Recensie

Recensie Beeldende kunst

Supporterssjaaltjes, nieuw talent en ruimtelijke illusies

Beeldende kunst Uit de vele tentoonstellingen die in galeries te zien zijn, maakt NRC tweewekelijks een selectie. De meeste exposities zijn zonder afspraak te bezichtigen.

Cabinet of Kaput. Galerie Mieke van Schaijk.
Cabinet of Kaput. Galerie Mieke van Schaijk. Foto Hussel Zhu

Supporterssjaal voor kunstminnaar

In 1966 kregen twaalf Nederlandse kunstenaars de opdracht een lijn te trekken langs een liniaal. De lijn mocht 50 cm zijn, getekend met een L & C Hardtmuth Koh-I-Noor 1500 Aistria B-potlood. De gedachte erachter was dat galeries en kunstcritici te vaak keken naar de persoon, het persoonlijke van het werk en de verschillen tussen de kunstwerken. Hierdoor ontbrak het de kijkers aan aandacht voor „de rust van het volstrekt neutrale”. In 1966 kwam er prompt een expositie die moest resulteren in het tonen van „onpersoonlijk, verwisselbaar werk”. Het plan – bedacht door de redacteuren van het tijdschrift Barbarber – mislukte, want niet alle kunstenaars hielden zich aan de opdracht. Het idee was desalniettemin tamelijk briljant en geestig.

Een vergelijkbaar iets, maar wel minder streng als je kijkt binnen welke lijnen de kunstenaars moesten blijven, bedacht het ‘Cabinet of Kaput’ in 2016. Kunstenaars kregen het verzoek iets te maken dat de grootte moest hebben van 180 x 18 cm. De werken werden in het online kunsttijdschrift Kaput getoond. De verschillen waren uiteraard evident, daarvoor hadden ze genoeg ruimte gekregen. De organisatoren hadden de behoefte er iets tastbaars van te maken. Kunstenaars kregen de vraag iets te ontwerpen dat afgedrukt kon worden op hetzelfde formaat, maar dan op zijde. Het resultaat is een soort supporterssjaal, maar dan met kunst in plaats van logo’s.

In galerie Mieke van Schaijk hangen nu enkele resultaten van twintig verschillende kunstenaars. Opvallend genoeg kiezen de meesten niet voor de lengte, maar delen ze de sjaals op in blokken, zodat je soms beeldverhalen van boven naar beneden krijgt (soms letterlijk doordat er teksten op geschreven staan). Sommige afdrukken zijn serieus, andere inzenders spelen met het formaat door een hele rits knopen of ritssluitingen onder elkaar te zetten. Een enkeling maakte daadwerkelijk een voetbalsjaal, maar dan met de leus „When dinosaurs ruled the earth.”

Door de zijde krijgen de werken een extra glans en het geheel hangt mooi bij elkaar. Anders dan bij de ‘lijnen’-tentoonstelling uit 1966 komt hier wel het persoonlijke naar voren, ook al hielden de kunstenaars zich aan de opdracht, maar echt pakkend zijn ze individueel uiteindelijk toch niet.

Prima vlootschouw van nieuw talent

Werk van Müge Yilmaz en Sarah Naqvi bij W139. Foto Hans den Hartog Jager

Het duurt maar vijf minuten om te worden opgeblazen. Op de nieuwe W139-tentoonstelling That Those Beings Be Not Being heeft Ludmila Rodrigues een opblaaskussen neergelegd. Je gaat erop liggen, de luchtpomp gaat aan en al snel groeit en vloeit het zwarte kussen om je heen, omhelst je, knelt je vast. Voor claustrofoben is het vast benauwend, maar ik vond het prettig – knus, beschut, lekker in mijn eigen bubbel, met alleen het W139-dak nog in zicht.

