Illustratie Marit Dekker

‘Als je geniet van feelgoodromans, moet je je daar een beetje schuldig over voelen’

Feelgoodroman schreef een feelgoodroman. En eigenlijk schaamt ze zich daarvoor. Waarom is dat?

‘Het is maar een feelgoodroman, ik denk niet dat het iets voor jou is.” Ik schrik ervan als ik het mezelf hoor zeggen. „Dat soort boeken lees ik normaal gesproken nooit”, reageert mijn kennis, alsof het heel normaal is dat een schrijver zich verontschuldigt voor haar eigen boek. „Maar die van jou wil ik dan wel proberen.”

Mijn naam is Karin Quint en ik schrijf feelgoodboeken. Of eigenlijk heb ik er pas één geschreven, maar mijn debuutroman Het koetshuis is het eerste deel van een serie romans die zich afspelen op het fictieve Nederlandse landgoed Rosaville. De tweede is in de maak. Ik ben er trots op – op het verhaal, hoe het eruitziet. Maar er is ook iets vreemds aan de hand. Want wanneer ik erover praat met vrienden en kennissen die veel lezen, merk ik dat ik me verontschuldig voor het feit dat ik ‘slechts’ een feelgoodroman en geen literaire roman heb geschreven.

Waarom heb ik eigenlijk niet een wat zwaarder werk geschreven?

Geloof me, ik heb het geprobeerd. Mijn roman begon als een moderne versie van Jane Eyre, de klassieker van Charlotte Brontë. Mijn hoofdpersoon zou in de eerste hoofdstukken net zo emotioneel en lichamelijk verwaarloosd worden als de jonge Jane, mijn Mr. Rochester zou net zo complex zijn als die van Brontë. Maar zodra ik begon te schrijven, ging mijn verhaal een andere kant op. Het lukte me gewoon niet om mijn hoofdpersoon ongelukkig te maken, al vanaf de eerste paar pagina’s werd me duidelijk dat het niet bij haar paste. Of eigenlijk: het paste niet bij mij.

Let other pens dwell on guilt and misery, schreef Jane Austen, een van mijn andere literaire heldinnen en de oermoeder van de feelgoodroman. In ieder van haar zes voltooide romans krijgen de hoofdpersonages alles wat hun hartje begeert – en daarmee de lezer ook. Het kostte uren schrijven om erachter te komen dat dát was wat ik voor mijn eigen lezers ook wilde. Een paar uur geluk, de garantie dat je een boek met een goed gevoel dichtslaat. Dat leek me best een nobel streven.

Toch merk ik nu dat ik de neiging heb om mijn eigen boek naar beneden te halen. Alsof het te min zou zijn. En ik ben niet de enige feelgoodauteur die dat doet. Mijn uitgever Hedda Sanders van Luitingh-Sijthoff, die ik als eerste vraag hoe dat toch komt, zegt precies wat ze moet zeggen: dat ik er trots op mag zijn dat ik een roman heb geschreven. En dat het niet veel aspirant-schrijvers lukt om een uitgever te vinden. Ergens snapt ze wel waar mijn gevoel vandaan komt, maar ze deelt het niet. „Ik ben bang dat dat toch echt in jezelf zit”, stelt ze.

Geen literatuur

Tijd om in de spiegel te kijken. Want dat ik me verontschuldig voor het genre waarin ik schrijf, betekent misschien wel dat ik dat genre zelf niet al te hoog inschat. Dat stemmetje dat me influistert dat het niet goed genoeg is, dat ik mijn tijd beter aan iets anders kan besteden, moet ooit ergens geboren zijn. En ik denk dat dat gebeurde op de middelbare school, waar we leerden wat literatuur is en wat als ‘lectuur’ wordt gezien. Dat het één goed is en het andere vaak niet al te best. Dat leesplezier ondergeschikt is aan het kunnen benoemen van thema’s, motieven en uit welke stijlperiode een boek komt. Dat ik romantische fictie ook nauwelijks terugzie in de kwaliteitskranten die ik lees of de tv-programma’s die ik bekijk, helpt natuurlijk ook niet mee.

