.” Hij slaat zich op de knieën. „Nou én.”

Wie floot mij nog terug?

Wie zo hoog op het schild is gehesen, moet er op zeker moment vanaf. Dat begrijpt hij heus wel. „Het werd gevaarlijk.” Gevaarlijk? „Nou ja, wat critici toen ook zeiden: aan wie legt Diederik Gommers nog verantwoording af? Daar ben ik over gaan nadenken. Wie floot mij nog terug?” Nou? Zijn vrouw Margriet, klinisch geneticus in het Erasmus MC, becommentarieerde zijn tv-optredens. Zijn drie volwassen kinderen zijn altijd bereid hem af te breken, hij kreeg advies van familie, collega’s, vrienden. Maar verder? „Ernst Kuipers is mijn baas en hij valt onder de minister. Maar in mijn rol als voorzitter van de IC-vereniging kon hij mij niet terugfluiten.”

Het draaimoment, het moment waarop hij knuffelbeer-af was, was 10 oktober 2020. „We zaten midden in de tweede golf, en ik begon pissig te worden. Hadden we dan niets geleerd van die eerste golf.” Het was zaterdagochtend, hij was thuis, het Algemeen Dagblad belde en hij zei dat er een flinke lockdown moest komen en wel meteen. Daarna, schrijft Wilma de Rek, ging hij een ei bakken. Het leed was geschied. „Toen werd het: wie de fuck is Diederik Gommers dat hij dit voor ons kan bepalen.”

Vanaf april 2020 is hij gaan opschrijven wat hij meemaakte. In zijn telefoon, elke dag een paar regeltjes. Zo legde hij een „prachtige periode” vast. Ongetwijfeld komt er straks nog een parlementaire enquête naar corona-aanpak, en zijn aandeel daarin zal vast ook worden onderzocht. „Prima”, zegt hij. Daarom is hij blij dat er nu een boek is, een eerste geschiedschrijving over de epidemie, waar hij „toevallig” deel van uitmaakte. „Het is een afsluiting. Ik voel de behoefte verantwoording af te leggen. Ik heb de dingen naar eer en geweten gedaan, zeg maar wat ik verkeerd heb gedaan.”

Witte klompen

Het boek eindigt op 25 september 2021, toen de meeste coronamaatregelen werden afgeschaft. Die dag stopte hij ook met aantekeningen maken. „We zaten in de derde golf, Covid was niet nieuw en spannend meer, het was mijn werk geworden.” Hij hoopte een dikke streep te zetten. „Klaar, afgelopen.” Hij klapt zijn laptop open, laat een document met zijn dagelijkse notities zien. „Hier, op 4 oktober. Ik ging weer aantekeningen maken.”

Het is niet klaar, sterker: het lijkt weer te beginnen. De dag van ons gesprek op zijn kantoor: 617 Covid-patiënten, waarvan 164 op de IC. En de getallen lopen sindsdien op. Ziekenhuizen zijn onderling alweer patiënten aan het verdelen, de persconferentie over de corona-aanpak wordt met een week vervroegd, nieuwe maatregelen dreigen. Hij zucht. „We lopen op eieren hoor, iedereen wil zijn gewone leven terug, maar het virus is niet weg.” Bij de deur staan z’n witte klompen. Springt hij daar nu, hup, weer in? De IC-verpleegkundigen werden al woedend op hem toen hij alleen nog maar práátte over de zorg voor Covidpatiënten komende winter. „Er brak iets bij hen. Zij hebben patiënten verzorgd die hier vier tot zes weken op hun buik lagen te slapen. Nul contact. Ze konden hopen dat iemand levend van de IC af kwam, maar of zo iemand ooit nog zou wandelen of zelfstandig douchen? Maar ik dacht: we hebben een groot feest gegeven voor het personeel, er zijn coachingsgesprekken geweest, nu gaan we het hebben over hoe we de IC anders gaan inrichten.” Dat was, zegt hij, dus iets te voortvarend.