Of dat ook de bedoeling is, is minder duidelijk. De expositie als geheel gaat, als ik het goed heb, over het dichotome denken: de toenemende tweedeling in de samenleving, de scheidingen, de botsingen. Dat is tenminste wat ik uit de begeleidende tekst meen te halen – die, volgens ouderwetse W139-traditie, redelijk onbegrijpelijk is. Maar dat is óók een opluchting: blijkbaar is W139 weer terug. Het kunstenaarsinitiatief aan de Amsterdamse Warmoesstraat was lang zoekende, leek zijn koers en zijn bestaansrecht wat kwijt. En dat, terwijl W139 door zijn geschiedenis en locatie in Amsterdam, en misschien wel heel Nederland, nog steeds een unieke functie kan vervullen als scout en aanjager van nieuw en eigenzinnig talent.

Dat idee zag je de afgelopen twee jaar al langzaam terugkomen en nu, met deze tentoonstelling, voelt het weer goed: het concept mag dan niet heel helder zijn, de werken tonen een uitstekende vlootschouw van nieuw en interessant talent. Dat varieert van Sarah Naqvi en Philt Haus (allebei net afgezwaaid van De Ateliers) tot Philipp Gufler (met een film over de biseksuele en androgyne Duitse celebrity Lana Kaiser die in 2018 zomaar verdween), Müge Yilmaz (met een geweldige ‘hangende tuin’) en Salim Bayri (die zijn alter ego Sad Ali in zeepvorm op verschillende plekken in de tentoonstellingsruimte heeft ‘verstopt’).

Daarbij maken curatoren Fadwa Naamna en Margarita Osipian uitstekend gebruik van de geweldige hoge ruimte, inclusief curieuze hoeken en zijkamertjes, waardoor de tentoonstelling voelt als een aangename, prikkelende ontdekkingsreis naar ‘de ander’ waarin telkens iets nieuws valt te vinden. En als je daar genoeg van hebt, kun je je altijd nog terugtrekken in die merkwaardige opblaasbubbel. Net het echte leven, en misschien zelfs wel beter.

Ruimtelijke illusies waar muziek in zit

Werk van Isabelle Borges in Galerie Frank Taal. Foto Galerie Frank Taal

Doet het er toe of je het begrijpt? De rechthoekige doosjes die Isabelle Borges aan de muur bevestigt, lijken te stralen: roze, paarse of gele gloed strijkt vanaf vier kanten langs de muur. Geven de doosjes licht? Of is het een illusie, heeft de kunstenaar de muur ook beschilderd? Maakt dat uit?

De in Brazilië geboren Isabelle Borges (1966) schildert, geïnspireerd door Bauhaus en moderne Braziliaanse architectuur, abstracte, geometrische vormen – op haar doeken creëert ze daarmee onmogelijke ruimtes. De wandschildering die ze speciaal voor galerie Frank Taal maakte, is een swingend, ritmisch geheel van dikke en dunne lijnen. Je zou er stalen balken en dunne kabels in kunnen herkennen, die elkaar in balans houden. Maar het is vooral dat: een bijzonder abstract en muzikaal lijnenspel. Een feest om naar te kijken, de doosjes zorgen voor een gekleurd contrapunt.

Wat haar schilderijen zo goed maakt, is het subtiele gebruik van kleur. Shimmer #1 en Shimmer #2, die naast elkaar hangen, zijn bijvoorbeeld elkaars tegenpolen: de één licht, wit-grijs-achtig met groenen lijnen, de ander zwart-donker met rode lijnen. De vormen zijn ongeveer gelijk: ze suggereren een boog, een deur, een sta-tafel, misschien. Maar, opnieuw, vooral: een intrigerend spel met compositie, balans, kleur, vorm.

De doosjes tillen het spel met ruimtelijkheid naar een hoger niveau: deze hebben écht dimensies. De gekleurde gloed benadrukt de relatie met de muur, het strakke patroon van erop geplakt papier doet denken aan een envelop, een kartonnen doos. Deze doosjes hebben inhoud, ook als ze dat misschien niet hebben.

Je zou je een ogenblik af kunnen vragen waarom je nu nog zulke abstracte werken zou maken, zo ogenschijnlijk zonder enige referentie naar iets buiten de kunst, totaal tegen de trend van conceptuele en geëngageerde kunst in, maar daarmee ontzeg je jezelf iets essentieels: een heleboel kijkgenot.