Zelf lees ik van alles. Mijn recente aankopen van Robert Goddard (thriller), Anna Thomas (feelgood), Merijn de Boer (literatuur), Philippe Sands (non-fictie) en Leigh Bardugo (fantasy/young adult) staan in de kast naast elkaar op mijn tijd en aandacht te wachten. Wanneer ik welke pak, hangt helemaal af van mijn humeur. Wanneer ik zin heb in satire, grijp ik naar Merijn de Boer. Wil ik romantiek in een Spaans dorpje, dan pak ik Anna Thomas. Als het leven echt even niet doet wat ik wil, dan grijp ik naar een van de dertig pastelroze boeken in mijn kast van Georgette Heyer (1902-1974), een Engelse schrijfster die begin twintigste eeuw het genre van historische romantische fictie uitvond. Bij Heyer vind ik humor, troost en de garantie op een goed eind voor alle hoofdpersonages. Het is feelgood avant la lettre: het perfecte middel tegen een slechte dag.

Gek genoeg is het van alle genres die ik lees, alleen feelgood waarbij ik me voor mijn smaak wil verontschuldigen. En dat zie ik bij andere lezers ook. Feelgoodromans worden vaak ‘leuk voor tussendoor’ genoemd, alsof het over een groot stuk taart gaat dat je tussen twee maaltijden in verorbert en waarvan je weet dat je dat beter niet had kunnen doen. Een kennis appte me: „Laat ik nou als dochter van twee neerlandici één guilty pleasure hebben: feelgoodromans.” Met andere woorden: als je geniet van feelgoodromans, moet je je daar een beetje schuldig over voelen.

Het taalgebruik is eenvoudiger, met kortere zinnen en veel dialogen

Corina Koolen, auteur van Dit is geen vrouwenboek, kan deze gedachte wel plaatsen. Ze deed onderzoek naar de vraag waarom boeken van vrouwen literair lager gewaardeerd worden dan boeken van mannen – zelfs door vrouwen. Ze wijdde een apart hoofdstuk aan het romantische genre, dat, zo blijkt uit haar onderzoek, helemaal onderaan de schaal van waardering staat. Volgens Koolen wordt er vaak denigrerend gedaan over romantische fictie, omdat deze ‘exclusief vrouwelijk’ is. „Deze boeken worden meestal door vrouwen geschreven voor een vrouwelijk lezerspubliek”, legt ze uit. „En als een boek alleen een vrouwelijk lezerspubliek aanspreekt, dan wordt het al snel als minder literair gezien.”

Maar natuurlijk zijn er ook verschillen tussen literaire en feelgoodboeken. Literaire werken, zo leerden we vroeger al op school, worden gekenmerkt door gelaagdheid en complexiteit, door creatief taalgebruik, met personages die een persoonlijke ontwikkeling doormaken, en door een verrassend plot. In feelgoodboeken zoeken lezers juist herkenning. Wat de hoofdpersoon gebeurt, kan ook de lezer overkomen. Het taalgebruik is eenvoudiger, met kortere zinnen en veel dialogen. En als je het boek oppakt weet je één ding al zeker: je gaat er een goed gevoel aan overhouden. Maar maakt dat ze dan per definitie zoveel anders dan literatuur?

„Het genre bestaat eigenlijk uit een heel spectrum”, zegt Koolen. „Er wordt nu vaak gedaan alsof er een duidelijke scheiding is tussen literatuur en feelgood, terwijl dat soms niet zo is. Er zijn genoeg boeken die als feelgood gelabeld worden, maar tegen het literaire aanschurken. Zoals de boeken van Liane Moriarty.” Zelf leest Koolen ook graag feelgoodboeken. „Veel mensen laten hun vooroordelen over het genre voorgaan op het daadwerkelijk lezen van die romans”, zegt ze. „De misvatting is dat die vaak alleen maar gaan over het vinden van liefde. Maar de kernonderwerpen zijn over het algemeen werk en vriendschap.”

In een hoek gezet

Ik zou kunnen denken: wat maakt het uit dat een deel van de bevolking neerkijkt op het feelgoodgenre? Dat sommige lezers het een ‘guilty pleasure’ noemen om zichzelf te verantwoorden? Als het maar gelezen wordt. Toch frustreert het me. En ik ben niet de enige. Zo haalde Jojo Moyes (Engelse feelgoodauteur met meer dan 38 miljoen verkochte boeken) deze zomer in een tweet uit naar The Observer en andere kwaliteitskranten die alleen aandacht hebben voor het werk van een kleine literaire kring. „We are ‘fiction’ too and we keep the freaking industry afloat”, fulmineerde ze.

Ook voor uitgeverijen is het jammer dat er weinig aandacht is voor feelgood in traditionele media. In de kwaliteitskranten komt het genre nauwelijks aan bod. Bij vrouwenbladen als Libelle blijft het vaak bij een korte vermelding, een boekentip of winactie. „En in onze cijfers zien we niet direct terug dat dat iets oplevert”, zegt uitgever Hajnalka Bata van uitgeverij Boekerij, die jaarlijks zo’n veertig feelgoodtitels uitbrengt. „Terwijl meer aandacht in de traditionele media ervoor zou kunnen zorgen dat onze boeken breder in de boekhandel komen te liggen.” Boekerij zoekt haar heil voor de promotie van feelgoodboeken nu vooral op sociale media, ook al bereikt de uitgeverij daarmee niet direct de boekhandelaar.

