Recensie

Recensie Muziek

Razendsnel typt Roberto Fonseca gedichten op de piano

Jazz De veelzijdige Cubaanse jazzpianist Roberto Fonseca paait zijn publiek met meezingmambo’s, maar verrast even makkelijk met virtuoze solo’s.

Roberto Fonseca achter de piano met zijn Trio.
Roberto Fonseca achter de piano met zijn Trio. Foto Bart Grietens

Wanneer Roberto Fonseca van Europees klassiek pianospel plots naar staccato Cubaanse jazz schakelt, lijkt zijn klavier wel een typemachine. Van links naar rechts ranselt hij snelle zinnen uit de toetsen, ondersteund door zijn drummer die de letters met felle klappen in het gehoor lijkt te stansen. Zo’n honderdvijftig aanslagen per minuut. Aan het einde van de maat blijft het een halve tel stil waarin de bovenkant van de typemachine weer naar het begin van een nieuwe regel wordt gerold. En daar gaat hij weer, vertragend, versnellend, vertellend.

Fonseca is een bijzonder veelzijdige pianist. Was hij echt schrijver geweest, dan schreef hij donderdagavond in het Bimhuis in Amsterdam – met hoed op en bodywarmer aan - een klein oeuvre bij elkaar. De nummers, veelal afkomstig van zijn laatste album Yesun, werden korte verhalen, gedichten, filmscripts, readymades, boodschappenlijstjes. Altijd met een aards swingende ondertoon.

De Cubaan weet zijn publiek te paaien met meezingmambo’s, maar ook te verrassen met virtuoos pianospel of synthesizers die doen denken aan de overstuurde cassettebandjes van Syrische bruiloftsmuziek.

Op het romantische ‘Por ti’ eist bassist Yandy Martinez de hoofdrol op. Hij verruilt zijn zessnarige basgitaar voor de contrabas en strijkt een innemende solo die hij daarna ritmisch verder plukt. Drummer Ruly Herrera valt in door het drumstel subtiel met zijn handen te bespelen, als conga’s. Het is een verademing ten opzichte van diens nogal aanwezige spel op een aantal andere stukken. Dan lijkt hij te weigeren om tweemaal dezelfde maat te spelen. Toch krijgt ook dat drukke drummen op momenten meer structuur en grijpt het in elkaar als een jazzy breakbeat.

De drie genieten zichtbaar van elkaars spel. Wanneer Fonseca op ‘La Llamada’ in een lange solo belandt, houden de andere twee stil. Bassist Martinez kan alleen maar bewonderend toekijken, soms aanmoedigend knikkend, dan weer verwonderd het hoofd schuddend. Tot het trio op Fonseca’s teken weer samenvalt in een iets afwijkend ritme. Alsof ze het ene velletje nog maar nauwelijks hebben volgetikt en alweer zijn begonnen aan een nieuw gedicht.