Natasja Kensmil

Foto Lars van den Brink

Interview

‘Als ik naar de toekomst kijk, maakt me dat nog angstiger’

Vermeerprijswinnaar Natasja Kensmil Soms worden mensen ongemakkelijk van haar schilderijen. „Maar kunst moet iets altijd net even anders presenteren”, vindt Natasja Kensmil. Op 1 november ontvangt ze de Johannes Vermeer Prijs (€100.000).

‘Als ik aan het schilderen ben is het falen van de mens iets wat me wel bevalt.” Natasja Kensmil lacht bij die typering van een deel van haar werk. „Bij gruwelijke en heftige taferelen heb ik plezier in het schilderen.”

Op 1 november krijgt Natasja Kensmil (47) de Johannes Vermeer Prijs 2021, de grootste beeldende-kunstprijs van Nederland. De jury prijst de manier waarop Kensmil met haar schilderijen de geschiedenis herinterpreteert, waarbij ze „vervormt” in plaats van „bekladt, weghaalt en negeert”, waardoor het werk „helend, opbouwend en kritisch tegelijkertijd” is.

Schilderen is durven falen en mislukken, anders kom je niet verder

Kensmils schilderijen worden vaak als griezelig ervaren. De post mortem kinderhoofden in de serie Sleeping Beauty zijn inderdaad heftig, en mannen als Karl Marx en tsaar Nicolaas II worden op de portretten vergezeld door hun hologige vrouwen. In het Monument der Regentessen, een serie die is aangekocht door het Amsterdam Museum, zijn de eerbiedwaardige vrouwen op zeventiende-eeuwse portretten afgepeld tot er bijna alleen doodshoofden over zijn gebleven, gekleed in dure jurken.

Wie haar atelier binnenkomt, ziet op een bureau een verzameling tamelijk duistere afbeeldingen liggen: anatomische lessen of dode mensen, afgewisseld met plaatjes van historische figuren, vaak met macht en rijkdom. Het grootste deel van het atelier is echter leeg, tegen de wand staan enkele grote doeken omgedraaid. Zo blijven ze staan, behalve dat ene doek waaraan Kensmil op dat moment werkt. „Dat heeft met mijn focus te maken. Ik wil zelf het moment kiezen wanneer ik ernaar kijk. Als de doeken meteen te zien zijn als ik binnenkom, dan kijk ik automatisch anders, dan heb ik geen frisse ogen.”

Ze werkt altijd aan meerdere schilderijen tegelijk. Momenteel ligt de focus op een opdracht voor het Rembrandthuis. Ze draagt werk bij aan de groepstentoonstelling Rauw. De afkeer van idealisering. Samen met tien andere kunstenaars verwerkt ze de ongefilterde blik op de mens en het menselijk lichaam. Kensmil werkt voor deze tentoonstelling aan een portret van een regentes, van wie ook hier een laagje „beschavingsvernis” wordt afgepeld. „Bij de regentessen wil ik hun status en vormelijkheid een beetje afbreken. Ik wil neerzetten wie ze zijn. Enerzijds waren ze barmhartig met hun werk voor liefdadigheidsinstellingen, aan de andere kant worstelde ik met de vraag in hoeverre ze zich bewust waren van waar hun geld vandaan kwam. Wisten ze dat hun welvaart deels te danken was aan plunderingen overzee? Die tegenstelling vind ik interessant, omdat je zo dieper in de mens raakt: wat drijft iemand en in hoeverre kiest men voor het goede? Ik probeer verschillende karakters naar boven te halen en wil tegelijkertijd het gebruikelijke beeld van die tijd doorbreken.”

Natasja Kensmil, Jenny en Karl (Marx), 2009, olieverf op linnen, 150 x 150 cm
Courtesy andriesse ~ eyck galerie, Amsterdam
Foto Lars van den Brink
Foto 1: Natasja Kensmil, Jenny en Karl (Marx), 2009. Foto 2: het atelier van Kensmil
Foto’s courtesy andriesse ~ eyck galerie / Lars van den Brink

Het gaat in uw werk dus om het belichten van de keerzijde van het beeld dat we hebben van de regentessen?

„Ja.”

Hoort u vaak dat mensen het vervelend vinden dat u dat doet?

„Je merkt inderdaad dat mensen zich ongemakkelijk bij mijn regentessen voelen, maar goed. Ik maak schilderijen omdat ik op een bepaalde manier kijk naar de wereld. Dat is denk ik wat kunst moet doen: iets net even anders zeggen of presenteren. Soms gaat het om iets dat je al weet, maar waar je je niet bewust van bent of waar je niet bewust mee omgaat.”

Die omarming van het ongemakkelijke, vanaf wanneer ontwikkelde u dat?

„Dat is privé, maar het heeft ook te maken met hoe je bent behandeld, de keuzes die je maakt.”