Omdat ik vermoed dat mijn houding tegenover feelgood ook te maken heeft met het feit dat ik pas net kom kijken, leg ik mijn ervaringen voor aan Jacqueline Remmers, die onder het pseudoniem Jackie van Laren al veertien feelgoodromans schreef en meer dan 225.000 boeken verkocht. „Ik doe het zelf ook hoor, dat naar beneden halen van mijn eigen werk”, bekent ze meteen. „Ik zeg altijd dat ik lichte romans schrijf, lekker voor op het strand, ontspannend, niet te zwaar. Eigenlijk is het heel stom, want feelgood gaat juist over de grote emoties in het leven, zoals liefde, dood, rouw. Het eindigt op een hoopvolle noot, dat maakt het genre. Maar in de literatuur mag dat natuurlijk niet. Het moet – en dan gebruik ik even de grote hooivork – ellendig eindigen om door veel lezers als literatuur gezien te worden. Als je er gelukkig van wordt, dan is het een ‘wijvenboekie’.”

Remmers zou willen dat er minder in genres werd gedacht. „Je moet dat soort onderscheid niet maken, je moet het gewoon nemen zoals het is”, vindt ze. „Ik heb nog steeds contact met mijn leraar Nederlands van de middelbare school en hij leest weleens iets van mij. Dan zegt hij altijd: ‘Het is wel leuk, maar ja, het is geen literatuur.’ Mijn kind zou zeggen: ‘Ja, dus?’ Wat ik er zo spastisch aan vind, is dat mensen blijkbaar het gevoel hebben dat ze zich verkeerd afficheren als ze zo’n boek lezen. In Amerika is dat heel anders. Daar heb je in alle genres festivals, prijzen en community’s. En als je daar groot bent, in welk genre ook, dan ben je gewoon groot.”

In de Nederlandse feelgood kun je schrijfster Chantal van Gastel zeker ‘groot’ noemen, met elf boeken op haar naam (waaronder twee psychologische romans), bijna een half miljoen verkochte exemplaren, twee bioscoopverfilmingen, een derde in de maak – en het script van de vierde ligt ook al klaar. Net als ik had zij als debutant moeite met hoe mensen die het genre niet lezen naar feelgoodboeken kijken. Haar reactie daarop was anders dan die van mij.

„Ik ging juist in de verdediging, door te zeggen dat mijn boek echt heel goed was. Maar ik heb dat inmiddels losgelaten”, zegt ze. Hoewel haar dat niet altijd gemakkelijk afgaat, vooral toen er deze zomer weer een verfilming van een van haar boeken in de bioscoop draaide, het tweede deel van Zwaar verliefd! „Wanneer iemand dan onder de aankondiging op sociale media schrijft: o, weer zo’n lekker foute film, dan merk ik dat de bewijsdrang er nog altijd is.”

Daar staat tegenover dat Van Gastel keer op keer het bewijs ziet dat haar boeken waarde kunnen hebben voor wie ze lezen. „Ik stop vaak dingen in mijn boeken waar ik zelf mee geworsteld heb. Van lezers hoor ik dan dat ze zich door mijn boeken realiseren dat ze aardiger voor zichzelf moeten zijn, of hun dromen achterna moeten, of dat ze geen genoegen hoeven te nemen met een relatie die niet goed voor ze is. Wat kun je als schrijver nog meer wensen?”

En dat is natuurlijk de sleutel tot een gelukkig leven als feelgoodschrijver. Niet treuren om het feit dat je nooit een literatuurprijs gaat winnen, niet blijven hopen op erkenning van mensen die met enig dedain tegen je zeggen: ‘Dat soort boeken lees ik niet.’ Want wat kun je eigenlijk meer wensen dan dat jouw boek iemand een paar mooie uren bezorgt, door een moeilijke tijd helpt of gewoon even uit de dagelijkse sleur haalt?

Dat irritante stemmetje in mijn hoofd leg ik daarom het zwijgen op. Ik ga mijn werk niet meer naar beneden halen, me niet meer verontschuldigen. Het stopt hier. Dus bij deze: mijn naam is Karin Quint en ik heb een feelgoodroman geschreven. Lees het eens, ik denk dat je er blij van wordt.