Opinie

Klagen over ‘vervuild’ uitzicht is decadent

Rosanne Hertzberger

Wat is het toch met wandelen dat het mensen soms zo moralistisch lijkt te maken? De vergezichten? De cadans? Het gevoel van superioriteit waar mensen die aan beweging doen wel vaker door overvallen worden? Of is het puur het feit dat wandelen een van de weinige bewegingsvormen is waarbij de beoefenaars zowel ademruimte als tijd overhouden om urenlang te mijmeren en te keuvelen over hoe goed ze wel niet bezig zijn?

Vorige week zaterdag was het mijn gewaardeerde collega-columnist en -wetenschapper Peter Kuipers Munneke die al wandelend uit de bocht vloog. Hij beschrijft hoe hij tijdens zijn langeafstandswandelingen (nee, heus niet zomaar een blokje om in de wijk) Nederland tussen hoop en vrees bekijkt. Hoop gaven de prachtige natuurgebieden die hij was tegengekomen, met rijke flora en fauna. Vrees waren de de bedrijventerreinen, de wegen, de „gaten tussen de natuurgebieden”. Op zijn wandeling van Den Bosch naar Steenwijk werd het uitzicht regelmatig bedorven door boerenbedrijven met hun „oersaaie, gifgroene biljartlakens van eiwitrijk gras als veevoer”.

Dan denk je als boer dat je alles hebt overleefd. De stikstofstorm, de gevechten over biodiversiteit, bodemerosie, diervriendelijkheid, kalfjes bij de moeder, bijtjes in de akkerranden en terugbrengen van ammoniak, van fijnstof, van CO2 en van restafval. Blijkt nu dat je het uitzicht bederft van Randstedelingen die tijdens corona de langeafstandswandeling hebben ontdekt.

Kuipers Munneke bedoelt het vast goed wanneer hij schrijft dat we de boeren „hard nodig” hebben, maar het is een gepasseerd station. Boeren behoren zo ongeveer tot de enige bevolkingsgroep waarover je nog straffeloos ‘minder, minder, minder’ mag roepen. Nederland heeft vol ingezet op het inkrimpen van de veestapel.

De realiteit is dat het inmiddels nogal decadent is om te klagen over je uitzicht. In Nederland is momenteel een nijpend gebrek aan ruimte voor de dingen die niemand wil maar waarvan we wel allemaal vinden dat het moet. We moeten nog wat woningen bouwen, we moeten nog een paar duizend asielzoekers kwijt. En volgens mij was er nog behoefte aan wat extra windmolens en zonnepanelen. Ik hoorde laatst de tip dat wanneer je ruimte zoekt voor een van deze zaken, de kans van slagen het grootst is in een buurt met zo min mogelijk juristen per vierkante kilometer. Hoe mondiger en geëmancipeerder, hoe meer columns er geschreven worden over bedorven uitzicht.

Liever bij de buren, of nog beter, liever helemaal niet in Nederland. Het is opvallend dat je varianten op dat nationalisme, of lokalisme, het kleine achter-de-dijken-denken, terugziet bij uiterst rechts en uiterst links, bij progressieve en conservatieve gemeenschappen. Het anti-Europa, anti-globalisering, anti-immigratie ‘opvang in de regio’-gedachtengoed verschilt uiteindelijk niet bijster veel van het ‘doe maar lekker ergens anders’-denken dat veel voorkomt in de milieubeweging. Nederland is een groot-industrieel exporterend land. We produceren kunstmest en staal en chipmachines. Hele volksverhuizingen lopen via Schiphol. We hebben chemie en biotechnologie en hyperefficiënte landbouw en nog veel meer uitzichtbedervende vervuilende activiteiten voor Europese- of wereldproductie.

En telkens wanneer we dat inkrimpen, wegpesten, of het leven onmogelijk maken, omdat het onze lucht, ons uitzicht of ons woon- en wandelgenot bederft, dan betekent dat dat het elders verder gaat. De vraag naar staal en kunstmest wordt alleen maar groter. We maken de veestapel in Nederland kleiner, maar de vlees-, zuivel- en eierenconsumptie groeit alleen maar. Het wordt elders slechter, inefficiënter, minder diervriendelijk en vervuilender gedaan.

Wij kunnen ons land schoon vegen. Nederland kan een prachtig schoon, groen, waddenachtig eiland worden dat met gemak elk klimaatdoel haalt. Vijf sterren-uitzichten in van noord tot zuid en van oost tot west aaneengesloten natuurgebieden waar het heerlijk wandelen is. En dan hoofdschuddend toekijken naar al die vieze andere landen, hoe slecht ze wel niet voor hun vee zorgen, hoe hoog de uitstoot en het energieverbruik.

Misschien is het goed als de wandelaars dat in hun achterhoofd houden. Aan cosmetisch groen hebben we niet zo veel.

Rosanne Hertzberger is microbioloog.