Je hoort wel eens dat schrijvers iets van zich afschrijven. Doen schilders dat ook, iets van zich afschilderen?

„Voor een deel wel, maar het persoonlijke probleem probeer ik ook universeel te maken. Het is niet zo dat ik helemaal gevangen zit in mijn eigen universum. Het is bij elk schilderij anders. Bij het ene kan de emotie de basis zijn, bij het andere een gedachte. Dat begint al bij het beelden verzamelen en kijken welke verhalen er achter zitten. Ik ben altijd veel bezig met machthebbers en onderdrukkers, daar kan ook weer een emotie uit groeien. In ieder geval denk ik wel dat ‘afschilderen’ en onderdeel is van het proces.”

Is dat ook het geval bij de serie ‘Sleeping Beauty’, waarin u dode kinderen afbeeldt?

„Ja, ergens wel. Ik ben geïnteresseerd in de dood, de schimmenwereld, als die al bestaat, tussen het onsterfelijke en het aardse. De post-mortemfoto’s verzamelde ik aanvankelijk omdat ze me ontroerden, ze hebben iets teders. Het ontroert me hoe mensen omgaan met de dood. Op de een of andere manier lukte het me niet om dat in mijn schilderijen te vertalen. Pas toen mijn zoontje heel erg ziek werd en op de rand van de dood stond, lukte het me om die slag te maken. Een verpleegkundige vroeg me of ik – als hij het niet zou redden – een post-mortemfoto wilde. Haar vraag verraste me enorm. Hij redde het. Nadat hij ontslagen was uit het ziekenhuis, ben ik opnieuw met de serie begonnen. Het is voor een groot deel de verwerking van wat er gebeurd is.”

Foto Lars van den Brink
Natasja Kensmil, Sleeping Beauty VI
Foto 1: het atelier van Kensmil. Foto 2: Natasja Kensmil, Sleeping Beauty VI
Foto Lars van den Brink

Hoe was het om van zo’n afschuwelijke ervaring kunst te maken en om de dood te esthetiseren?

„Ik ben altijd wel op zoek naar de ambigue werking in mijn schilderijen. Die dubbelzinnigheid van de esthetiek en gruwelijkheid, het schone en het lelijke, het kwade en het goede. In die ambiguïteit gebeurt het, maar dat is geen esthetisering van het gruwelijke. De esthetiek draagt eraan bij, dat is iets anders. Bij Sleeping Beauty gaat het me om dat menselijke proces, denk ik. Als je geliefde sterft, of je kind, dan is de schoonheid eromheen onderdeel van het rouwen. Door het mooier te maken, geef je de dode een eervolle plek, diens dood wil je afsluiten, daarom is decoratie belangrijk. Je probeert het gruwelijke te omarmen omdat je zo hoopt dichterbij te komen.”

Ik zoek de dubbelzinnigheid van esthetiek en gruwelijkheid, van het schone en het lelijke, het kwade en het goede

Bij de uitleg van deze serie staat in de catalogus dat de kinderen zo ontsnappen aan de eenzaamheid. Wat bedoelt u daarmee?

„Aan hun leven is een abrupt einde gekomen. Als mens wil je een verklaring waarom ze plots dood zijn, maar het blijft onbegrijpelijk. Het is een soort rouw, het is vooral de eenzaamheid van de nabestaanden.”

Bieden de schilderijen ook troost?

„Misschien wel. Ik denk over die dingen wel na als ik schilder. Ik sta in mijn werk stil bij de dood, maar de antwoorden vind ik niet. Soms kan het afschuwelijke een glans krijgen, dat is wat je probeert wanneer je zulke beelden probeert te vertalen naar je werk.”

Natasja Kensmil, Nicolaas II en Alexandra, 2008, olieverf op linnen, 260 x 140 cm
Courtesy andriesse ~ eyck galerie, Amsterdam
Foto Lars van den Brink
Foto 1: Natasja Kensmil, Nicolaas II en Alexandra, 2008. Foto 2: het atelier van Kensmil.
Foto’s courtesy andriesse ~ eyck galerie / Lars van den Brink

Beatrix-kapsel

In het boek Vrijheid. De vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968 is Zelfportret met kruis (1999) van Kensmil opgenomen. Het gaat om een vroeg werk, waar ze een soort Beatrix-kapsel heeft (net als de figuren op het werk Schwarzkopf uit 1998, met een knipoog naar de gelijknamige shampoo). De auteur van het boek, Hans den Hartog Jager, schreef erbij dat Kensmil met haar werk blackness, geschiedenis, religie en macht krachtig en intens combineert, maar dat ze haar tijd te ver vooruit was en dat ze daarom geen weerklank kreeg. „En dus gaf ze het onderwerp op en richtte ze zich op de geschiedenis in het algemeen.”

Was dat inderdaad een bewuste keuze?

„Het was voor mij toen prettig om het over identiteit te hebben, maar op een gegeven moment – net als bij andere series – heb je voor je gevoel alles verteld in die schilderijen en ga je over op een ander thema.”