De IC is een plek waar je misschien niet eens moet willen liggen

Weet je wat het is, zegt hij: „Covid heeft problemen zichtbaar gemaakt die er allang waren. We lopen tegen de grenzen van ons zorgsysteem aan. Als hij iets mag noemen van de afgelopen anderhalf jaar waar hij tevreden over is, dan is het dat hij op televisie een lastig, ethisch dilemma bespreekbaar heeft gemaakt, zónder zelf te „sneuvelen”. „Ik heb mogen uitleggen hoe het werkt op de IC en dat het een plek is waar je misschien niet eens moet willen liggen. Mensen zijn gaan nadenken over wat zij kwaliteit van leven vinden. Moet je je leven wel eindeloos rekken, mag je niet gewoon doodgaan?” Nou ja, zo bruusk heeft hij het misschien niet gezegd, maar het punt is gemaakt. „Als een overheid bang is om keuzes te maken, moet je geld regelen. Geen geld? Dan moet je kiezen.”

Een nieuwe hartklep voor een 86-jarige? Voor elke ernstige Covidpatiënt een plek op de IC? Ook voor ongevaccineerden? Handen ten hemel: „Zeg je: iedereen heeft evenveel recht op een IC-plek, dan zeg ik: prima, maar zoveel plekken hébben we niet. Dus moet je zorgen dat minder mensen besmet raken en maatregelen invoeren. Wil je dat niet nog een keer? Oké, dan is er nog één knop om aan te draaien, de makkelijkste: mensen afbellen die gepland staan voor een operatie. Oké, prima, doen we. Maar accepteer dan wel dat we over drie jaar terugkijken en vaststellen dat in de winter van 2021 meer mensen dood gingen aan maagkanker of een hartinfarct. Snap je?”

Vorige week vrijdagavond, hij had zaaldienst, beende een neurochirurg de afdeling op. Patiënt met hersentumor. Operatie afgezegd, want IC vol. „Hij kwam zelf even kijken of er écht geen plek was.”

Hij lacht, het klinkt als een giechel. „We hebben het over zware dingen.” Laten we het over het boek hebben. Hoe vond hij het om over zichzelf te lezen? Hij aarzelt: „Ik dacht ook wel…. Kut, waarom wilde ik dit ook alweer?” Want? „Weet je wat het is, als mensen denken dat het me om de sier gaat, dat ik uit ijdelheid op tv wilde, dan ken je me eigenlijk niet. Ik hoef echt geen bekende Nederlander te worden.” Die periode heeft hem sterker gemaakt, zegt hij. „Ik was best een onzeker iemand, ook al kom ik misschien niet zo over. Ik heb in die anderhalf jaar geleerd meer afstand te nemen. Van mezelf en van wat anderen van me vinden.” Onthecht? „Weet je, als intensivist sta je zo dicht bij leven en dood. Je beslist er eigenlijk over.” Dus til je minder zwaar aan het leven? Hij knikt van ja.

Ik was best een onzeker iemand

Hij hoeft niet meer zo nodig op tv, hij wil weer gewoon dokter zijn. „Maar als ik dan hoor dat er weer gesproken wordt over opschaling van IC-capaciteit, denk ik: nu moet ik toch vertellen dat de IC niet meer kan en wil uitbreiden.” Dus zit hij dezelfde avond nog bij Op1. „Ik ga het probleem uitleggen, niet meer helpen oplossen. Daar zijn politici voor. Maar zij vonden het allemaal zo moeilijk en zo zwaar, dan ga je als dokter meedenken. Om te hélpen, begrijp je.” In die valkuil trapt hij niet weer. Hij draait op zijn bureaustoel. „O ja, we zouden lunchen…” Achter hem ligt een halfje bruin gesneden tussen de paperassen. Hij springt uit z’n stoel, ineens haastig, en pakt sleutels en tas. „Ik lunch eigenlijk nooit.”