Opinie

Waarom vijf media, waaronder NRC, nieuws over een neef van Ridouan Taghi vier maanden verzwegen

De ombudsman

Soms buldert de boetepreek weer eens van de uitgesleten kansel: journalisten zouden omwille van de kliks zomaar alles online gooien wat hun ter ore komt, afgeblust met het macho-motto publish and be damned.

De werkelijkheid is – gelukkig – een stuk genuanceerder. Dat bleek weer uit het bericht dat vijf (!) media, inclusief NRC, maandenlang voor zich hadden gehouden dat een neef van Ridouan Taghi, verdacht van meervoudige moord, hem vaak had bezocht in de gevangenis. Dat feit haalde pas de krant, toen de neef begin van de maand werd aangehouden.

In het nieuws over die aanhouding stond dat NRC na de moord op Peter R. de Vries „informatie” had gekregen over het „veelvuldige” bezoek van Taghi’s neef, maar die net als vier andere dagbladen niet had gepubliceerd, omdat het OM er niets over wilde zeggen.

Dat roept natuurlijk allerlei vragen op. Maar nog voordat ik mijn pen in ombuds-inkt had kunnen dopen werd de kwestie al in de krant zelf uit de doeken gedaan. In een verhelderend stuk over misdaadjournalistiek passeerden alle afwegingen de revue. Ook Parool-journalist Paul Vugts zette in een column in die krant zijn motieven uiteen.

Kortweg: journalistiek gezien was het blote feit te weinigzeggend: het bezoek mocht, en wat er werd besproken was onbekend. Wat is dan het verhaal? Zonder nadere feiten zou dit hooguit onbewezen een verband suggereren met de moord op De Vries.

Publicatie zou daarnaast het justitiële onderzoek kunnen hinderen. Media zijn geen verlengstuk van justitie, nee – maar dat wil niet zeggen dat het tegendeel waar is en je nooit rekening hoeft te houden met onderzoeksbelang. Het gevaar is natuurlijk wel dat je de regie kwijtraakt. Maar die lag hier al bij het OM dat onderzoek naar de neef instelde, maar naar buiten zweeg.

En dan het laatste argument: de naakte angst dat, zo kort na de schokkende moord op De Vries, ook andere misdaadjournalisten gevaar zouden lopen. Geen wonder, dit gaat om georganiseerde misdaad die nergens voor terugdeinst. Dan kan het gewenst zijn nieuws gezamenlijk te brengen, of in overleg met het OM.

Allemaal legitieme overwegingen, hoe je ook over de uitkomst denkt – al is vier maanden uitzonderlijk lang. Zoiets blijft een afweging per geval, met het publieke belang als criterium. Het had bijvoorbeeld anders gelegen, zeggen de NRC-journalisten die ik erover sprak, als het OM niet op de hoogte was geweest of geen stappen had ondernomen.

Toch een puntje op de i. Wat dat zaterdagstuk niet vermeldde, is dat er natuurlijk wel iets tegenover het langdurige zwijgen van de vijf media stond. Namelijk de belofte dat zij als eersten zouden worden ingelicht zodra justitie met concrete informatie naar buiten wilde komen. Toen het zover was, werden de betrokken media in Amsterdam bijgepraat. Drie uur later ging het persbericht van de aanhouding uit. Dat gaf ook NRC net genoeg voorsprong om een groter verhaal te maken.

Er was ook ander, lichtvoetiger rumoer aan het front van pers en politie. Bij protesten in Den Haag werden een verslaggever van de Volkskrant aangehouden én een duo van het Algemeen Dagblad, onder wie oud-hoofdredacteur Hans Nijenhuis. Beide dagbladen lieten hun verslaggever, eenmaal vrij, uitvoerig verslag doen van de ervaring.

In NRC (dat niet aan het front stond) verdedigde een woordvoerder van de Haagse politie de aanhoudingen in een interview. Journalisten, zei hij, hebben „ook plichten”. Een waar woord.

Alleen, ook dat stuk had een puntje op één ‘í’ kunnen gebruiken. Want het interview begon met kritiek op Nijenhuis, die volgens de politiewoordvoerder had zitten „shoppen” in de feiten. Hij had „geen perskaart” bij zich gehad toen hij werd aangehouden, zoals het AD beweerde, maar alleen „een visitekaartje”.

Poe zeg – dat is très James Bond! IJskoud je visitekaartje afgeven terwijl je met gespreide benen tegen een blauwe bus staat.

Maar wat was het nu precies: een OV-pasje, een kaartje van geschept papier met gekalligrafeerde letters (Nijenhuis’ journalistieke wieg stond tenslotte bij het ‘elitaire’ NRC Handelsblad)? In het interview wijst de woordvoerder op het verschil tussen een „perskaart van het medium” en een „politieperskaart”, die je moet aanvragen en kunt omhangen. Hij toonde de interviewer een foto van de aanhouding om zijn gelijk te bewijzen – maar ja, de lezer kijkt niet mee. De AD-verslaggever kwam niet aan het woord.

Ik belde Nijenhuis dus maar en inderdaad, zegt hij: omdat hij als oud-hoofdredacteur pas weer in het veld werkt (Nijenhuis stopte deze zomer) had hij nog geen politieperskaart. Hij toonde dus zijn AD-perskaart met foto, stempel en handtekening van zijn opvolger. Aan de andere kant: de fotograaf van het AD, die wél een politieperskaart had, werd ook opgepakt. Hij wil maar zeggen, veel had het niet uitgemaakt.

Het is een detail, maar zijn reactie had er best bij gemogen.

Hoewel, misschien ga ik er nu al te lang over door. Want columnist en chef Media Karel Smouter verbaasde zich die dag al over de „hoeveelheid krantenkolommen” over de aanhouding van de drie. Hij kon zich „wel iets voorstellen” bij de reactie van de politie dat journalisten ook plichten hebben.

Ik ook – maar wacht even, van wie was dat interview dat Smouter instemmend citeerde? Ja, van hemzelf. Want terwijl columnist Smouter zich verbaasde over de vele kolommen, tikte verslaggever Smouter er nog drie bij.

Misschien is het toch beter om die rollen gescheiden te houden. Journalistieke afwegingen uitleggen, zoals in de zaak-Taghi, is een groot goed. Maar feiten en opinies scheiden is dat ook.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.