De zoektocht is afgerond?

„Dat vind ik lastig om te zeggen, dat geldt eigenlijk ook voor Sleeping Beauty. Je denkt dat je het hebt afgerond, maar thema’s kunnen weer terugkomen. Of iets helemaal af is, kan je nooit zeggen.”

Als je naar de Regentessen-serie kijkt, lijkt die ook over identiteit te gaan, en daarmee haakt u volgens de jury aan bij de actualiteit.

„Op mijn Zelfportret met kruis en Schwartzkopf ben ik al bezig met de molensteenkraag, de zeventiende-eeuwse kleding en het refereren aan die machtsstructuren, maar dat identiteit een rol speelt in mijn werk is niet omdat ik hoop aan te haken bij de actualiteit of bij een maatschappelijke discussie. Ik ben altijd al bezig geweest met geschiedenis en de sporen die ze nalaat, hoe we er nu naar kijken en wat de geschiedenis nu nog voor ons betekent. Als mijn werk de actualiteit raakt, dan is dat zo, maar ik probeer op mijn eigen genuanceerde manier daar commentaar op te geven. Mijn werk is meerduidig, niet pamflettistisch.”

Natasja Kensmil, Schwarzkopf, 1998, olieverf op doek, 186 x 145 cm
BECHT COLLECTION
Natasja Kensmil, Schwarzkopf, 1998
Foto Becht Collection

Als je naar uw vroegere werk kijkt dan vallen twee dingen op. U gebruikte meer kleur, bijvoorbeeld in uw zelfportret of in het schilderij met Desi Bouterse die op een bed zit met hoge hakken aan. En er lijkt meer humor in te zitten. Heeft u zowel kleur als humor bewust losgelaten?

„Ik had er niet bewust humor in gestopt. Ik speelde wel met zelfspot en dikte bepaalde beeldelementen aan. Dat was niet grappig bedoeld, maar het is wel waar dat ik in de loop der jaren serieuzer ben geworden. Als je met humor werkt, kun je nog steeds serieus zijn, maar er komt geleidelijk ruimte voor andere thema’s en andere emoties.”

En daarom heeft u ook de keuze gemaakt om kleur los te laten en te vervangen voor meer soorten zwart?

„Dat komt omdat ik op een gegeven moment heel dikke, zware, kleurrijke werken had gemaakt. Ik had schilderijen waar ik een jaar aan werkte en door die korzelige, dikke verfstructuur was het moeilijk de helderheid erin te houden. Dat ik er zo lang over deed, was puur uit ontevredenheid. De doeken wogen letterlijk en figuurlijk zwaar. Ik was steeds op zoek naar eigenheid, een eigen beeldtaal en ik raakte daarin vast en kwam in een artistieke crisis. Toen wist ik dat ik mijn werken anders moest gaan benaderen, en maakte de keuze het kleurgebruik te beperken, dunner te gaan schilderen en veel meer op de scherpte van de lijn te gaan zitten.”

Wanneer was dit?

„In 2007. Ik was bezig met een serie over de Romanovs, raakte zwanger en durfde toen radicale keuzes te maken. Dat was eng, maar schilderen is durven falen en mislukken, anders kom je niet verder.”

Het ontroert me hoe mensen omgaan met de dood

Wanneer is een schilderij af?

„Jeetje, wat is dat voor vraag. Tja, als het meer is geworden dan ik voor ogen had, als wat ik gemaakt heb me verrast of overdondert.”

Als het verhaal af is?

„Nee, je kiest fragmenten, je geeft een interpretatie van je eigen verhaal. Een schilderij hoeft geen verhaal te vertellen, maar kan juist ook losgezongen worden. Een schilderij heeft te maken met een manier van kijken.”

Heeft u een ideale kijker?

„Nee, als het goed is, verandert die steeds. Van iedereen verandert de manier van kijken steeds, ook van mij.”

Hoe?

„Naar afbeeldingen keek ik vroeger vooral technisch, als een schilder. Ik bekeek bijvoorbeeld hoe groot de afstand was tussen oog en oor, oog en neus, noem maar op. Nu kijk ik inhoudelijker: wie is het, wat heeft hij gedaan, welke sporen heeft hij nagelaten? Wat presenteert de foto en vooral; wat zie ik niet? Ik moet streng kiezen welke foto’s en plaatjes ik meeneem naar mijn atelier.”

Heeft u voorkeur voor een bepaald type mens om mee te nemen als afbeelding?

„Jazeker, machthebbers, dictators!”

Denkt u dat u ooit een serie maakt die over de toekomst gaat?

„Dat vind ik een lastige vraag, omdat juist de tijd waarin ik niet geleefd heb me interesseert. Als ik naar de toekomst kijk, maakt me dat nog angstiger. Dus nee, ik zou niet graag in de toekomst kijken.”